info@hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl
+31(0)85 8769712
Contact

Erik Pool (1961) was topambtenaar bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Na het toeslagenschandaal werd hij programmadirecteur Dialoog & Ethiek, een project voor de hele Rijksoverheid. Met een budget van 10 miljoen euro, een team vaste medewerkers en 170 gespreksleiders - inclusief enkele HTF-alumni - faciliteert hij het goede gesprek tussen ambtenaren over hun over morele dilemma’s. Hij publiceerde in dit kader de boeken Macht en moed (2021) en Macht en moed praktijkboek (2023), beide boordevol theorieën en technieken om deze ‘vrije ruimte’ te organiseren en in te vullen.

Ethische aanvliegroutes
“Morele arbeid,” zo definieert Pool heel nauwgezet in een nieuw handboek, “omvat alle in werkverband georganiseerde leer- en werkinspanningen die erop zijn gericht om met individuele concrete ambtelijke werkzaamheden én als overheidsorganisatie het goede leven dichterbij te brengen en te voldoen aan de morele normen, waarden en beloftes van de rechtsstaat.” De overheid, en al het ‘ambtelijk handelen’, is volgens Pool uiteindelijk gericht op het goede leven hier, en elders - bijvoorbeeld via het bevorderen van internationale rechtsorde.

Morele arbeid draagt hieraan bij, mits deze op drie niveaus in samenhang wordt verricht. Ten eerste moeten individuele ambtenaren zich laten (bij)scholen op het gebied van rechtstaat, bestuur en ethiek. Wat staat er eigenlijk in de Grondwet? Wat zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur? Wat zijn de ambtelijke rechten en plichten volgens de Ambtenarenwet? Maar ook: Welke ethische aanvliegroutes zijn er? Wat is rechtvaardigheid? Ook het doel en de kernwaarden van de organisatie (ministerie, UWV) moeten de revue passeren. 

Het goede leven
Ten tweede moeten ambtenaren in groepsverband hun werkprakijk leren onderzoeken. In zorgvuldig vormgegeven en begeleide groepsreflecties wordt op basis van concrete casuïstiek en ervaring het eigen handelen en de eigen keuzes aan kritische evaluaties onderworpen. Je leert niet alleen waarden (of blinde blekken) te herkennen en expliciteren, maar ook de techniek van het onderzoek zelf: van het luisteren en doorvragen, en het (bege)leiden van een onderzoeksgeprek. Waar een individuele cursus veelal ’s avonds of in het weekend plaatsvindt, horen deze sessies volgens Pool gewoon binnen werktijd ingeroosterd te worden. Maar wel buiten het werkproces, om los te komen van - en te kunnen reflecteren op - de dagelijkse routines, rollen en belangen. 

Toch gaat het er uiteindelijk om dat morele reflectie vast onderdeel wordt van het derde niveau, de organisatie als geheel. Morele reflectie is onderdeel van de vaste beroepspraktijk. Alle werkprocessen zijn zo ingericht dat collega’s, bestuurders, samenwerkingspartners van elkaar en van burgers en belanghebbenden moreel (bij)leren. Pool noemt dit: ‘morele feedbackloops’. Het resultaat: een lerende organisatie die moreel veerkrachtig is, ook als de wereld instabierer is geworden en snel verandert. En voor de burgers: een betrouwbare overheid, die gericht is op het algemeen belang en, uiteindelijk, het goede leven. 

Vorming
Morele arbeid kost inspanning. Het is ‘moeitewerk’. Je moet de spanning opzoeken en erin blijven, ook als je geconfronteerd wordt met jezelf, je wereldbeeld en als je vaste overtuigingen wankelen, of als je de juiste woorden niet kunt vinden voor wat je tegenstaat. Morele arbeid vereist bovendien maatwerk: elk moreel dilemma speelt zich af in een unieke context en vraagt om een oordeelsvorming die recht doet aan het persoonlijke en groepsperspectief. Bovendien is het mensenwerk: mensen zijn imperfect, ze schrijven zichzelf morele wetten voor - dat kunnen alleen mensen - maar leven deze niet altijd na. Mildheid is geboden. 

Bij een workshop die Pool gaf over morele arbeid, ter gelegenheid van de presentatie van Jos Kessels’ nieuwe boek In vorm komen (Boom), leek hij even te pauzeren voordat hij de deelnemers voorhield dat morele arbeid in de kern een vorm van leren is: individueel leren, groepsleren en, uiteindelijk, organisatieleren. Blijkbaar was dit voor hem een belangrijk inzicht. Of een belangrijke keuze? Het zette mij ook aan het denken: moet het juiste hyperoniem niet ‘vorming’ zijn, gezien het doel van morele arbeid? ‘Leren’ gaat om kennen en kunnen, om taken en oplossingen; ‘vorming’ gaat om waarden, houding, identiteit en morele oriëntatie. 

Als het om Gaza gaat, is de vraag wat er nog te leren valt. Gezien de overduidelijke oorlogsmisdaden en genocidaal geweld zou het gehele ministerie van Buitenlandse Zaken met al haar medewerkers toch elke vorm van medewerking moeten staken? Is het niet een kwestie van een zwakke morele houding? Buitenlandminister Veldkamp hield ons steeds voor dat hij door zich neutraal op te stellen, meer gedaan kon krijgen bij zijn Israëlische ambtsgenoot. Dit is geen immoreel standpunt, maar waarschijnlijk onhoudbaar als hij met zijn ambtenaren meer morele arbeid zou verrichten. 
[Met dank aan Erik Pool voor inzage in het hoofdstuk over dit thema uit de eerste versie van zijn boek Erewoord. Zakboek ethiek voor ambtenaren, dat dit najaar verschijnt bij ISVW Uitgevers.]

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

“Om meteen maar wat zorgen weg te nemen: dit boek draait niet om werkelijk ‘domme’ mensen,” zo valt Schimmelpenninck met de deur in huis. ‘Domheid’ duidt volgens hem niet op een lage intelligentie - waar je niets aan kunt doen - , maar op een gecultiveerde houding van opzettelijke onwetendheid, waar (juist) intelligente en invloedrijke mensen zich van bedienen. ‘Domrechts’ slaat dan ook niet op PVV-stemmers, die niet intelligent zouden zijn, maar op een radicaal-rechtse politieke stroming, die domheid tactisch inzet. Dom is niet wat je bent, dom is wat je doet. 

Maximale ophef
Schimmelpenninck werkt zelfs een schaal uit waarmee je deze vorm van domheid kunt aflezen: hoe meer opzet in het spel is, hoe dommer de persoon in kwestie. Van een beetje onschuldig bluffen of trollen, of nalatig omgaan met de feiten, tot je echt opzettelijk dommer voordoen dan je bent en willens en wetens de waarheid geweld aan doen. Dit gebeurt in de jacht op geld, op likes of op stemmen, en vaak met als doel ons vertrouwen in feiten en instituties te ondermijnen. Hoe dommer een uitspraak, hoe groter de kans dat sociale media-algoritmes het verspreiden. Dit maakt het driedubbel relevant voor filosofen: domheid gaat over kennis, ethiek en politieke filosofie.

Daarom is het voorbeeld van de waarschijnlijk redelijk intelligente rechtsfilosoof Raisa Blommestijn zo typerend. Ze tweette begin vorig jaar dat er nooit problemen waren met vuurwerk, totdat ‘buitenlands tuig’ elkaar en de politie begon te bekogelen. “De oplossing is niet het verbieden van vuurwerk en slopen van een Nederlandse traditie, maar het sluiten van de grenzen,” aldus Blommestijn. Dit is een aantoonbaar onjuiste bewering, die zowel empirisch als statistisch kant nog wal raakt. Maar: Blommestijn weet dat. Ze formuleert haar bewering met opzet zo ‘dom’, zodat er maximale ophef ontstaat en zowel voor-  als goedbedoelende tegenstanders deze onzin verder verspreiden. 

Makelaars in domheid
De domheid regeert is een knap betoog, maar Schimmelpennincks begripsanalyse gaat soms niet ver genoeg. Hij raadpleegt de etymologie, maar slechts oppervlakkig: ‘dom’ lijkt enerzijds terug te voeren op een zintuiglijk gebrek (zoals ‘stom’), maar daar houdt de analyse op. Terwijl er veel meer te halen valt. ‘dom’ duidt eerst en vooral op niet kunnen spreken, zoals bij het verwante ‘stom’, dat zich gaandeweg deze betekenis heeft toegeëigend. Maar wie verder terugzoekt, ziet een mooie Proto-Indo-Europese betekenis (dewb), die te maken heeft met duisternis of rook en die goed aansluit bij de actievere betekenis die Schimmelpenninck eraan toekent: het optrekken van rookgordijnen. 

Een groter probleem van de door Schimmelpenninck gewenste begripsinvulling is dat je een term niet verandert door er een bijvoeglijk naamwoord voor te zetten. Dat domheid opzettelijk is, moet je er steeds bij vermelden, om de ietwat denigrerende invulling van ‘dom’ te vermijden. Schimmelpennincks betoog, dat gericht is op de ‘makelaars’ in domheid (niet de gewone Nederlanders!), zou door de gevoeligheid rond de term ‘dom’ veel lezers kunnen verliezen.

Simpele boerenjongen
Is er een andere term voorhanden? Een kansrijke kandidaat is bullshitten, geënt op het bekende essay On Bullshit (1986) van de Amerikaanse filosoof Harry Frankfurt. Waar een leugenaar de waarheid bewust geweld aandoet, gaat het bij bullshitten om een manier van spreken die zich geheel niet tot de waarheid verhoudt en waarbij de spelregels steeds wordt gewijzigd. Bij Schimmelpennincks ‘domheid’ speelt echter het opzettelijk verdraaien of negeren van feiten een essentiële rol, of iemand nu aan het bullshitten, jij-bakken of trollen is. De voorbeelden van bullshitten die Schimmelpenninck noemt - zoals de beruchte ‘nareis-op-nareis’-uitspraak van VVD-leider Dilan Yeşilgöz - zijn strikt genomen geen bullshit.

Een andere kandidaat zou ‘verdommen’ kunnen zijn (niet te verwarren met ‘verdoemen’). Dumbing down zouden ze in de VS zeggen. Het geijkte voorbeeld is voormalig president George W. Bush, die zich dommer voordeed dan hij was toen hij zich tijdens de verkiezingscampagne van 2000 afzette tegen medekandidaat Al Gore. Bush was een rijke en hoogopgeleide presidentszoon maar deed zich voor als simpele boerenjongen met een Texaans accent, om ‘volkser’ over te komen. Maar dumbing down is ook maar een van de strategieën van Schimmelpennincks opzettelijke domheid en dekt dus ook niet de hele lading.

Hoe dan ook, Schimmelpenninck legt wel een goede basis om verder over ‘domheid’ te filosoferen. En tactisch gezien is het intact laten van ‘domheid’, met alle risico’s waarvan Schimmelpenninck zich bewust van is, een slimme zet. De domheid regeert staat al weken lang hoog in de Bestseller 60.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

Al maanden is Nederland in de ban van het aangekondigde plan van het kabinet om een ‘asielcrisis’ uit te roepen en een noodwet in te voeren, en daarmee het parlement tijdelijk te omzeilen. De redenering deed velen de wenkbrauwen fronsen. “Mensen ervaren een asielcrisis. Daarom komen we binnenkort met een noodmaatregel,” zei premier Schoof op de persconferentie na afloop van de ministerraad van 13 september jl. Asielminister Marjolein Faber moest alleen nog even goed op papier zetten waarom er de facto een crisis is of zou zijn - de zogenaamde ‘dragende motivering’. 

Columnisten, politici en tal van experts buitelden over elkaar heen met kritiek die je als filosofisch zou kunnen typeren. Kun je een crisis uitroepen als er van een crisis - zoals een oorlog, overstroming of virusuitbraak - eigenlijk geen sprake is? En: als je er maanden over doet om te bewijzen dat het crisis is, bewijs je dan niet automatisch dat er geen crisis is? En: is een crisis niet een sterk afwijkende fase in een langere ontwikkeling, waarvan - gezien de stabiele instroomcijfers - helemaal geen sprake is? Dit zijn allemaal goede, begripsanalytische vragen, met een duidelijk antwoord: nee, er is geen crisis. 

Helaas is het niet zo simpel. Crisiswetenschappers die goed hebben gekeken naar hoe samenlevingen een crisis definiëren, zien dat het altijd om een sociale constructie gaat, waarbij de perceptie ertoe doet. Crisiswetenschappers spreken van een crisis wanneer een gemeenschap ervaart dat haar fundamentele waarden en normen bedreigd worden, en er op korte termijn ingegrepen moet worden. Deze definitie biedt genoeg aanknopingspunten voor politici om een crisis uit te roepen en beleid erdoor te duwen dat anders niet mogelijk zou zijn geweest. 

Minister Faber zou het uitroepen van een asielcrisis als sociale constructie filosofisch kunnen onderbouwen aan de hand van de taalfilosoof John Searle (1932). Searle stelde dat taal niet alleen dient om de werkelijkheid te beschrijven, maar ook om een daad te stellen. Denk aan een belofte, bevel of verontschuldiging, waarmee je handelt via de taal en de werkelijkheid in zekere zin naar je hand zet. Met het uitroepen van een asielcrisis creëert Faber volgens Searle een zogenaamd ‘institutioneel feit’, waarmee ze een crisisstatus toekent aan de huidige situatie. Als de meerderheid van de Nederlanders deze status accepteert, ís er daarmee een asielcrisis, ook al spreken de feiten en tal van maatschappelijke partijen dit tegen.

Het probleem voor Faber is echter dat wij de beoordeling of er echt een crisis is, die noodmaatregelen en het omzeilen van het parlement rechtvaardigt, hebben belegd bij de rechterlijke macht. Hoewel juristen geen officiële definitie van ‘crisis’ hebben geformuleerd, is duidelijk dat er sprake moet zijn van ‘buitengewone omstandigheden’ en daarvoor moet er voldaan zijn aan twee criteria: 1) een vitaal belang wordt bedreigd en 2) normale bevoegdheden volstaan niet om deze dreiging af te wenden. 

Fabers plan moet langs ons hoogste juridische adviesorgaan, de Raad van State. Die kwam in 2021 al met een advies waarin duidelijk werd gemaakt dat ‘niet elke crisis die in het dagelijks spraakgebruik een ‘crisis’ wordt genoemd, ook een crisis is waarvoor noodbevoegdheden kunnen worden ingezet.’ Het moet echt gaan om een overstroming, kernramp, virusuitbraak of terrorische aanval, waarvoor geen reguliere wettelijke instrumenten zijn. Daarvan is bij de Nederlandse asielkwestie geen sprake. De asielcrisis is ten dele een opvangcrisis die, bijvoorbeeld, met de spreidingswet kan worden bestreden. Mocht het kabinet ondanks negatief advies toch doorgaan met de noodwet, dan strandt het beleid zeer waarschijnlijk bij een rechter. 

Het kabinet (lees: de PVV) zal dan nog steeds beweren dat het namens de meerderheid van de Nederlanders iets aan de asielcrisis wilde doen en dat een kleine club ongekozen juristen, die zelf geen last hebben van de asielinstroom, de boel saboteerden. Een boze Telegraaflezer verzette zich er ook tegen dat we pas mogen spreken van een crisis als dat juridisch is gestaafd. “Laat mij u zeggen: in de volksmond noemen wij dit allen gewoon een asielcrisis,” schreef hij. : Faber is een vrouw van het volk en benoemt het gewoon zoals het is: een crisis! Iedere jurist die daar iets tegen heeft moet een ander vak gaan uitoefenen!”

De scribent noemde nog enkele crises die de volksmond als zodanig bestempelt: de wooncrisis, de personeelscrisis en de klimaatcrisis. Zou hij de consequenties hebben doordacht van wat het betekent als de Nederlandse regering op al die terreinen verregaande bevoegdheden zou krijgen? Als een asielminister zomaar institutionele feiten mag maken en crisismaatregelen mag doordrukken, dan mag een klimaatminister dat ook. Is er voor deze nieuwe aanpak in Nederland een meerderheid?

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

© HTF Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) B.V. 2025
Webdesign: SaffrieDesign
cross
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram