info@hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl
+31(0)85 8769712
Contact

In de juiste proportie in de wereld zijn: voor ons dagelijks werk? Ja, we doen het voortdurend maar die ‘juiste proportie’ impliceert ook dat het niet gemakkelijk is. Een paar vaardigheden zijn onontbeerlijk: verplaatsing, analytisch vermogen, het kunnen zien van gehelen, zelfreflectie en een uitgekristalliseerde identiteit.

SPEELVELD

In elk vraagstuk vallen belangen te onderkennen, vaak van meer belanghebbenden dan je in eerste instantie zou denken. De belangen van de minst ‘stemhebbenden’ vallen snel buiten beeld; je kunt daarbij denken aan de kinderen, natuur, huisdieren, de kinderen van de toekomst. Om te komen tot een evenwichtige afweging van de verschillende belangen in een vraagstuk, is het verhelderend ze te ordenen in een speelveld. Dat kan op twee manieren: een maatstaf bedenken en daarmee ordenen. Of je draait het om: je ordent, eventueel op meerdere manieren en bedenkt hoe je het ordeningsprincipe zou noemen dat je klaarblijkelijk gehanteerd hebt. In beide gevallen krijg je zicht op een logica met betrekking tot de kwestie. Op zichzelf al zeer verhelderend! 

RECHTVAARDIGHEID

Vervolgens kan je jezelf in deze kwestie gaan plaatsen: waar plaats je je eigenbelang in deze zaak? En: welke waarde moet in de kwestie centraal staan? Wanneer je je hierover gebogen hebt, is het goed om je af te vragen welke waarden er aan andere belangen dan de jouwe te koppelen zijn. Op deze manier maak je het geheel zichtbaar. En pas dan is denken over rechtvaardigheid mogelijk, aldus Aristoteles. Dit geheel is op een bijzondere manier zichtbaar gemaakt: 1) de afzonderlijke bestanddelen, in de vorm van belangen en waarden, hebben een naam en een positie gekregen, 2) de samenhang van de bestanddelen is eveneens zichtbaar geworden, zowel in de naam van de maatstaf als in de ordening zelf. 

Op basis van je inzicht in het geheel, de bestanddelen en de ruimte daartussen, de samenhang en de vormgevende kracht die daarvan uitgaat, kan een met argumenten onderbouwde keuze worden gemaakt. Dat is rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid is op deze wijze geen abstractie maar een gekwalificeerde actie, waarin het juiste midden gevonden wordt aan de hand van de gehanteerde maatstaf. Daarmee wordt rechtvaardigheid ook toegankelijk voor een waarden-gericht gesprek over andere maatstaven, een andere waarden-hiërarchie, andere keuzes.

VERPLAATSING

Natuurlijk is deze wijze van een vraagstuk analyseren niet gemakkelijk. Het is een onderzoek van bestanddelen én van samenhang. Het onderzoek van de bestanddelen zorgt voor een dieper inzicht in de essentie van de samenhang, tot een inzicht in de samenhang die gebaseerd is op waarden. Pas op grond van een dergelijke samenhang kan zinvol gereflecteerd worden over rechtvaardigheid. Er zit in deze operatie een belangrijke psychologische en maatschappelijke vaardigheid verstopt: verplaatsing. Werkelijke verplaatsing is het vermogen om je in de schoenen van een ander te verplaatsen, met het voelen van diens last op je eigen schouders, het ervaren van de positie van de ander. Dit met behoud van je eigen denkvermogen. 

ZELFREFLECTIE

Cruciaal in dit proces is, naast verplaatsing, het kunnen reflecteren op je eigen positie: hoeveel ruimte verdient je eigenbelang als je de ordening van het speelveld overziet? En ook: kun je het hebben om een toontje lager te zingen als je je eigenbelang afweegt tegen dat van anderen? Kun je het hebben als het geformuleerde juiste midden wel leidt tot rechtvaardigheid, maar niet noodzakelijk tot behartiging van je eigenbelang? Voel je je een sukkel als je een stapje opzij doet om ruimte te maken voor dat juiste midden, de belangen van anderen? Zo ja: hoe zit dat sukkel-voelen in elkaar? Welk achterstallig onderhoud in het doordenken van je verleden wordt daarin zichtbaar? Is je eigen identiteit gebaseerd op het werkelijk doordenken van je opvoeding, je geschiedenis, je opleiding, en de bijbehorende oogkleppen? Kan je die identiteit op een reële manier positioneren ten opzichte van identiteiten van de anderen die in de kwestie een rol spelen?

DE JUISTE MAAT VAN JE EGO

Pas als het bovenstaande in orde is, kom je toe aan het maat geven aan je ego. Kan het harmonica-element van je ego door duwen of trekken z’n juiste positie krijgen? Laat je van je horen? Zo ja, met welke toon? En vooral: welk belang stel je centraal? Ben je bereid je welsprekendheid te gebruiken om het juiste midden te laten klinken, in het licht van het geheel?

Steeds weer de (ego-)maat vinden is een balans vinden tussen de claims van de (onder)buik, het hoofd en het hart. En van de belangen van het geheel, van alle in de kwestie aanwezige belangen. Het is moeilijk en belangrijk, en voor een mooiere wereld van grote betekenis.

Rubriek: TECHNÈ - Methoden en technieken in de Toegepaste Filosofie

Onder technè verstonden de oude Grieken: ‘kennis die nodig is voor effectieve actie’. In deze rubriek besteden we systematisch aandacht aan toegepast-filosofische methoden en technieken. Kenmerkend voor deze technieken is dat ze in een professionele context toegepast en geoefend kunnen worden.

Luuk Stegmann is klinisch psycholoog en psychotherapeut. Sinds 2012 is hij hoofddocent van de beroepsopleiding Visieontwikkeling en Rechtvaardig Leiderschap van de ISVW. Hij is mederedacteur van Hoog Spel, Filosoferen in de praktijk.

I Who Have Never Known Men gaat over een meisje dat opgroeit in een ondergrondse cel met negenendertig vrouwen. Deze vrouwen bezitten kennis van een wereld vóór het leven in de cel; ze hadden partners en kinderen, gingen naar werk en naar feestjes. Wanneer zij het hebben over liefde of seks, kan het meisje zich daar geen voorstelling bij maken. De enige mannen die zij ooit heeft gezien, zijn de bewakers die haar gevangen houden en die altijd op een afstand blijven. Het meisje leeft als een gevangene in Plato’s grot, waar de schaduwen op de muur de verhalen van de vrouwen zijn.

KLEINE DINGEN

Ook al zijn ze vrouwen onder elkaar, zij leven in een wereld die door mannen geschapen is. In De tweede sekse schrijft Simone de Beauvoir dat vrouwen zich nooit buiten deze mannelijke wereld hebben kunnen bewegen: “Zelfs als vrouwen dromen, doen ze dat door de dromen van mannen.” Harpman houdt zich bezig met deze existentiële kwesties: wat betekent het om een vrouw te zijn in een wereld zonder mannen? En hoe kunnen vrouwen het leven betekenis geven nadat hun geweld is aangedaan?

Het is aan de lezer om tot haar eigen conclusies te komen als het om deze vragen draait. De personages doen constant nieuwe pogingen om betekenis terug te vinden. Ze koken (steeds met dezelfde ingrediënten, maar elke keer op een andere manier klaar gemaakt), ze onderwijzen elkaar, ze vinden manieren om de tijd bij te houden: schijnbaar kleine dingen, die een wereld van verschil maken.

APOCALYPTISCHE WERELD

De vrouwen in de cel lijken niet toevallig op de gevangenen in Duitse concentratiekampen. De lezer blijft gissen naar de reden waarom zij zijn opgesloten, wat er in deze apocalyptische wereld is gebeurd en of ze ooit nog naar buiten mogen. Als zij uiteindelijk ontsnappen, levert dit enkel meer vragen op en moeten de vrouwen leren leven met het feit dat ze er misschien nooit achter zullen komen waarom hun dit is aangedaan.

I Who Have Never Known Men is een verdrietig boek dat desalniettemin overstroomt van liefde en hoop. Harpman beschrijft haar hoofdpersoon op een prettige en intieme manier, wat uitnodigt om volledig in haar wereld op te gaan. Sinds lezen als hobby tijdens de pandemie in populariteit weer is toegenomen, is het geen verrassing dat dit werk herontdekt is en door een nieuw publiek gewaardeerd wordt.

Isa Wissink (2000) studeerde filosofie aan Tilburg University. Diens scriptie behandelde Arendts theorie van fictieve werelden en hun rol in de opkomst van het fascisme. Wissink werkt bij Phronèsis als redactielid en geeft les over de Nederlandse rechtsstaat bij ProDemos.

Over het moreel kompas - en dan vooral het gebrek eraan - hoor je steeds meer. De onvolprezen wetenschapsjournalist en anti-kwakzalfactivist Adriaan ter Braack (‘Sjamadriaan’) verweet voetbalclub Ajax recent nog een ‘lachwekkend gebrek’ eraan. Ajax neemt namelijk de supplementenboer Vitakruid in de arm als Official Nutrition Supplier. Sjamadriaan verwijt Vitakruid al jaren onwetenschappelijke informatie over de werking van voedingssupplementen (en zonnebrandcrèmes en vaccinaties) via influencers te verspreiden. Bovendien leidt het miljoenenbedrijf dubieuze orthomoleculair therapeuten op, die via onbewezen medische behandelingen Vitakruidpillen slijten. En: Vitakruid dreigt kritische journalisten zoals Sjamadriaan met juridische stappen. Daar werk je als serieuze sportclub toch niet mee samen?

JOURNALISTIEK KOMPAS

Hoofd topsport Martijn Redegeld, nota bene zelf sportvoedingsdeskundige, sprak van ‘toegang tot expertise en producten die aansluiten bij onze filosofie’. Dat Ajax een onderliggende filosofie heeft, zou erop kunnen duiden dat de voetbalclub wél een moreel kompas heeft, iets dat richting geeft in het denken en handelen. Maar wat die filosofie is, wordt niet duidelijk. Tot de sportieve kernwaarden van Ajax behoren onder andere ‘de beste willen zijn’, maar de club wil ook bijdragen aan ‘een gezonde, leefbare omgeving en sociale samenleving’. Is Vitakruid dan de juiste partner? Of het moreel kompas is niet goed afgesteld, of het wordt niet gebruikt. Maar heb je er dan wel één?

Nog een voorbeeld: in een interview met programmamaker Tim Hofman, die de misstanden rond The Voice of Holland in 2022 aan het licht bracht, gaf Jildou van der Bijl, destijds hoofdredacteur van LINDA, toe dat ze al in 2021 ernstige signalen ontving over Ali B. Ze kwam in contact met enkele slachtoffers, maar kreeg een journalistiek verhaal niet rond. Ze ging echter ook niet met de signalen naar Linda de Mol, of via haar of direct naar John de Mol, de baas van Talpa en bedenker van The Voice. Achteraf had ze dat wellicht wel moeten doen, gaf ze toe. Maar, zo voegde ze toe, ‘naast’ haar ‘morele kompas’ had ze ook een ‘journalistiek kompas’ en dacht ze ook: ‘hoe kan ik deze meiden helpen?’ Blijkbaar beschouwt Van der Bijl een moreel kompas als (slechts) één van de instrumenten die je in kunt zetten bij lastige keuzes en valt zelfs niet elke ethische overweging (‘de meiden helpen’) er binnen.

MORELE POOLSTER

Als je de metafoor van het moreel kompas letterlijk neemt, dan moet het echt om een navigatieinstrument gaan, dat richting geeft. Met een duidelijk noorden, een morele poolster die staat voor je belangrijkste waarde(n). In het Engels wordt voor poolster vaak de term ‘north star’ gebruikt. Je moet dan ook kunnen articuleren wat het zuiden is, waar je ver weg van wil blijven (om going south te vermijden). En wellicht moet je ook een idee hebben waar ‘oost’ en ‘west’ voor staan: waarden die aan je trekken, maar die je niet echt verder brengen? Binnen het HTF Denkhuis geven we een training (‘Werken met waarden’) waar je heel systematisch zo’n moreel kompas leert maken. 

Of je van een expliciet(er) moreel kompas een deugdzame professional wordt, of misschien zelfs een beter mens, is de vraag. Een vergelijkbare vraag stelde ik in Phronèsis nr. 21 over ‘democratisch ethos’, dat duidt op iemands duurzame, innerlijke houding ten aanzien van democratische instituties. Dat iemand dat ethos heeft, wil nog niet zeggen dat hij de huidige democratische rechtsstaat steunt. Maar het woorden geven aan - en dus erkennen van - een mogelijke diepere democratische houding, is op zich een stap vooruit. De winst van een moreel kompas is dat je een waardensysteem ontwikkelt, waarmee je je in ieder geval grondiger en methodischer oriënteert op het goede. 

HORIZON

Het morele kompas van Ajax zou geholpen zijn met een positief, gezond en doordacht ideaal van topsport dat als ‘poolster’ bovenaan staat. Daar kun je om financiële of bekendheidsredenen (‘oost’ en ‘west’?) niet van weg bewegen. Als je al supplementen nodig hebt, waarom dan geen andere leverancier? Bij Jildou van der Bijl werd duidelijk dat ze de signalen wel had willen melden, maar verschillende waarden om voorrang vochten. Hoe zou een explicieter, omvattender kompas met een duidelijker ‘noorden’ er voor iemand in haar functie uit hebben moeten zien? 

Terug naar Trump: zijn moreel kompas lijkt geijkt op eigenbelang, reputatie, ‘winnen’ en America First, waar commentatoren vaak van zeggen dat hij er ook aan vasthoudt en naar handelt. Maar nader beschouwd zijn dit geen vaste waarden, en weet hij ook niet hoe deze zich tot elkaar en andere waarden, of waardesystemen (de Amerikaanse grondwet, het internationaal recht) verhouden. Trump heeft geen ‘horizon’, zoals een oud-generaal het verwoordde. Gevolg: hij waait met alle winden mee en is vatbaar voor allerhande Trump-fluisteraars - gelukkig ook voor Mark Rutte, die hopelijk wel een moreel kompas heeft ontwikkeld na zijn premierschap.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis.

Is het niet veel interessanter om te kijken naar filosofische ideeën die ons het zicht op de werkelijkheid juist ontnemen? ‘Idolen van het theater’, noemde Francis Bacon ze in de zestiende eeuw. Bacon gaf als voorbeeld Aristoteles’ idee van een doeloorzaak. Maar die dwaling is reeds lang geleden een zachte dood gestorven. Welke filosofische waanideeën drukken een stempel op het huidige publieke debat?

Geen denker wordt tegenwoordig waarschijnlijk zo vaak aangehaald als Hannah Arendt. Zeker sinds Trumps eerste verkiezing wordt ze vaak aanbeden als een profeet, stelt de critica Jennifer Szalai in de New York Times. Er verschenen talloze artikelen over hoe haar werk licht zou werpen op de Amerikaanse politiek. Ook stonden haar boeken en dan met name The Origins of Totalitarianism vaak hoog in de bestsellerslijsten. 

In een artikel met de treffende titel ‘Hannah Arendt is not your icon’ beschrijft Szalai hoe dit bij veel intellectuelen tot ongemak heeft geleid. Wie door de bril van Arendts ideeën over totalitarisme naar de Amerikaanse politiek zou kijken, kan blind worden voor het feit dat Trump in de eerste plaats een kleptocraat is, die vooral zichzelf wil verrijken, stelt één van hen. Het werk van Arendt zou met name goed zijn voor geprivilegieerde mensen die graag iets pseudo-diepzinnigs over de wereld willen zeggen, gaat hij verder. 

Szalai vindt het een overtrokken interpretatie - en daar heeft ze volgens mij helemaal gelijk in. Natuurlijk verschijnt er weleens een opiniestuk waarin deze of gene Hannah Arendt citeert om zijn mening wat extra cachet te geven, ook in het Nederlands. Maar de vraag in hoeverre haar visie op totalitarisme op het huidige tijdsgewricht van toepassing is, lijkt me eerder een kwestie van gezond publiek debat, dan dat dit het zicht op de werkelijkheid blokkeert. 

Interessant genoeg kun je Arendt uitstekend gebruiken om te zien waar het mis gaat. Filosofen maken volgens haar de fout om de uitkomst van het denken belangrijker te vinden dan het denkproces zelf. Als het denken tot stilstand komt, is het gevaar dat gedachten stollen tot pasklare ideeën; ieder denkbeeld heeft zo de potentie om een ‘idool’ te worden. En wie door clichés bevangen is, leeft buiten de politieke realiteit. Of zoals Szalai het zegt: Arendt is er niet om in hapklare brokken geconsumeerd te worden. Ze biedt geen comfort, maar kan je helpen bij het denken, steeds weer opnieuw.

Sake van der Wall (1979) studeerde taalfilosofie, literatuurwetenschap en journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft sinds 2010 voor De Speld en doceert filosofie aan een middelbare school. Tevens is hij als docent cultuur en media verbonden aan de Hogeschool voor Toegepaste filosofie.

Parijs, jaren negentig. De camera neemt ons mee in het gangenstelsel van de metro. Mensen haasten zich naar de perrons, een schoonmaker veegt de trap, een man zit op de grond te bedelen. Op de achtergrond horen we betoverende klanken. Steeds dieper gaan we de grond in. Tot we op het perron zijn en zien waar die prachtige muziek vandaan komt: iemand speelt op een harp. Het is Mario Guacarán - al jong vertrok hij uit Venezuela, trok door Europa als muzikale nomade en heeft inmiddels al jaren een vaste plek op het perron van metrostation Opéra.

BALLINGSCHAP

In ‘Het ondergronds orkest’ portretteert regisseur Heddy Honigmann muzikanten die spelen op straat en op de perrons, en in de wagons van de Parijse metro: ‘de ingewanden van de nationale muziekacademie’, in de woorden van de harpist. Honigmann filmt de musici als ze aan het werk zijn en vraagt ze naar hun levensverhaal. Zo is er de violist uit Sarajevo, die in Bosnië in het orkest van de nationale opera speelde, tijdens de oorlog deserteerde en naar Parijs vluchtte. De cellist uit Roemenië, die tijdens een tournee met een groot Roemeens orkest besloot in het Westen te blijven. De Malinese zangeres die zonder papieren op straat altijd bang is voor de politie.  

Hoe verschillend hun levensgeschiedenissen ook zijn, altijd is er een sprake van een geboorteland, van een breuk en van een zoeken naar thuis. ‘Het ondergronds orkest’ toont de verhalen van ballingen. Ik moest denken aan het werk van de Spaanse filosoof María Zambrano (1904-1991). Aan het einde van de Spaanse burgeroorlog ontvluchtte zij haar land en bracht het grootste deel van haar leven in ballingschap door. Onlangs verscheen een essaybundel van haar in Nederlandse vertaling: Over kennis van de ziel (ISVW, 2025).

LEVEN IN CRISIS

In haar essay ‘Het leven in crisis’ - geschreven in de jaren dertig - schrijft Zambrano: ‘De crisis toont de essentie van het menselijk leven, de hulpeloosheid van de mens die alle houvast kwijt is, alle ijkpunten; een leven dat niet naar enig doel vloeit en dat geen rechtvaardiging vindt.’ Zij onderzoekt minutieus waaruit de crisiservaring bestaat en vervolgt: ‘En toch, te midden van zoveel ongeluk hebben wij die in crisis leven, misschien het voorrecht om het menselijk leven, ons leven, duidelijker te zien.’ Crisissituaties maken misschien bij uitstek zichtbaar wat het betekent om mens te zijn.

Zambrano noemt mensen ‘levende problemen’. Je komt op de wereld, maar je past niet in de wereld, en de wereld past zich ook niet aan jou aan. Daarom heb je als mens er nooit genoeg aan om gewoon te leven, maar heb je altijd wat anders nodig - bijvoorbeeld filosofie, kunst, religie of wetenschap. De mens moet dus ‘zijn eigen wereld scheppen, zijn holte, zijn plek; hij moet voortdurend zichzelf en de werkelijkheid die hem een tehuis biedt, creëren.’

EEN THUIS

Alle muzikanten uit ‘Het ondergronds orkest’ dragen een pijnlijk verleden met zich mee en delen de eenzame ervaring van ballingschap. Toch is het een uitermate hoopvolle film. Die hoop zit in alle muziekscènes: als je de Roemeense cellist een duet hoort spelen met zijn zoon, die nu aan het conservatorium in Parijs studeert; als je de Zaïrese dichter en popmuzikant zijn poëtische teksten hoort voordragen op muziek; en als je het trio ziet dat in een metrowagon een spetterende vertolking geeft van ‘Try a little tenderness’ met bas, gitaar, zang en percussie. Een glimlach verschijnt op de gezichten van de passagiers. De politie knijpt een oogje toe als ze geld ophalen.

‘Leven in crisis is onrustig leven. Maar eigenlijk wordt het hele leven in onrust geleefd,’ schrijft Zambrano. Deze film laat zien wat er gebeurt als het je lukt iets te maken - kunst, muziek, poëzie - ook te midden van een leven in een onrust. In iedere scène waarin muziek wordt gemaakt, lijkt de tijd stil te staan en vergeet je als kijker waar je bent. Deze kunstenaars slagen in de opdracht die Zambrano voor de mens stelt: ze maken een eigen wereld, een holte, een plek. ‘Het ondergronds orkest’ laat zien welke rol muziek daarbij kan spelen. De muziek is een alternatief voor een thuis. De muziek ís een thuis.

‘Het ondergronds orkest’ is ook te zien via Picl (picl.nl) en Eye Film Player (eyefilm.nl/kijk-en-luister/eye-film-player).

Carolien van Welij (1977) is filosoof en neerlandicus. Ze is redacteur van Phronèsis en docent aan de HTF. In 2023 verscheen haar boek Wat denken doet. Als filosofie je leven verandert (ISVW Uitgevers). Carolien biedt cursussen, lezingen en individuele trajecten ‘Doorleefde filosofie’, waarin deelnemers filosofische thema’s en methodes toepassen op eigen vraagstukken. carolienvanwelij.nl

Helaas betreft het een stoffig document, waarin zaken staan als: ‘de docent analyseert maatschappelijke veranderingen op primair, secundair en tertiair niveau’ en ‘de docent heeft kennis van relevante politicologische concepten, zoals de gedecentraliseerde eenheidsstaat’.

MORELE RUIMTE

Het kwaliteitskader riep verontwaardiging op bij de vakgroep Onderwijs van de HTF en leidde tot een inhoudelijke discussie over wat Burgerschap eigenlijk is. Over dat omstreden begrip bestond weinig consensus, behalve over één punt: de burgerschapsopvatting die uit het kwaliteitskader spreekt, schiet tekort. In dit artikel doe ik een eerste, persoonlijke poging tot een alternatieve articulatie.

Burgerschap gaat wat mij betreft over het ontwikkelen van een visie op wie je wilt zijn - in relatie tot jezelf, je omgeving en de samenleving. Met andere woorden: het gaat erom dat je je kunt oriënteren in een morele ruimte: een omgeving waarin allerlei morele vraagstukken op je pad komen. Je hebt twee dingen nodig om je te oriënteren in een morele ruimte: 1) een helder beeld van hoe die morele ruimte eruitziet en 2) antwoord op de vraag waar jij jezelf positioneert binnen die morele ruimte. Weten hoe de morele ruimte eruitziet, betekent dat je kennis hebt van welke waarden, normen en belangrijke vraagstukken er spelen in de huidige samenleving. Eenvoudiger gezegd: weten welke morele kwesties er spelen, welke waarden daar botsen en waarom dat ertoe doet. Jezelf positioneren binnen de morele ruimte betekent dat je in toenemende mate leert hoe je je wilt verhouden tot die morele vraagstukken.

Burgerschap gaat over het ontwikkelen van een visie op wie je wilt zijn - in relatie tot jezelf, je omgeving en de samenleving.

RANGORDE VAN WAARDEN

Het oriënteren in de morele ruimte is geen lineair proces, maar veeleer een iteratief proces, waarbij iemand constant beweegt tussen enerzijds kennisnemen van de samenleving en anderzijds hoe je je daartoe wilt verhouden op basis van je eigen rangorde van waarden.

In Autonomie: een zelfhulpgids (2022) illustreert Miriam Rasch hoe dit iteratieve proces goed kan verlopen. Ten eerste is het belangrijk een achterkamer voor jezelf vrij te houden, waarin je vrij en ongestoord kunt nadenken over wat er voor jou wezenlijk toe doet en hoe je daarin wilt handelen. Ten tweede moet je ook regelmatig uit die achterkamer komen om een actieve relatie met de samenleving te onderhouden. Rasch waarschuwt er namelijk voor dat mensen die te lang verblijven in hun achterkamer, vatbaar worden voor manipulatie door giftige algoritmes en deepfakes, die een geloofwaardig maar onjuist beeld van de samenleving laten zien. Met andere woorden: zij verliezen zicht op hoe de morele ruimte eruitziet, waardoor het lastiger wordt zich daarin te oriënteren.

Een andere reden waarom het lastig wordt voor jongeren - en eigenlijk voor alle mensen - om zich te oriënteren in de morele ruimte, is dat zij niet weten waar zij zelf staan. Zij kennen hun eigen rangorde van waarden niet en weten niet met wie zij zich willen verbinden. Mijn ontzetting over het kwaliteitskader moet dan ook in deze richting worden gezocht. Als een docentenprogramma vol wordt gepropt met het correct overbrengen van allerlei sociologische ‘-ismes’, dan wordt de ruimte verkleind waarin docenten het goede gesprek met studenten kunnen voeren over hoe zij zich verhouden tot maatschappelijke normen, waarden en vraagstukken. 

SUBJECTIFICATIE

Onderwijskundig geformuleerd: in het kwaliteitskader van OCW voert het kwalificatiedomein dermate de boventoon dat de subjectificatie naar de achtergrond verdwijnt, terwijl een docent Burgerschap júist moet faciliteren dat studenten woorden leren geven aan hun eigen waarden en leren oefenen met het innemen van, en verantwoordelijkheid nemen voor, een positie.

Het belang van subjectificatie wordt niet alleen onderschreven door een docent die het liefst levenskunst doceert (zoals ondergetekende), maar volgt ook logisch uit het Handboek Burgerschapsonderwijs (2024). Daarin wordt gesteld dat er pas sprake is van een burgerschapsles als deze voldoet aan drie eisen: 1) het aanleren van kennis of vaardigheden, 2) een spanning tussen verschillende waarden en 3) een verkenning van mogelijke oplossingen voor deze spanning.

Door de overmatige nadruk op sociologische ‘-ismes’ voldoet het kwaliteitskader slechts aan de eerste van deze drie voorwaarden, terwijl een opvatting over burgerschap die stelt dat het gaat om het ontwikkelen van een welbepaalde visie op wie je wilt zijn in relatie tot jezelf, de omgeving en de samenleving - waarbij je zowel kennis neemt van het morele landschap als van je eigen rangorde van waarden - aan alle drie de eisen voldoet.

Ruimte maken voor het gesprek waarin studenten leren wie zij willen zijn als burger.

Een les waarin bijvoorbeeld de vraag centraal staat of een school moet faciliteren in een gebedsruimte voor leerlingen, voldoet aan het eerste criterium, omdat studenten kennisnemen van artikel 6 van de Grondwet, dat gaat over vrijheid van godsdienst. De les voldoet ook aan het tweede criterium, omdat er spanningen kunnen bestaan tussen verschillende bevolkingsgroepen en hun rangorde van waarden. Deze les voldoet echter niet noodzakelijk aan het derde criterium; dat gebeurt pas wanneer studenten worden uitgenodigd om gezamenlijk mogelijke handelingsopties te verkennen en hun eigen positie daarin te beargumenteren.

DISCIPLINERING SUBJECT

Het kwaliteitskader van OCW sluit niet noodzakelijk uit dat studenten zich daardoor slechter leren oriënteren in de morele ruimte, want een analyse van een waardenconflict aan de hand van sociologische concepten kan ondersteunend werken bij het innemen van een eigen positie. Het kwaliteitskader staat echter zo bomvol met vakinhoudelijke eisen, dat burgerschap hier veel weg heeft van disciplinering van het subject. We zouden er, als schoolopleiders, verstandiger aan doen om minder te vertrouwen op een uitputtende lijst van vakinhoudelijke eisen en meer ruimte te maken voor het gesprek waarin studenten leren wie zij willen zijn als burger. 

Martijn Janssen (1995) behaalde de master Praktische Filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. De Post-Master tot eerstegraads docent filosofie rondde hij af bij Tilburg University. Zijn filosofische expertise is (meta-)ethiek, wijsgerige antropologie en filosofie van de persoonlijke vorming. Martijn geeft les in filosofie en mediawijsheid aan het Veluws College Walterbosch te Apeldoorn. Bij de HTF is Martijn werkzaam als coördinator van de afstudeerrichting Onderwijs (docentopleiding Filosofie en Burgerschap) en docent.

Beste redactie,

Nadat Marjan Hengeveld, directeur Bedrijfsvoering HTF, de bijeenkomst geopend had en Martin Slagter, algemeen directeur HTF zijn laudatio had uitgesproken en mij het eerste exemplaar van het prachtig uitgegeven, vrolijke boekje met mijn lectoraatsrede had overhandigd, was het woord aan mij. Ik begon met een zogenaamde energizer, waarbij iedereen opstond, met de handen en voeten wapperde, en hardop aftelde vanaf tien. Ik wil met filosoferen nadrukkelijk ook de lichamelijkheid en verbondenheid meenemen. Een energizer geeft mensen energie én een glimlach. Het ziet er op de foto uit als een vrolijke evangelische bijeenkomst, waarbij mensen zingen en dansen. De toehoorders konden na de energizer vrolijk konden gaan zitten luisteren naar mijn niet zo vrolijke voordracht. 

GEDICHT

Het was een mooie dag met een fijne atmosfeer. De Joep Dohmenzaal zat helemaal vol. Dankzij de hulp en ondersteuning van HTF-student Rob van der Hulst was de techniek tiptop in orde. Voordat ik begon met mijn voordracht, liet ik een korte video zien van de ‘foga’-workshop, die ik enkele weken daarvoor op de HTF had gegeven, samen met HTF-student Rich Gomez. Dat was een workshop die filosoferen en yoga combineerde onder het mom van het flexibel maken van zowel lichaam als geest. De fraaie video-impressie was gemaakt door Siem Herstel. Rich las, voorafgaand aan mijn voordracht, een eigen filosofisch gedicht voor, getiteld ‘Samen Mens’:

Welkom, vreemdeling,
al lijk je misschien niet vreemd.
Je draagt net als ik
een hart dat zoekt,
ogen die hopen
en een hoofd vol misschien. 

(…)

En mocht je het even niet weten, 
weet dan:
ook wij proberen het leven te begrijpen.
Door te zoeken. Samen.

Welkom in dat zoeken.
Welkom in het samen mens-zijn.

LECTORAATSREDE

Bij wijze van experiment droeg ik mijn tekst voor met op de achtergrond zachte ambient music via YouTube, zodat er ook rustige beelden bij te zien waren. Mijn lectoraatstrede zoals die in het boekje staat, is te lang om voor te dragen. De tekst die ik voorlas, was daarom niet alleen ingekort, maar ook wat aangepast om goed te kunnen voordragen. Ik had de tekst vooraf enkele malen hardop voorgelezen en geklokt om binnen de 45 minuten te blijven. Zoals bij elke voordracht, begon ik met mijn kleine klankschaal, waarmee ik ook vaak mijn colleges begin. Ik lees zelden een tekst hardop voor; meestal geef ik een voordracht aan de hand van aantekeningen. Ik had me voorgenomen om me aan de tekst te houden. Toen ik begonnen was en zag hoeveel bladzijden ik nog moest, schrok ik ervan: zullen de toehoorders zich niet vervelen? Ook was ik bang dat mijn voordracht mensen zodanig op de kast zou kunnen jagen, dat ze de zaal zouden verlaten. Dat gebeurde niet. Ik had wel ruim de 45 minuten nodig om de rede voor te dragen. Kort samengevat zette ik in mijn voordracht uiteen dat goed leven uit vijf dimensies bestaat, namelijk: levenskunst, burgerschap, niet-schaden, altruïsme en effectief altruïsme. Lees verder vooral het boekje Filosoferen voor een betere wereld, bevattende mijn volledige lectoraatstrede en een aantal extra’s. 

GEDULD

Van het publiek werd behoorlijk wat geduld gevraagd, want na mijn rede volgde de presentatie van mijn nieuwe boek: het dagboek De vrolijke misantroop. Als intermezzo, op speciaal verzoek van Rob, liet ik een video zien met beelden van naakte mensen in verschillende constellaties, gemaakt met behulp van een drone. Dit vond plaats in de tuin van het Centraal Museum Utrecht en maakte deel uit van het ‘Dronude’-project (naaktfotografie m.b.v. een drone), waar ik als filosoof bij betrokken was en dat draaide om het normaliseren van naakt in de publieke ruimte. Mijn vriend Bart Collard, met wie ik samen de podcast De Vrije Gedachte maakte, interviewde mij over mijn nieuwste boek. Het werd een vrolijk interview. Het eerste exemplaar van het boek overhandigde ik aan mijn vriend Herman Soshu Somsen, kunstenaar en Japanse theemeester. 

Het boekje van mijn lectoraatsrede en mijn dagboek werden achterin de Joep Dohmenzaal verkocht bij de boekentafel van Peter Jansen, eigenaar van boekhandel ‘De vertraagde tijd’. Ik wil graag een boek- en leescultuur promoten. Op dat gebied valt er nog veel te verbeteren, merk ik, niet alleen op de HTF. 

SYMPOSIUM

In de middagpauze werd er een smakelijke en gezonde, volledig veganistische lunch geserveerd, verzorgd door filosoof Danique Luttikhuisen, met soep, wraps, broodjes en salade. Na de pauze gingen de mensen in verschillende workshops zelf aan de slag met toegepaste filosofie. Leuk was dat niet alleen HTF-studenten deelnamen aan de workshops, maar ook deelnemers van buiten. De kersverse HTF-alumna Anne Bogerd filosofeerde met een groep aan de hand van film, Charly Bos deed dat aan de hand van verhalen en hermeneutiek, en Arjo Klamer gebruikte de utopie als werkvorm. Paulien Hilbrink liet deelnemers met een heel aanstekelijke oefening nadenken over hoe je met kinderen kunt filosoferen, en HTF-student Marjon Smit liet zien hoe filosofie onze omgang met ouderen met dementie verbetert - dit is het thema van haar afstudeerproject. Met Paul Teule ging een groep op zoek naar phronèsis in organisaties, en bij Lianne Tijhaar werd de stilte herontdekt. Kortom: een mooi palet aan oefeningen, ervaringen en nieuwe inzichten. Zelf gaf ik twee workshops: ‘Schrijven voor een betere wereld’ en ‘Theaterfilosofie’. Na een ochtend zitten was het goed dat de deelnemers zelf in actie konden komen. Na drie rondes workshops was er een plenaire wrap up, waarbij de deelnemers hun ervaringen met elkaar konden delen. 

Als de wereld is zoals tijdens het symposium op deze dag, dan is die betere wereld er al! 

Hartelijke groeten,

Floris van den Berg

Dat liep anders. De eerste jaren zag niemand van mijn beoogde clientèle mij staan, hoezeer ik mezelf ook met mijn praktisch filosofisch vocabulair profileerde op netwerkborrels. Ik sprak de taal van organisaties - dacht ik - maar zodra ik met een filosofische kijk op de daar besproken kwesties aan kwam zetten, viel het gesprek stil en werd iedereen ongemakkelijk. Inmiddels, 15 jaar later, heb ik veel klanten die graag van mijn praktisch-filosofische diensten gebruik maken, die daar gelukkig van worden en die zeggen dat het ‘echt anders’ is wat ik kan bijdragen.

GEEN WOORD FILOSOFIE

Waarvoor kloppen mensen dan bij mij aan? De werkelijkheid is vele malen banaler dan de mooie filosofische theorieën. Mensen kloppen bij mij als socratisch gespreksleider aan, omdat hun collega of leidinggevende gezegd heeft dat ze beter moeten luisteren en minder snel met adviezen moeten komen. Of omdat ze willen leren betere gesprekken te voeren. Of het nu directeuren, professionals, managers of uitvoerenden zijn die met deze vraag zitten, ze willen allemaal hetzelfde en in hun hulpvraag aan mij zit geen woord filosofie. Echter, wat me steeds weer blijft verbazen en verrukken, is dat ik mijn klanten met zoveel meer naar huis kan laten gaan dan waar ze voor kwamen. Dat gaat vanzelf, omdat praktische filosofie de ander zelf aan het werk zet en zelf de verantwoordelijkheid laat nemen. Daardoor is wat mensen leren veel rijker en zinvoller dan ze vooraf voor mogelijk hadden gehouden. 

PIRATENCLUBJE

Zo had ik laatst een groep auditors die in het kader van hun jaarlijkse scholing kennis wilden maken met het socratisch gesprek. Ik trainde ze in de socratische methode en achteraf was het commentaar: ‘Ik kan me nu al niet meer voorstellen dat ik voorheen genoegen heb genomen met vaagheden in mijn onderzoek.’ Een andere cursist, een senior projectcoördinator, was vastgelopen bij het samenbrengen van grote partijen die met elkaar een ernstig bereikbaarheidsvraagstuk in een bepaalde regio op moesten lossen. Er was heel weinig perspectief op een oplossing, vertelde ze. De regio was afhankelijk van meerdere partijen, die niet de focus op die regio hadden. Deze partijen hadden al vaker met elkaar om de tafel gezeten maar kwamen er niet uit. 

Na een training socratische gespreksvoering besloot de projectcoördinator de eerstvolgende bijeenkomst anders aan te pakken. Ze stelde voor het standaardoverleg los te laten, omdat daarbij opnieuw de reeds bekende meningen weer op tafel zouden komen. Ze besloot het gesprek te beginnen met de volgende vraag: “Wat betekent samenwerken aan bereikbaarheid in een systeem waar iedereen afhankelijk is van elkaar, maar niemand de volledige regie heeft?”

Praktische filosofie kan op heel veel plaatsen verlichten, verbinden, aan het denken zetten en activeren.

Deze aanpak veranderde de stemming. Mensen gingen mét elkaar in plaats van tégen elkaar praten en uiteindelijk kwamen ze unaniem uit op het volgende: “Dit is iets wat we samen willen en moeten doen, los van afzonderlijke belangen. Laten we een piratenclubje oprichten.”

Praktische filosofie kan op heel veel plaatsen verlichten, verbinden, aan het denken zetten en activeren. Maar om als praktisch filosoof je ding te kunnen doen, moet je beginnen bij datgene waar een potentiële klant op dat moment mee worstelt. Achter elke eenvoudige worsteling zit een wereld waar van alles aan verbeterd kan worden. Want zoals Socrates zei: “Het grote huist in het kleine.” Door het kleine op praktisch filosofische manier aan te pakken, komen ook onderliggende patronen en inzichten voor je klant in beeld. 

PRAKTISCH FILOSOFISCHE AANPAK

Een klantenkring opbouwen duurt een aantal jaren. Begin vandaag door nauwkeurig te luisteren naar waar werkenden mee zitten. Waar je ook bent, in de trein, op congressen, op verjaardagen, op netwerkbijeenkomsten. Luister naar de taal, stel vragen in plaats van zelf meteen allerlei suggesties te doen. Laat je potentiële klanten goed verwoorden waar het om gaat. Bijvoorbeeld: “Ik krijg geen vat op wat er speelt” of “Ik moet lastige keuzes maken” of “Ik voel me een speelbal in wat er om me heen gebeurt”. Dit soort vragen zijn allemaal aanknopingspunten voor een praktisch filosofische aanpak. 

Bied hulp aan als je denkt te kunnen helpen en vertel niet meteen hoe je dat filosofisch gaat aanpakken. Geef het vertrouwen door goed te luisteren, door bij de taal van de ander aan te sluiten. En zeg in eerste instantie misschien alleen maar dat jij iets anders biedt voor datgene waar ze last van hebben. Je kunt als praktisch filosoof echt veel mensen verlossen van worstelingen en vaagheden in hun werkzame leven. Maar in dit vakgebied gaat de bekende uitspraak van Johan Cruijff op: “Ze gaan het pas zien, als ze het door hebben.”

Marlou van Paridon heeft een Bureau voor Socratische gesprekstraining en -begeleiding in Amsterdam. Ze publiceerde enkele praktisch filosofische boeken als De zin aan het werk (2011) en Socratisch gesprek voor beginners (2017). 

Ze studeerde af aan de VU met een praktische master Philosophy of Management and Organizations

Voordat ze filosofie ging studeren werkte ze 25 jaar in organisaties en als zelfstandig ondernemer, onder meer als marketing manager, reisjournalist en uitgever.

Tijdens mijn afstudeeropdracht aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie onderzocht ik zo’n vastgelopen situatie binnen de gemeente Den Haag, waar ik werk als manager Control. Van controllers wordt steeds vaker verwacht dat zij adviseren over complexe vraagstukken. Maar ondanks reorganisaties, nieuwe werkwijzen en opleidingen bleef de praktijk opvallend stabiel. Er wordt nog steeds gecontroleerd, gerapporteerd en verantwoord - precies zoals altijd.

FILOSOFISCHE VERANDERINTERVENTIE

Het probleem was niet dat deze professionals hun werk niet goed deden. Het probleem was dat we bleven doen wat - binnen een bepaald denkkader - logisch voelt. En dat kader stelde steeds opnieuw dezelfde vraag centraal: hoe lossen we dit op?

Die vraag werkt prima bij technische vraagstukken. Maar bij wicked problems - vraagstukken waarin waarden botsen, belangen schuiven en uitkomsten onzeker zijn - werkt deze vraag averechts. Hoe harder je probeert grip te krijgen op het probleem, hoe sterker het gevoel ontstaat dat je vastzit.

Dit is precies het soort situatie dat Slavoj Žižek beschrijft wanneer hij stelt dat we vaak blijven handelen binnen een denkkader dat we rationeel allang hebben doorzien, maar praktisch niet weten te verlaten. We weten dat het niet werkt, en toch blijven we het doen.

Mijn beroepsproduct was daarom geen oplossing, maar een filosofische veranderinterventie: het voorstel om het onvermogen om de gewenste transitie te maken niet langer te zien als een tekort, maar als een signaal. Misschien is dit geen probleem dat opgelost moet worden, maar een praktijk die anders begrepen en georganiseerd moet worden. Die verschuiving - van oplossen naar begrijpen - opent ruimte. Niet voor vrijblijvend praten, maar voor een ander soort professionaliteit.

De kern van toegepaste filosofie is: het creëren van ruimte waarin professionals hun eigen praktijk kritisch leren begrijpen, bevragen en vormgeven.

NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT

In mijn afstudeeronderzoek vond ik houvast in het denken over beroepspraktijken, zoals dat is uitgewerkt door Alasdair MacIntyre in het spoor van Aristoteles. In dit perspectief staat werk niet primair in het teken van output of efficiëntie, maar wordt het georganiseerd rond praktijken: samenhangende vormen van menselijk handelen waarin interne waarden, vakmanschap en oordeelsvermogen centraal staan. 

Dit sluit nauw aan bij Donald Schöns idee van normatieve professionaliteit. Adviseren is geen technische handeling, maar een normatieve praktijk. Professionals staan voortdurend voor de vraag wat hier, nu en in deze context het goede is om te doen - en die vraag laat zich niet vooraf dichtregelen. Normatieve professionaliteit vraagt niet om betere tools, maar om het serieus nemen van praktijken en het organiseren van werk op een manier die ruimte laat voor gezamenlijk oordelen, reflectie en traditie. Niet de methode staat centraal, maar praktische wijsheid.

Om te onderzoeken of dit perspectief aansloot bij de dagelijkse praktijk, werkte ik met zestien controllers aan concrete casussen. Niet om tot oplossingen te komen, maar om te verkennen hoe zij hun werk in de praktijk ervaren. Met behulp van kralenspelen onderzochten we waarden, spanningen en impliciete normen, die in het dagelijks werk meestal verborgen blijven. Wat zichtbaar werd, was geen handelingsverlegenheid, maar juist rijkdom. Zodra de druk om te leveren wegviel, ontstond taal voor professionaliteit, verantwoordelijkheid en vakmanschap. Dat was geen toeval, maar een aanwijzing dat het dominante, technische denkkader deze dimensies structureel buiten beeld houdt.

KRITISCH OORDELEN

Toen ik deze inzichten besprak met het managementteam en de financieel directeur, gebruikte ik het beeld van een fabriek: een organisatie die steeds efficiënter produceert wat eigenlijk niet meer nodig is. Dat beeld werd onmiddellijk herkend. ‘We zitten vast in de fabriek,’ zei een collega, ‘als we echt willen adviseren, moeten we eruit. Vanaf dat moment verschoof het gesprek. Niet langer ging het over nieuwe instrumenten of extra vaardigheden, maar over de vraag hoe het werk zelf anders georganiseerd kan worden, zodat professionals hun praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Dat leidde uiteindelijk tot de ontwikkeling van een nieuwe opleiding Adviseren, waarin filosofie geen toevoeging is, maar het vertrekpunt vormt.

In 2026 start deze nieuwe opleiding voor de meest ervaren adviseurs binnen de organisatie. Daarmee wordt een bestaande, sterk technische opleiding vervangen door een leertraject waarin normatieve professionaliteit en praktijkgericht denken centraal staan. Wat er nu hopelijk gebeurt, is dat professionals zichzelf niet langer zien als uitvoerders van oplossingen, maar als deelnemers aan een praktijk waarin kritisch oordelen centraal staat. De filosofische veranderinterventie die ik ontwikkelde, werkt niet door antwoorden te geven, maar door professionals uit te nodigen zelf - en samen - na te denken over wat in hun werk op het spel staat.
Voor mij is dat de kern van toegepaste filosofie: niet het oplossen van wicked problems, maar het creëren van ruimte waarin professionals hun eigen praktijk kritisch leren begrijpen, bevragen en vormgeven.

Marc van der Bilt voltooide 2 september zijn masteropleiding Toegepaste Filosofie aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Voor zijn afstudeeropdracht werkte hij bij de gemeente Den Haag. Daar ontwikkelde hij een filosofische veranderinterventie rond de vraag hoe professionals kunnen omgaan met wicked problems in adviespraktijken.

Het aantal kinderen met jeugdhulp zegt vooral iets over ons denken. Het is de spiegeling van een denken waarin we normaliteit tot norm hebben verheven en verschil behandelen als afwijking. Wat niet past binnen ons ideaal van concentratie, redelijkheid en maakbaarheid, is een probleem dat om een oplossing vraagt.

KEURSLIJF VAN NORMALITEIT

Filosofen beschrijven deze neiging al langer. De één waarschuwt voor een samenleving die alles zichtbaar en beheersbaar wil maken, de ander voor een staat die verschil opoffert aan samenhang en orde. Weer een ander laat zien hoe het gesprek over zin plaatsmaakt voor werken volgens modellen, of hoe onze drang naar controle de ruimte voor echte ontmoeting verkleint. Samen wijzen zij op dezelfde blinde vlek. Waar normaliteit de maat wordt, verdwijnt de ruimte voor wat niet past, maar wel menselijk is. Eén op de zeven maakt duidelijk dat niet het kind moet veranderen, maar het systeem dat ons denken vormgeeft. Het vraagt om reflectie op het fundament van ons denken. Niet de vraag wat er misgaat in gezinnen of bij kinderen staat voorop, maar welke aannames wij hanteren over ontwikkeling, gedrag en normaliteit. 

In het dagelijks leven zie ik hoe ongemerkt het keurslijf van normaliteit werkt. In de klas van mijn jongste dochter worden diagnoses bijna terloops genoemd. Niet met verwondering, niet aarzelend, maar als feitelijke constatering. Het opvallende is niet dat deze kinderen anders zijn, maar hoe normaal het is geworden om verschil zo te benoemen. Diagnoses zijn geen uitzondering meer, maar onderdeel van het alledaagse taalgebruik. Ze markeren met een vreemde vanzelfsprekendheid de grens tussen wat binnen de norm valt en wat hersteld moet worden.

In het dagelijks leven zie ik hoe ongemerkt het keurslijf van normaliteit werkt. In de klas van mijn jongste dochter worden diagnoses bijna terloops genoemd.

ZICHTBAAR, VERKLAARBAAR EN STUURBAAR

Die vanzelfsprekendheid zie ik ook terug in de wijze waarop we onze kinderen meten, volgen, controleren en bijsturen. We leven in een wereld waarin steeds meer zichtbaar is, vaak met de beste bedoelingen. Apps laten zien waar kinderen zijn, hoe ze presteren en hoe ze zich verhouden tot anderen. Dat voelt zorgzaam en verantwoord. Het geeft ouders, scholen en professionals het gevoel dat ze kunnen beschermen en bijsturen.

Maar waar alles zichtbaar en meetbaar wordt, blijft weinig ruimte over om even uit beeld te zijn. Om te zoeken, te twijfelen of fouten te maken zonder dat die meteen worden vastgelegd of beoordeeld. Mijn dochter groeit op in een omgeving waarin zichtbaarheid en vergelijking normaal zijn, en waarin afwijkingen sneller opvallen dan ooit. Niet omdat we hen willen beperken, maar omdat we geloven dat weten en volgen helpt. Zo raken kinderen steeds meer gewend aan het idee dat hun ontwikkeling voortdurend bekeken en beoordeeld wordt. De vijftienjarige ik had eigen geheimen; dat vind ik nu een prettige gedachte.

Wat hier zichtbaar wordt, is geen individuele opvoedkeuze maar een breder systeem, waaruit het lastig ontsnappen is. We leven in een normaal waarin weten gelijkstaat aan zorgen en volgen gelijkstaat aan beschermen. Maar juist daarin schuilt de vraag. Wat gebeurt er met kinderen wanneer normaliteit steeds nauwer wordt gedefinieerd en alles wat daarbuiten valt direct zichtbaar, verklaarbaar en stuurbaar moet zijn? We zien kinderen minder zoals ze zijn, maar meer zoals wij vinden dat ze zouden moeten zijn. Kijk daarom niet eerst naar kinderen, maar naar ons eigen kindbeeld. Het fundament onder ons doen van alle dag.

Hoe we over kinderen denken, bepaalt wat we normaal vinden en wat we vervolgens logisch vinden om te doen.

ONS KINDBEELD

Hoe we over kinderen denken, bepaalt wat we normaal vinden en wat we vervolgens logisch vinden om te doen. Dat kindbeeld is zelden expliciet. We spreken er niet over aan de keukentafel of in beleidsnota’s, maar het stuurt wel ons handelen. Het ligt besloten in de normen die we hanteren op school, in de verwachtingen die we als ouders hebben en in de manier waarop we zorg organiseren.

We zien dat in het dagelijks leven. We vinden het vanzelfsprekend dat kinderen leren plannen, zich concentreren, emoties reguleren en verantwoordelijkheid nemen voor hun gedrag. We prijzen zelfstandigheid, probleemoplossend vermogen en weerbaarheid. Thuis zien kinderen voorbeelden waarbij presteren wordt beloond, op televisie en sociale media. Sporters die goud winnen, YouTubers die miljoenen verdienen en artiesten die stadions aan hun voeten hebben, zijn goed. Zij presteren en zijn de rolmodellen voor kinderen. Dat lijkt neutraal en redelijk, maar dat is het niet. Het zijn uitdrukkingen van een ideaalbeeld. Dat dit beeld leidend is, merken we vooral wanneer kinderen er niet in passen. Er ontstaat ongemak. Gedrag wordt lastig, ontwikkeling zorgelijk, verschil problematisch. We zoeken verklaringen, labels en interventies om het weer passend te maken. Niet omdat kinderen ineens anders zijn geworden, maar omdat wat normaal is steeds sterker stuurt. Voor ieder kind dat niet past in ons ideaal, staat een hulpverlener klaar.

Om te begrijpen wat hier gebeurt, helpt het om ons kindbeeld niet als een vaststaand idee te zien, maar als een spanningsveld. In dat veld bewegen we voortdurend tussen twee uitersten. Het kind als iets wat we volledig kunnen begrijpen en bijsturen, en het kind als iets wat zich aan onze kennis en controle onttrekt. Tussen wat ik in Normaal van Verschil aanduid als ‘het kind als machine’ en ‘het kind als mysterie’. Deze en andere tegenstellingen uit de filosofie maken zichtbaar hoe ons denken over kinderen richting geeft aan ons doen.

MACHINE VERSUS MYSTERIE

Het kind ís geen machine, dat weten we allemaal. Kinderen zijn geen apparaten met knoppen waaraan je kunt draaien, geen systemen die zich voorspelbaar gedragen wanneer je de juiste input geeft. Maar toch is dat een onderliggend beeld dat ons stuurt. Niet omdat we dat expliciet uitspreken, maar omdat dit denken iets aantrekkelijks heeft. Het ‘machine-denken’ geeft houvast in een complexe wereld. Wanneer gedrag lastig is, zoeken we naar verklaringen, wanneer ontwikkeling afwijkt, naar oorzaken, wanneer iets niet werkt, naar interventies. We brengen gedrag in kaart, vergelijken het met wat gebruikelijk is en waar nodig sturen bij met gedragstherapie of Ritalin. Dat doen we op school, in de zorg en steeds vaker ook thuis. Niet uit gemakzucht, maar uit betrokkenheid. Wie wil dat zijn kind vastloopt, wanneer het ook ‘op te lossen’ lijkt? 

De oplossing komt met een prijs. Het besef begint door te dringen dat kinderen zich deels aan onze kennis onttrekken en dat hun ontwikkeling niet volledig planbaar is. Dat onrust, impulsiviteit of terugtrekking niet altijd wat gerepareerd moeten worden, maar soms gedragen moet worden. Door kinderen te benaderen alsof ze machines zijn, verkleinen we de ruimte voor wat niet direct te begrijpen of te sturen is. Het kind verliest zijn geheimen.

Tegenover het kind als machine plaats ik daarom het beeld van het kind als mysterie. Niet als iets romantisch of ongrijpbaars waar we niets mee kunnen, maar als erkenning dat er altijd iets aan een kind is dat zich niet laat vangen in modellen, diagnoses of plannen. Dat vraagt om terughoudendheid en het accepteren van niet alles kunnen weten. En om het besef dat niet alles wat afwijkt, een probleem is. Deze tegenstelling in uitersten tussen machine en mysterie geeft woorden aan een noodzakelijk gesprek. Ze laat zien hoe ons denken richting geeft aan ons doen. Deze tegenstelling is de eerste van meerdere spanningen die bepalen hoe wij naar kinderen kijken, welke normen we hanteren en waarom één op de zeven kinderen uiteindelijk jeugdhulp krijgt.

ANDER SOORT GESPREK

Wanneer we eenmaal zien hoe ons denken over kinderen wordt gestuurd door tegenstellingen - machine en mysterie, object en subject, zin en nut, zijn en proces, heel en gebroken, beschikbaarheid en onbeschikbaarheid - dringt zich een volgende vraag op. Wat doen we met dat inzicht? Het gaat hier niet om het aanreiken van een nieuwe waarheid, instant-oplossing of een beter systeem. De inzet is een andere manier van kijken en spreken, die ruimte maakt voor een fundamenteel gesprek.

De kern is eenvoudig, maar niet gemakkelijk. Verschil is geen afwijking die automatisch om correctie vraagt, maar een gegeven dat om erkenning en gesprek vraagt. Dat betekent niet dat alles kan of niets meer hoeft. Ik pleit niet voor een anti-autoritaire opvoeding zoals we in de jaren ’70 hebben gezien. Het betekent wel dat we onszelf dwingen om niet ieder verschil direct als probleem te lezen. Door de spanningen in ons denken zichtbaar te maken, ontstaat ruimte om vanzelfsprekendheden te bevragen. Waarom vinden we dit gedrag zorgelijk en dat andere acceptabel? Welke norm hanteren we hier en wie of wat valt daarbuiten?

Door deze manier van kijken verschuift het gesprek. Niet langer gaat het alleen over wat werkt, wat effectief is of wat risico’s beperkt, maar over wat recht doet aan kinderen in hun eigenheid. Het nodigt uit tot een taal die niet meteen wil oplossen, maar eerst wil begrijpen. Tot spreken dat onzekerheid niet wegpoetst, maar serieus neemt. In die vertraging ontstaat ruimte voor een ander soort gesprek. Een gesprek waarin ouders, professionals, politici en bestuurders niet tegenover elkaar komen te staan, maar samen onderzoeken hoe hun denken richting geeft aan hun handelen. Niet om het perfecte antwoord te vinden, maar om te voorkomen dat normaliteit ongemerkt verandert in een norm waaraan steeds minder kinderen kunnen voldoen. Het gaat hier niet om minder verantwoordelijkheid voor onze kinderen om veilig en gezond op te groeien, maar om een andere vorm. Een verantwoordelijkheid die begint bij het onder ogen zien van de spanningen in ons denken.

Anders denken over jeugdhulp begint niet bij een oplossing.

ANDERS DENKEN

‘Normaal van Verschil’ krijgt betekenis wanneer het houvast biedt in de praktijk. Anders denken over jeugdhulp begint daarom niet met grote plannen, maar met kleine verschuivingen in het dagelijks doen. Werk je als professional in de jeugdhulp, dan vraagt anders denken vooral om vertraging. Niet meteen van gedrag naar verklaring en van verklaring naar interventie. Eerst de vraag stellen welke norm hier eigenlijk wordt geraakt. Wat noemen we goed functioneren en voor wie? En wat gebeurt er wanneer verschil niet direct wordt opgelost, maar eerst wordt erkend en volgehouden, zonder het bij te sturen naar ons ideaalbeeld? Soms is professionaliteit niet sneller handelen, maar zorgvuldiger kijken.

Zit je in de gemeenteraad en is er opnieuw meer geld nodig voor de jeugdhulp, dan begint anders denken bij het verbreden van het debat. Niet alleen de  vraag naar kosten en beheersing, maar ook het durven bevragen van de sturende aannames in het beleid. Waar bevestigen we normaliteit in regelgeving, inkoop en preventielogica? En wat gebeurt er wanneer we vooral beter worden in het signaleren van afwijking, zonder het systeem zelf te heroverwegen? Financiële sturing zonder normkritiek leidt vaak tot herhaling en verdieping van hetgeen we proberen op te lossen.

Ben je bestuurder in de jeugdhulp en loop je vast in weer een hervormingsagenda of reorganisatie, dan vraagt anders denken om terughoudendheid. Niet automatisch zoeken naar het volgende systeem, maar met de organisatie onderzoeken welke tegenstellingen het dagelijks handelen sturen. Wanneer behandelen we kinderen als maakbaar en wanneer laten we ruimte voor wat zich niet laat plannen? Welke modellen helpen en wanneer verdringen ze de werkelijkheid? Minder sturen op het perfecte plan en meer op het gesprek dat normerend werkt. Hoe houden we verschil open, zonder hulp te ontkennen en zonder elk verschil tot hulpvraag te maken?

Anders denken over jeugdhulp begint niet bij een oplossing. Gebruik het moment waarop je bijna automatisch doet wat normaal is en toch besluit even anders te kijken.

  1. Dit artikel is gebaseerd op het boek Normaal van verschil, uitgegeven door De Bestuursfilosoof. Bestel het boek op www.bestuursfilosoof.nl/normaal-van-verschil

Gijsbrecht Sies MA MSc is bestuursfilosoof en architect van maatschappelijke verandering. Vanuit zijn achtergrond in bestuurskunde, politicologie, filosofie en het onderwijs verbindt hij denken en doen. Hij denkt met organisaties over morgen en helpt bestuurders en professionals het vanzelfsprekende te bevragen. Niet door meer regels te maken, maar door opnieuw te leren zien wat goed is om te doen, juist waar vastgeroeste overtuigingen om tegenspraak vragen.

© HTF Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) B.V. 2026
Webdesign: SaffrieDesign
cross
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram