info@hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl
+31(0)85 8769712
Contact

“Heliorechtvaardigheid gaat over de vragen: wie profiteert van de zon en wie betaalt de prijs? De ene welgestelde groep met ruime koophuizen kan zonnepanelen plaatsen. De opbrengsten vloeien naar de bewoners zelf; de salderingsregeling garandeert een gunstige verrekening. Voor huurders in dichtbebouwde woonwijken zijn die mogelijkheden er nauwelijks. Zonder zeggenschap over hun dak missen ze de kans om de zon te ‘oogsten’. Zij zien hun energierekening stijgen, terwijl ze in de zomer meer dan gemiddeld last hebben van hittestress. De toegang tot zonlicht en schaduw: de nieuwe klassenkwestie.”

Geen schaamte of liefde

Aan het woord is, jawel, ChatGPT. Ik stelde meerdere chatbots - waaronder ook Claude en Le Chat - de vraag of ze op basis van het nieuws van de afgelopen maanden met een nieuw filosofisch concept konden komen. Alleen ChatGPT kwam met een interessante suggestie. En passant kwam het ook nog met de term ‘schaduwarmoede’ en ‘helioproletariaat’. John Rawls, zo gaf de chatbot aan, zou wellicht pleiten voor een ‘solar difference principle’: ongelijkheden in zonne-opbrengsten zijn slechts gerechtvaardigd als ze ook de minst bedeelden ten goede komen. En wellicht zouden Amartya Sen en Martha Nussbaum toegang tot zonlicht en schaduw moeten opnemen in hun lijst met capabilities.

Het is duidelijk dat generatieve AI, zoals ChatGPT, Gemini en CoPilot, voor steeds meer taken - en voorheen menselijke rollen - wordt ingezet. Dat gaat vaak mis: als klankbord voor kwetsbare mensen wil AI bijvoorbeeld nog wel eens eenzaamheid en zelftwijfel versterken, of aanzetten tot dubieuze daden. Chatbots hebben geen moreel kompas, geen doorleefde waarden en normen, en nemen ze geen verantwoordelijkheid. AI simuleert empathie, maar voelt geen solidariteit, schaamte of liefde.

Filosofische verheldering 

Kan een chatbot dan wel filosoferen? Taalmodellen begrijpen taal niet zoals mensen dat doen. Ze voorspellen woorden op basis van patronen, zonder bewustzijn, intentie of ervaringswereld. ChatGPT en consorten hullen hun ‘inzichten’ in kunstmatige, sociaal wenselijke beeldspraak en vaak flets aandoende argumentaties. Dit zeggen niet alleen critici, maar zegt ook, als je ernaar vraagt, ChatGPT zelf. 

Bij de HTF kijken we natuurlijk met argusogen naar generatieve AI. AI biedt veel kansen als sparringpartner en zoekmachine. Maar om het te gebruiken moet je, zeker als toegepast filosoof, wel over een zelfstandig en ontwikkeld beoordelingsvermogen beschikken. Toegepaste filosofie is onderzoeken hoe ideeën, begrippen en praktijken in elkaar zitten, en hoe ze doorwerken in de prakijk. Daarvoor moet je een antenne ontwikkelen die tijdens het lezen van teksten en het ‘lezen’ van mensen en situaties voortdurend ‘aan’ staat. Die antenne zit in je, die moet je zelf ontwikkelen en kun je niet uitbesteden. 

Ook de vaardigheid om in de (beroeps)praktijk met mensen gezamenlijk filosofisch onderzoek te doen, kun je niet overlaten aan een chatbot. Je neemt jezelf en je filosofische vaardigheden mee naar een gesprek, geen chatbot. Echte richtinggevende ideeën komen voort uit menselijke interactie, waarbij op basis van persoonlijke ervaringen gestructureerd wordt gereflecteerd, onder leiding van een toegepast filosoof die er al vele vlieguren op heeft zitten. Wij denken dat taalmodellen het beroep van toegepast filosoof in feite nóg relevanter maakt, zeker wanneer de rol van AI in tal van organisaties om filosofische verheldering en morele heroriëntatie vraagt.

Onrecht zichtbaar maken

En toch. ChatGPT munt binnen vijf seconden een nieuwe filosofische term, wat toch vrij creatief is. Je bent een filosoof, zo stellen Gilles Deleuze en Félix Guattari in Qu’est-ce que la philosophie (1991), als het je lukt om nieuwe concepten te ‘vormen’, ‘uit te vinden’ en te ‘fabriceren’. 

‘Heliorechtvaardigheid’ is ook méér dan zomaar een term, omdat deze raakt aan de morele, sociale en politieke verhoudingen die schuilgaan achter iets wat we gewoonlijk als neutraal en vanzelfsprekend beschouwen. Wie ‘heliorechtvaardigheid’ zegt, maakt zichtbaar dat zelfs de zon - dat ogenschijnlijk universele, democratische goed - ongelijk verdeeld raakt binnen de infrastructuren van macht, bezit en technologie. Daarmee wordt het begrip een lens, een denkgereedschap, waarmee we bestaande structuren kunnen bevragen. Of ChatGPT daarmee filosofeert, is de vraag: de chatbot reproduceert slechts ideeën uit bestaande teksten. Maar de mens die zo’n term oppakt, doordenkt en inzet om onrecht zichtbaar te maken, die filosofeert. 

Het denken begint niet bij het genereren van woorden, maar bij het doorzien van wat ze betekenen. 

Was getekend, ChatGPT.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

Veel kinderfilosofen beschouwen Twintig denkgereedschappen van de Australische filosoof Philip Cam als een van hun standaardwerken. Een van Cams beginnersoefeningen is wat ik voor het gemak maar even het ‘doordenkdartbord’ noem, dat je met een groep van vijf tot vijftien deelnemers gaat vullen. Het interessante is dat deze oefening zich leent voor elke groep, binnen en buiten het onderwijs, voor jong en oud, overheid en bedrijfsleven, junior medewerkers en directiekamer. Je kunt de moeilijkheidsgraad makkelijk bijstellen. Neem er minimaal een uur de tijd voor.
Belangrijk: stuur als gespreksleider niet op de inhoud.

1. Je neemt een (school)bord of flap en tekent daarop de onderstaande figuur met een witte binnencirkel (het doelwit), met daarin het concept dat je wilt onderzoeken - bijvoorbeeld ‘integer’. Daaromheen schets (en arceer) je een (grijze) tussencirkel voor de twijfelgevallen en daar weer omheen een witte buitenrand voor situaties die zeker niet als integer te kwalificeren zijn. Zorg dat je veel ruimte hebt voor post-its. 

2. Vraag de groep - bijvoorbeeld een groep gemeenteambtenaren - om met concrete voorbeelden te komen van integer handelen, uit de eigen werkpraktijk. Voorbeelden uit een (mede)overheid, vernomen uit de media, mogen ook. Noteer deze op post-its en plak deze op het doelwit. Vraag de deelnemers vervolgens om praktijkvoorbeelden te geven die zonder twijfel als niet-integer handelen moeten worden bestempeld en plaats deze in de buitencirkel.  Vraag daarna om een aantal twijfelgevallen. Als gespreksleider moet je zelf inschatten of er genoeg materiaal verzameld is of dat de deelnemers het aandragen van voorbeelden nog (te) leuk vinden. 

3. Nu ga je de criteria onderzoeken. Ga de aangereikte voorbeelden langs en vraag de deelnemers of deze goed zijn ingedeeld. Bepaal steeds samen wat het criterium is. Onpartijdigheid, objectiviteit, betrouwbaarheid, transparantie, rolvastheid, innerlijk kompas - van alles zal de revue passeren. In deze fase kun je ook post-its verplaatsen, als daar een criterium voor is. Een deelnemer vindt bijvoorbeeld dat een ambtenaar die lekt naar de media alsnog integer kan zijn, als daarmee het algemeen belang wordt gediend of omdat zij vindt dat de eed die ze heeft afgelegd, haar daartoe verplicht. Een ander vindt dat een Haagse wethouder die een horecavergunning aan een campagnedonateur gaf, maar vrijgesproken is door de rechter, toch een twijfelgeval is. In deze fase mogen deelnemers ook tegenvoorbeeld aandragen als deze hen te binnen schieten. 

4. Wanneer de voorbeelden hun (uiteindelijke) plek hebben gevonden en de lijst met criteria ook compleet lijkt te zijn, kun je deze verder onderzoeken. Zo kun je voor elk criterium bepalen of dit: (1) noodzakelijk is voor integer handelen, maar misschien niet voldoende, of (2) voldoende is, maar niet per se noodzakelijk. Je zou ook nog derde categorie kunnen verzinnen van criteria waar veel, maar niet per se alle voorbeelden aan lijken te voldoen. Nog een moeilijkheidsgraad hoger: vormen de criteria een norm waar een voorbeeld wel of niet aan voldoet? Of een spectrum waar je een relatieve score op noteert? Kun je, om een gevleugelde uitspraak van een oud-minister aan te halen, niet ‘een beetje’ integer zijn, zoals je ook niet een beetje zwanger kunt zijn? Wat hier precies uit komt, is ongewis, maar dat betekent niet dat deze verdiepende discussie geen opbrengst heeft. 

5. Na een koffiepauze of sanitaire stop, om weer even op adem te komem en de eigen gedachten te ordenen, kun je als gespreksleider afronden met een open vraag: wat neem je mee uit dit onderzoek? In hoeverre ben je anders tegen integriteit aan gaan kijken? Welke nieuwe vragen blijven hangen? Hoe kijk je nu naar je eigen professionele handelen? Probeer hier ook zelf lessen uit te trekken: hoe heb je dit onderzoek begeleid?

Verder lezen:
Philip Cam. (2020). Twintig denkgereedschappen. Uitgeverij Levendig. 
Nanda van Bodegraven. (2022). ‘Grensgevallen’, in Jos Kessels et al. Hoog spel. ISVW uitgevers, pp. 300-303.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

Toen we aan het eind van de tour vragen mochten stellen, vroegen we waarom recentelijk een aantal televisiezenders en kranten waren gesloten, waar je oppositiegeluiden kon horen. De ambassademan had zijn antwoord snel klaar. Er was in Rusland geen probleem met de persvrijheid, beweerde hij. De gesloten nieuwskanalen waren van bedrijven die hun belasting niet hadden betaald. Een onafhankelijke rechter had geoordeeld en voor hun faillissement getekend. Daar had de regering van Poetin niets mee te maken.

Ik kan me het gevoel van verbijstering nog goed herinneren. Hier klopt niets van, wist ik meteen. Maar ik wist ook niet wat ik moest antwoorden. En ik was niet de enige; ook mijn medestudenten waren sprakeloos. Wat voor een respons wij van de vertegenwoordiger van het regime van de jonge president Poetin wél hadden verwacht, weet ik niet meer, maar in ieder geval niet deze brute ontkenning van de werkelijkheid. De kwestie was kundig uit de weg geruimd. Het was tijd voor de volgende vraag. Beleefd ging het vragenrondje verder. 

Achteraf weet je vaak precies wat je had moeten zeggen. En ook in dit geval heb ik in gedachten de ambassademan regelmatig een snedig antwoord gegeven. Toch was ons zwijgen misschien wel de juiste reactie. Zijn leugen was immers geen vorm van rationele dialoog, maar een afleidingsmanoeuvre. Ook als we er serieus op in waren gegaan, had dat weinig uitgehaald.  

Zulke kwesties speelden al in het klassieke Athene. In de dialogen van Plato waren de trollen nog niet anoniem, maar luisterden ze naar namen als Callicles en Thrasymachus, en verkondigden zij het standpunt dat alle dialoog slechts een machtsspel was. Het enige waar debat en dialoog goed voor zijn, is anderen overtuigen van je gelijk. Iedere aanspraak op waarheid of rechtvaardigheid is niets meer dan een verkapte machtsgreep. 

Dit werkte op Socrates als een rode lap op een stier. In de dialoog Gorgias probeerde hij Callicles te overtuigen met rationele argumenten. Callicles raakte geïrriteerd door Socrates hoogdravendheid en reageerde steeds bitser, met korte zinnetjes als ‘dat mag jij vinden.’ Socrates had misschien de betere argumenten, maar daar had hij weinig aan omdat Callicles geen zin had om ernaar te luisteren.   

In Ethics and the limits of Philosophy vraagt Bernard Williams zich af waarom je überhaupt moeite zou doen om een morele nihilist als Callicles te overtuigen. Hij laat zich toch niet overtuigen, omdat hij niet gelooft in rationeel discours. Volgens Willams moet je amorele figuren niet met rationele, filosofische argumenten tegemoet treden, maar politiek op hen reageren, bijvoorbeeld door voor hen de toegang tot het publieke debat moeilijk te maken. Ik vind het een interessante gedachtegang. Tegelijkertijd gun ik ook iedereen af toe een ontmoeting met een Callicles. Door de leugens van de ambassademan werd ik hard met de politieke realiteit geconfronteerd. En de morele afgrond waar je dan in kijkt, daagt je uit om na te denken over wat je echt vindt en dat beter te formuleren. Net zoals Socrates ideeën heeft ontwikkeld in reactie op de trollen uit de klassieke filosofie.

Sake van der Wall (1979) studeerde taalfilosofie, literatuurwetenschap en journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft sinds 2010 voor De Speld en doceert filosofie aan een middelbare school. Tevens is hij als docent cultuur en media verbonden aan de Hogeschool voor Toegepaste filosofie.

Niet veel later in de film is de gevel van een ander huis in beeld. In het verhaal zijn we een paar jaar terug in de tijd gesprongen. Agnes studeert nog en belt aan bij het huis van haar docent om haar thesis te bespreken. De camera blijft buiten. De zon gaat onder, de lichten in het huis gaan aan. Minutenlang blijft het huis in beeld, we zien de verlichte ramen, maar geen silhouetten. De lucht wordt steeds donkerder, mensen lopen langs, uren verstrijken. Totdat plotseling de deur opengaat. Agnes strompelt naar buiten, de docent staat in de deur. Thuis vertelt Agnes aan Lily wat er gebeurd is daarbinnen. Zij luistert zonder te onderbreken en zegt dan: “It was it, you know. That sounds like, that. That is... That’s the thing.”

The bad thing

Hoe praat je over een traumatische gebeurtenis? En hoe maak je een film erover? Regisseur Eva Victor - die ook de hoofdpersoon Agnes speelt - maakt een aantal eigenzinnige keuzes om een verhaal over trauma te vertellen. Het is een fragmentarische film die heen en weer springt in de tijd, en waarbij de nadruk ligt op de jaren erna. Opvallend is de lichte en zachte toon; zelfs van pijnlijke momenten weet Victor grappige scènes te maken. 

“When was the sexual attack?” en “Did he ejaculate in you?” vraagt de arts aan Agnes voorafgaand aan het medisch onderzoek. Lily die haar vergezelt, grijpt in: “We don’t like your tone.” Ook als kijker voel je een slag in je gezicht bij die woorden. De specifieke woorden van de arts staan in schril contrast met de woorden die Agnes gebruikt. Zij heeft het over ‘the thing that happened to me’ of kortweg ‘the bad thing’. Vage woorden, dacht ik als kijker. Maar zijn ze wel zo vaag? Welke woorden doen recht aan wat er is gebeurd? 

In Verdwijnpunt (2020) schrijft Wytske Versteeg op literair-filosofische wijze over trauma. Daarin doet ze ook verslag van de zoektocht naar woorden als de taal verdwenen lijkt. Ze vertelt dat ze kiest voor woorden als ‘wat er was gebeurd’. Die woordkeuze heeft het voordeel dat ze niet hoeft na te denken over een dader en ‘vooral niet over mezelf als slachtoffer’. Versteeg beschrijft wat het met haar doet als ze bepaalde woorden gebruikt. Een constructie die bijvoorbeeld begint met ‘ik ben’ is problematisch: “Zodra ik een naam geef aan wat er is gebeurd, is er iets blijvends mis. Ik ben plus een passief werkwoord - misbruikt, aangerand - benadrukt dat er een kracht in mijn wezen is binnengedrongen en dat ik daarbij passief ben gebleven.”

Woorden doen ertoe

De taal die je gebruikt, heeft invloed op je denken - dat weten praktisch filosofen als geen ander. Woorden doen ertoe. Een praktisch filosoof staat daarom stil bij de woorden die iemand gebruikt. 

De film Sorry, Baby laat je als kijker voelen wat het effect van woorden is. De formulering ‘sexual attack’ van de arts verwijst naar een dader, impliceert een verwijzing naar het strafrecht en kan Agnes tot slachtoffer reduceren. Agnes zelf heeft het over ‘the bad thing’ en die woorden hebben een ander effect. Ze erkennen dat er iets naars is gebeurd. Ze houden ruimte open voor het onzegbare dat gepaard gaat met trauma. Als kijker ervaar je dat deze woorden wél recht doen aan Agnes’ ervaring.

Recht doen

“We understand you. We are women,” zeggen twee personeelsleden van de universiteit. Ze maken duidelijk dat ze niets met Agnes’ melding kunnen doen. De docent heeft ontslag genomen vlak voordat de melding binnenkwam en daarmee ligt de verantwoordelijkheid niet meer bij hen.

Regisseur Victor vertelt in een interview in NRC Handelsblad: “Ik wilde een film maken over wat voelde als verloren jaren, over die periode waarin iedereen wegkijkt en je zelf je leven weer in elkaar moet puzzelen.” Wegkijken is makkelijker als je je kunt verschuilen achter juridische taal of als je benadrukt dat je het helemaal begrijpt. Sorry, Baby laat in de hartverwarmende vriendschap tussen Agnes en Lily zien wat het tegenovergestelde van wegkijken is, welke rol taal daarbij speelt en dat woorden als ‘the bad thing’ recht doen aan Agnes’ ervaring. En vooral: de film toont dat deze woorden de mogelijkheid scheppen om er überhaupt over te spreken.  

Carolien van Welij is filosoof en neerlandicus. Ze is redacteur van Phronèsis en docent aan de HTF. In 2023 verscheen haar boek Wat denken doet. Als filosofie je leven verandert (ISVW Uitgevers). Carolien staat voor doorleefde filosofie. Ze geeft cursussen, lezingen en individuele trajecten, waarin deelnemers filosofische thema’s en methodes toepassen op eigen vraagstukken. www.carolienvanwelij.nl

In ons werk zien wij dat bestuurders en toezichthouders een spanningsveld ervaren, dat doorgaans wordt begrepen als het verschil tussen de leefwereld en systeemwereld. Het lijkt erop dat de logica die inherent is aan de praktijk van zorg, de sociale context waarin de actoren uit deze leefwereld hun samenhangende activiteiten hebben, regelmatig in conflict is met de logica die zich richt op de praktijk van het organiseren en besturen van een zorgorganisatie.

Waarheid als ‘onverborgenheid’

Alhoewel houvast ontleend kan worden aan duiding in de vorm van het onderscheid tussen leefwereld en systeemwereld, dekt het volgens ons niet volledig de lading van wat er werkelijk aan de hand is. Er ontbreekt een meer omvattende duiding van dit onderscheid en de spanning die het oplevert. Dit probleem hebben wij benaderd vanuit een filosofisch perspectief, met het idee om een werkwijze te ontwikkelen die bestuurders kan ondersteunen om op andere manieren met vraagstukken en problemen om te gaan. Volgens ons is het mogelijk om aanwezige intuïties, zoals het gevoel iets ongrijpbaars over het hoofd te zien en het verlangen daar toch naar te kunnen handelen, verder te duiden en uit te werken. Met als doel om op deze wijze een rijker perspectief op de werkelijkheid te ontwikkelen.

De ervaren spanning is volgens ons een meer dan organisatorisch of beleidsmatig vraagstuk; we verbinden dit aan een fundamentele filosofische kwestie over de wijze waarop de werkelijkheid zich aan ons toont en wat daarin al dan niet zichtbaar wordt. Het denken van de filosoof Heidegger helpt ons daarbij. In verband met de vraag hoe de werkelijkheid zich aan ons toont, begint Heidegger bij de notie ‘waarheid’. Hij stelt dat waarheid niet primair moet worden opgevat als een overeenkomst tussen uitspraak en feit, zoals we dat normaal gesproken begrijpen, maar hij grijpt in zijn begrip van waarheid terug op het oud-Griekse idee van aletheia, dat zich laat vertalen als ‘onverborgenheid’. In deze visie is waarheid een dynamisch proces, waarin aspecten van de werkelijkheid zich ontsluiten. Dit wordt door Heidegger ‘ont-bergen’ genoemd, terwijl tegelijkertijd andere aspecten verborgen blijven. In elke onthulling gaat tegelijk ook onherroepelijk weer een verhulling schuil. 

Onthullen en verhullen

Wanneer we Heidegger toepassen op de bestuurspraktijk, kunnen we stellen dat het dominante systeemdenken, met nadruk op beheersing en verantwoording, slechts één element van de werkelijkheid zichtbaar maakt, namelijk ‘bruikbare’ aspecten zoals cijfers en indicatoren. Wat veel zorgprofessionals juist als wezenlijk ervaren aan de zorg blijft buiten beeld. Heidegger zou dit het effect van het ‘Ge-stel’ noemen: een alles doordringende wijze van onthullen waarin de werkelijkheid uitsluitend verschijnt als ‘Bestand’, als een voorraad van middelen die beschikbaar en beheersbaar moeten zijn.

Filosofische reflectie legt de nadruk op het verhelderen van datgene wat in ons waarnemen en denken verborgen blijft.

De systeemwereld, als uitdrukking van het ‘Ge-stel’, dwingt bestuurders tot een manier van waarnemen en oordelen die het onzichtbare, relationele, morele, spirituele en transcendente domein systematisch buiten beeld laat. Wat Heidegger scherp zichtbaar maakt, is dat dit niet slechts een praktisch probleem is, maar ook een ontologische kwestie: de werkelijkheid toont zich slechts in beperkte vorm. Er is een ‘verhulling’ gaande, die leidt tot verarming van het handelen. In deze ‘Gestel-houding’ toont de werkelijkheid zich slechts voor zover zij functioneel ingezet kan worden binnen een bestaande structuur. Zorg wordt primair zichtbaar als een te managen systeem: patiënten worden cliënten, tijd wordt efficiëntie en kwaliteit wordt gereduceerd tot criteria. Wat zich buiten deze logica bevindt, blijft verhuld. Dit is de kern van Heideggers idee dat elke manier van onthullen altijd gepaard gaat met een vorm van verhullen. 

Betekenisvolle gebeurtenis

We hebben een proces van filosofische reflectie ontwikkeld als een praktische wijze om het onzichtbare van de werkelijkheid te onthullen. Filosofische reflectie legt volgens ons de nadruk op het verhelderen van datgene wat in ons waarnemen en denken verborgen blijft. We begrijpen dit als een manier van denken en ervaren waarin de werkelijkheid opnieuw aan ons verschijnt; niet als bruikbaar object, maar als betekenisvolle gebeurtenis. Verbetering van het handelen is weliswaar een waardevolle uitkomst, maar is niet het primaire doel van de reflectie zelf.

Het beroepsproduct dat wij ontwikkeld hebben, faciliteert het opdoen van inzichten op basis van het ‘ont-bergen’ en begeleidt de doorwerking ervan in de bestuurspraktijk. Dit start met het lezen door bestuurders van een door ons geschreven filosofische tekst (een eerste doorwerking), gevolgd door een dialoog over de betekenis daarvan voor de eigen praktijk (het begin van ‘ont-bergen’). De opvolging is steeds maatwerk en vindt plaats op individueel niveau of in teams, bijvoorbeeld (ook) met een raad van toezicht of een managementteam. De werkvormen bevatten steeds elementen van poëzie en/of kunst om tot een rijkere ervaring van de werkelijkheid te komen. 

De eerste uitvoeringen van dit proces zijn goed ontvangen. Het is ons doel deze werkwijze als een cyclisch product door te ontwikkelen om zo bij te dragen aan een rijkere ervaring van de werkelijkheid van zorg, waarmee het bestuurlijk handelen stevig geworteld raakt in de wezenlijke betekenis van de zorg.

Jurgen Vos werkt als Principal adviseur bij Q-Consult Zorg, waar hij zich inzet om de zorg telkens iets te verbeteren. In zijn huidige werk brengt hij de bedrijfskundige invalshoek samen met de psychologische, aangevuld met oog voor de groepsdynamiek.

Hans Leune is ethicus bij de gehandicaptenzorgorganisatie Cello, en is afgestudeerd aan de HTF als Toegepast Filosoof.

Gideon is slechts een van de Nederlandse en Vlaamse morosofen die zijn verzameld in Morosofie, het tweede deel van De Encyclopedie van de Domheid. Auteur en ‘domgeer’ Matthijs van Boxsel, die recentelijker het boek Het carnaval van het zijn schreef, is al meer dan 25 jaar expert in de morosofen: denkers die algemeen aanvaarde onderzoeksmethodes omhelzen om hun eigen bizarre ficties mee te funderen.

Bizarriteiten
De gehavende, kritische lezer van 2025 kan het misschien niet weerstaan om, in het begin, de ideeën van de morosoof te vergelijken met die van een hedendaagse complotdenker. Morosofie schetst dan ook voorbeelden die de gemiddelde complotkenner bekend voorkomen: dat de aarde plat zou zijn (Klaas Dijkstra) of dat de mens afstamt van buitenaardse wezens (A.W. Mas van Poelje). Hoe kan men, in deze tijd van technologie en wetenschap, in zulke bizarriteiten geloven?

Dit geeft precies aan waar de morosoof en de complotdenker van elkaar verschillen. Waar de complotdenker de moderne wetenschap minacht en wantrouwt, gaat de morosoof vaak de wetenschap voorbij - of zoals Van Boxsel het zelf uitdrukt: “De morosofen verkennen gebieden die aan de kaarten van de wetenschap ontsnappen. Hun werken gunnen ons een blik op een universum dat parallel loopt aan de officieel erkende wereld.” Het zijn academische fantasten die hun waanbeelden stellig verdedigen en die hun excentriciteiten als verlichte ingevingen beschouwen. Newton en Galilei waren ook eerst gekken.

Amateur-complotkenner
Dat betekent niet dat de morosoof een onveranderlijk archetype is, of dat zijn domheid altijd onschuldig is. De een hoopt met zijn uitvinding een einde te maken aan oppressie en fascisme, de ander bepleit de ondergeschiktheid van vrouwen en de superioriteit van het witte ras. Net als mainstream-academici zijn alle morosofen niet over één kam te scheren. Morosofie is dan ook geen boek met een filosofische stelling - het is een naslagwerk, een onderdeel van een ondertussen uitgebreid oeuvre over domheid.

In de inleiding beschrijft Van Boxsel wat hij voelde toen hij Waar eens Troje stond van Iman Wilkens las: “Een sensatie [...] die maar weinig romans kunnen bewerkstelligen.” Als amateur-complotkenner wekte dit een ongekende wens in mij op: om mijzelf te kunnen verliezen in het werk van een denker die hoopt mij te kunnen overtuigen van zijn fantasieën. En onderliggend aan deze wens vond ik een dieper verlangen, namelijk: om mij te laten overtuigen, al is het maar voor even.

  1. Morosofen zijn niet uitsluitend mannen. Het weliswaar incomplete overzicht in De Encyclopedie van de Domheid telt vier vrouwen. Van Boxsel verklaarde dit toentertijd door te stellen dat vrouwen zich vaker ‘verliezen in spiritisme, tongentaal of mystiek.’

Isa Wissink (2000) studeerde filosofie aan Tilburg University. Ze schreef haar scriptie over Hannah Arendts theorie van fictieve werelden, en hun rol in de opkomst van het fascisme. Wissink is opgeleid tot filosofiedocent aan de Radboud Universiteit en is redactielid van het filosofische vakblad Phronèsis.

Van films leer je van alles, bijvoorbeeld hoe mensen reageren in diverse, tot dan toe onbekende situaties. Films draaien vaak om grote levensvragen. Neem nu de vraag: “Hoe moet ik leven?” Dergelijke grote vragen behoren traditioneel tot het domein van de filosofie. Filosofen doen vaak lang en moeilijk over het vinden van een mogelijk antwoord. Films zijn daarentegen snel en aansprekend, en geven ook antwoord op levensvragen. Dat wordt des te duidelijker door film en filosofie op elkaar te laten reageren: dan blijkt dat eigentijdse filmvertellingen tijdloze waarheden onderzoeken. 

Moreel laboratorium
Ik kreeg de kans om mijn fascinatie voor film, filosofie en ethiek te vertalen naar een concreet project: het samenstellen en schrijven van het boek Denken in het donker met Yorgos Lanthimos, een filosofische essaybundel waarin vier auteurs het werk van de Griekse filmmaker Yorgos Lanthimos onder de loep nemen. Het project was voor mij niet alleen een academische opdracht, maar vooral ook een zoektocht naar de toegepaste waarde van filosofie in een wereld vol verhalen, beelden en morele vragen. Films zijn méér dan entertainment. Ze zijn een spiegel, een oefening in inleven, en soms zelfs een moreel laboratorium waarin we als kijkers geconfronteerd worden met fundamentele vragen.

Tijdens mijn onderzoek stelde ik mezelf de vraag: wat kan film betekenen voor filosofie en ethiek, en andersom? Ik verdiepte me in de ontologische en ethische aard van film aan de hand van twee denkers die voor mij richtinggevend zijn geweest: Stanley Cavell en Robert Sinnerbrink. Cavell beschouwt film als een vorm van sceptisch zelfonderzoek: een medium dat ons niet alleen iets laat zien, maar ons ook bevraagt. Sinnerbrink benadrukt juist hoe film niet alleen appelleert aan ons denken, maar ook aan ons voelen: we ervaren morele dilemma’s via de emotionele reis van de personages. Deze filosofische kaders vormden het fundament van het boek dat ik vervolgens mocht samenstellen.

Krachtig filosofisch instrument
In Denken in het donker met Yorgos Lanthimos worden vier van zijn films door verschillende auteurs filosofisch ontrafeld. Lanthimos’ werk staat bekend om zijn vervreemdende, absurdistische toon. Zijn verhalen spelen zich af in werelden die net niet de onze zijn, maar juist daardoor des te beter laten zien waar het schuurt. Hij stelt vragen over macht, moraal, liefde, autonomie en identiteit: vragen die rechtstreeks raken aan de kern van wat het betekent om mens te zijn. Door deze films te analyseren aan de hand van filosofische concepten, merkte ik hoe krachtig de combinatie van beeld en denken kan zijn.

Wat mij tijdens dit project het meest raakte, is hoe film als medium in staat is om ethische kwesties voelbaar te maken. Filosofie stelt ons de vraag: “Hoe moet ik leven?” en film laat ons ervaren wat er op het spel staat bij het beantwoorden van die vraag. We leven in een wereld waarin we voortdurend keuzes moeten maken, balancerend tussen persoonlijke vrijheid, verantwoordelijkheid en sociale normen. Film helpt ons om deze abstracte kwesties concreet te doorvoelen, en dat maakt het tot een krachtig filosofisch instrument.

Juist nu hebben we behoefte aan plekken waar ruimte is voor nuance, twijfel en reflectie. Film kan zo’n plek zijn.

Nieuwe manieren van denken
Het boek is inmiddels opgenomen in de bestaande reeks Denken in het donker van ISVW Uitgevers en is daar met veel enthousiasme ontvangen. Maar voor mij eindigt het project daar niet. Ik zie het als mijn missie om het boek verder onder de aandacht te brengen: bij lezers, filmkijkers, docenten, studenten en iedereen die bereid is om met andere ogen naar verhalen te kijken. Want ik geloof dat iedereen iets kan leren van film, juist wanneer we het medium film serieus nemen als filosofisch materiaal.

De maatschappelijke relevantie van dit alles kan volgens mij niet worden overschat. We leven in een tijd van snelle meningen, politieke verdeeldheid en technologische versnelling. Juist nu hebben we behoefte aan plekken waar ruimte is voor nuance, twijfel en reflectie. Film kan zo’n plek zijn. En filosofie biedt het gereedschap om wat we zien en voelen ook werkelijk te begrijpen. Door film en filosofie met elkaar te verweven, ontstaan nieuwe manieren van denken, voelen en spreken over ons bestaan. ‘Denken in het donker’ betekent voor mij: kijken naar wat ongemakkelijk is, luisteren naar wat niet meteen gezegd wordt, en bereid zijn om opnieuw na te denken over dat wat we dachten te weten. Film is daarbij een hulpmiddel.

Anne-Mathije Bogerd, HTF-alumna en auteur essaybundel over filosofie en film

Anne-Mathije Bogerd is filosoof, spreker, schrijver en moderator, en werkt daarnaast als actieonderzoeker in het sociale domein. In haar vrije tijd schrijft zij over de filosofie van het alledaagse en probeert ze filosofie zo toegankelijk mogelijk te maken voor een breed publiek. Ze werkt vanuit haar eigen onderneming ‘Filosoof Anne-Mathije’. 

Het ontwikkelen van burgerschapsonderwijs is een rode draad geweest in mijn studiejaren aan de HTF. In mijn tweede jaar kwam ik in aanraking met het probleem dat ‘burgerschapsonderwijs’ heet en sindsdien heb ik geprobeerd dat vraagstuk op mijn manier te doorgronden. In 2024 kreeg ik de kans om dat in de praktijk te doen. Op het DevelsteinCollege werd ik, samen met een collega, onderdeel van de werkgroep Burgerschap, met als doel het onderwijs op dit gebied duurzaam vorm te geven.

Visie en concrete leerdoelen

Het eerste probleem waar je tegenaan loopt, is de abstractheid van begrippen als ‘burgerschap’ en ‘burgerschapsonderwijs’. De overheid geeft in de wettelijke opdracht burgerschap (2006) en de uitbreiding daarvan (2021) een nogal abstracte omschrijving, vermoedelijk om paternalisme te vermijden. Tegelijk maakt die vaagheid het moeilijk om te bepalen wat goed burgerschapsonderwijs eigenlijk is. Daar komt bij dat burgerschapsonderwijs geregeld stevige kritiek krijgt. In november 2023 verscheen er in dit vakblad bijvoorbeeld een artikel van Joep Dohmen onder de titel: “Waarom burgerschapsonderwijs gedoemd is te mislukken.” Zulke (terechte) kritiek zorgt ervoor dat je je gaat afvragen wat burgerschap precies inhoudt en hoe je dit betekenisvol kan vormgeven. Voor mij maakte juist die onzekerheid de uitdaging extra aantrekkelijk. Als het antwoord nog niet vaststaat, is er ruimte om het zelf te ontdekken.

De filosofie heeft mij daarbij geholpen. Ze leert je begrippen te onderzoeken, scherp te definiëren en pas daarna in praktijk te brengen. We begonnen met veel onzekerheid, maar filosofisch begripsonderzoek gaf houvast. Het gevoel tijdens dit proces wordt goed samengevat in de volgende quote: 


“Het meest praktische wat een reiziger kan doen die onzeker is over zijn weg, is niet om met grootse snelheid de verkeerde richting op te gaan, maar om te overwegen hoe hij de juiste richting kan vinden.”

Die houding van reflectie en zorgvuldigheid bleek essentieel bij het ontwikkelen van burgerschapsonderwijs. Het hele proces bestaat uit continu begrippen verhelderen en draagvlak creëren, maar ook uit een visie formuleren, en die vertalen naar concrete leerdoelen en activiteiten. In werkelijkheid liepen die stappen voortdurend door elkaar. Je leert al doende en stelt bij waar nodig. 

Definitie kernbegrippen

Zo begon ik met het formuleren van de definitie van de kernbegrippen ‘burgerschap’ en ‘burgerschapsonderwijs’, zowel in algemeen zin als toegespitst op het DevelsteinCollege. Voor dit stuk deel ik de algemene definities.

Mijn definitie van burgerschap luidt:

“Burgerschap is een essentially contested concept, dat verwijst naar een gemeenschapsgevoel (lidmaatschap), een juridische status of een politieke activiteit (participatie). Het is een concept dat verschillende politiek-filosofische opvattingen kan verenigen.”

Deze definitie is geïnspireerd op Patrick Loobuyck, auteur van Burgerschap: politiek-filosofische perspectieven.

Voor burgerschapsonderwijs liet ik mij inspireren door Eidhof en Biesta. Ik definieer het als volgt:


“Een schoolvak met een ethische kern, gebaseerd op de fundamentele waarden van de democratische rechtsstaat. Het leert leerlingen hoe zij zich als burger kunnen manifesteren en oriënteren in sociale, maatschappelijke en politieke contexten. Burgerschap gaat over wat je kunt doen met vrijheden en rechten - voor jezelf, een ander en de samenleving.”

Hopelijk dagen deze definities anderen uit om een eigen versies te formuleren. 

Mijn afstudeerproject is inmiddels een fundamenteel document en vormt de basis voor toekomstige leerlijnen van havo en vwo.

Luisteren en ontwerpen

In maart 2024 bood de SLO nieuwe handvatten in de vorm van leerdoelen. Die combineerden we met onze definities tot een stevig fundament voor de leerlijn. Op het DevelsteinCollege besloten we bovendien gedeeltelijk gehoor te geven aan Dohmen’s kritiek. We maakten binnen burgerschap een splitsing tussen ‘persoonsvorming’ en ‘internationalisering’, samengebracht onder de naam ‘(wereld)burgerschap’. Vervolgens vertaalden we deze visie naar concrete leerdoelen, en voerden een nulmeting uit om te zien wat er al aan burgerschapsactiviteiten gebeurde en wat er nog ontbrak. Daarna onderzochten we de school- en leerlingencultuur, want de leerlijn moest niet alleen passen bij de visie van de school, maar ook bij de leefwereld van de leerlingen. Burgerschapsonderwijs ontwikkelen is dus evenzeer een kwestie van luisteren als van ontwerpen.

Na dat voorwerk konden we activiteiten formuleren die aansloten bij de visie en de behoeften die we hadden vastgesteld. Die activiteiten vormen binnen de overkoepelende leerlijn twee sub-leerlijnen: één voor persoonsvorming en één voor internationalisering. Mijn afstudeerproject kun je dan ook zien als een matroesjka-pop van leerlijnen: elk onderdeel bevat een kleinere structuur, maar samen vormen ze één geheel.

Betekenisvol onderwijs

Het eindresultaat werd enthousiast ontvangen. Mijn afstudeerproject is inmiddels een fundamenteel document binnen de werkgroep en vormt de basis voor toekomstige leerlijnen van havo en vwo. Het bevat onze theoretische onderbouwing, onderzoek binnen de school, een beschrijving van de school- en leerlingencultuur en een uitgewerkte leerlijn voor klas 1 tot en met 4 van het vmbo-t. Een collega noemde het document ‘een snoepwinkel’, een compliment dat ik met plezier aanvaard.

Afsluitend wil ik dit meegeven: laat je niet ontmoedigen door de kritiek op burgerschapsonderwijs en ook niet door de omvang van de taak. Zie het als een kans om betekenisvol onderwijs te creëren dat jongeren helpt hun plaats te vinden in een complexe samenleving. Burgerschapsonderwijs is nooit af, maar juist daarin schuilt zijn kracht: het is een voortdurende oefening in nadenken, inleven en samen leren wat het betekent om burger te zijn.

Jelle Verlooij heeft zich in 2022 aangemeld bij de HTF om de bachelor Toegepaste Filosofie (afstudeerrichting Onderwijs) te volgen. Hij heeft zich aangemeld als zelfstandig timmerman en heeft zich door de opleiding weten te ontwikkelen tot leraar maatschappijleer en levensbeschouwing. Momenteel is hij werkzaam op het DevelsteinCollege in Zwijndrecht en is hij medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van het burgerschapsonderwijs; Jelle volgt momenteel aan de Universiteit van Tilburg de master Philosophy of mind and psychology.

Ik hoefde niet lang na te denken, want vlak voor mijn neus bevond zich een groot probleem. Het was een kwestie waarmee ik al jaren worstelde, net als de meeste van mijn collega’s in de wereld van training, coaching en advies. Wat zeg je als iemand je vraagt: “En wat doe jij eigenlijk?”

Professionele identiteit

Hoe vat je kort samen wat jij als professional te bieden hebt? Hoe vertel je een verhaal dat bij je past? Hoe blijf je weg van de clichés en algemeenheden? Hoe onderscheid je je? Wat zijn de juiste woorden voor de dienst die jij levert? Hoe zorg je ervoor dat je verhaal niet te langdradig is? Maar ook niet te kort? Hoe geef je je eigen kleur en stijl aan je verhaal? Kortom: hoe zet je je professionele identiteit neer?

Ik herinner me dat ik in die tijd een scholingsweekend bijwoonde met een paar honderd trainers, coaches en adviseurs: allemaal mensen zoals ik. Met elkaar vulden we een compleet hotel, we volgden workshops in grote zalen, we hadden een ontbijtbuffet, lunch en diner, en we praatten de hele dag door. Overal om me heen ontmoetten mensen elkaar en vertelden ze elkaar over hun werk. Ik hoorde gestotter en gestamel, eindeloze persoonlijke verhalen en veel clichés, ook uit mijn eigen mond. Dat voelde helemaal niet goed. Niemand van ons kwam goed uit de verf – en dan waren we nog maar als trainers en coaches onder elkaar.

Glashelder verhaal

Wat een toestand, dacht ik, al deze mensen hebben kwaliteiten en ze doen zulk waardevol werk, maar ze hebben geen ‘verhaal’. Zo werd mijn onderneming geboren: ‘Glashelder Verhaal’. Ik dokterde uit hoe de praktische filosofie deze mensen kan helpen om de kern van hun werk op een treffende manier tot uitdrukking te brengen. Elke trainer, coach, adviseur verdient een verhaal waarbij die zich comfortabel voelt, een verhaal dat past en klopt en recht doet. Daarnaast is het belangrijk dat dat verhaal herkenbaar en aantrekkelijk is voor de doelgroep. Dus ik moest twee vliegen in één klap slaan. Ik ontwierp mijn eigen methode en ging aan de slag. De praktisch-filosofische aanpak bleek te werken als een trein.

Wat is er praktisch-filosofisch aan het probleem dat al die trainers, coaches, adviseurs met elkaar delen? Ik noem drie belangrijke kenmerken. Ten eerste doen veel dienstverleners - mensen die met mensen werken - hun werk met hart en ziel. Hun betrokkenheid komt voort uit een verbinding die zij voelen met hun doelgroep, de methode die ze inzetten of de beroepspraktijk waarin ze zich begeven. Grip krijgen op deze ingrediënten is lastig, want ze voelen enerzijds persoonlijk, maar je levert anderzijds een zakelijke dienst. Tegelijk zijn deze ingrediënten wezenlijke bouwstenen als je iets wilt vertellen over wat je doet en wat je daarin belangrijk vindt. De praktische filosofie helpt je de kern van wat je doet te pakken te krijgen.  

Ten tweede werken professionals, zoals procesbegeleiders, vanuit hun ervaringskennis. In de loop van hun leven doen ze verschillende opleidingen en ze helpen vele mensen in allerlei contexten. Hoe ervarener ze worden hoe meer ze durven te vertrouwen op hun intuïtie. De berg aan ervaringskennis die onder je werkende leven ligt, is bepalend voor wat je doet, maar blijft vaak voor het grootste deel impliciet: je hebt er nog geen woorden voor. Het loont om je ervaringskennis expliciet te maken: dan kun je deze makkelijker delen met je klanten. De praktische filosofie helpt je te verwoorden wat je weet, maar nog niet kon zeggen.

Ten derde hebben ervaren, gedreven, geïnspireerde coaches en adviseurs vaak ontzettend veel te vertellen. Ze zijn nogal verbaal ingesteld, ze hebben veel woorden tot hun beschikking en ze lopen over van de mooie praktijkvoorbeelden. Maar ze zien door de bomen het bos niet meer. Daarnaast zijn ze gevormd door het jargon in hun wereld en weten ze vaak niet hoe ze de clichés, containerbegrippen en beleidstaal van zich af kunnen schudden. Vaak praten ze praten ook nog hun collega’s na. Zie daar maar eens je eigen verhaal van te maken. De praktische filosofie helpt je te bepalen wat van jou is en hoe je je verhoudt tot anderen.

Effectieve methode

De onschuldige vraag ‘En wat doe jij eigenlijk?’ van de ene dienstverlener aan de andere confronteert beiden met hun vage gevoelens en gedachten, hun ongrijpbare inzichten en de onoverzichtelijke veelheid in zichzelf. Dat is een machteloze ervaring. Socratische technieken helpen je om de kern van wat je doet boven tafel te krijgen, woorden te vinden voor je ervaringskennis en orde te brengen in de chaos. 

Voor een groot probleem dat ik in mijn eigen werkveld signaleerde, heb ik een praktisch-filosofische aanpak gevonden: een effectieve methode voor een specifieke niche. Inmiddels begeleid ik al vijftien jaar ervaren coaches en consultants die worstelen met het profileren van zichzelf. Ik help ze bij het verwoorden van een glashelder verhaal over hun dienst. Met een glashelder verhaal maak je jezelf zichtbaar als professional, je bent herkenbaar voor je doelgroep en je krijgt een vanzelfsprekende aantrekkingskracht. Zo bouw je je onderneming op een stevig fundament. Deze aanpakt werkt en werkt nog steeds, voor mijn klanten en voor mij.

Hardnekkige problemen rond de kern van een zaak, het ontbreken van de juiste woorden en een overweldigende chaos zijn overal te vinden. Niet alleen in mijn niche. Er bestaan vele hardnekkige kwesties die gebaat zijn bij een praktisch-filosofische aanpak. Mijn niche is mijn niche geworden omdat mijn affiniteit op die plek ligt. Ik maak zelf deel uit van mijn niche. Ik help mensen met het oplossen van een pijn die ook mijn pijn was. Voor iedereen is er een niche. Je moet die wel zelf zoeken, want jij bent degene die de klik voelt als je er bent.

Ik nodig je uit op zoek te gaan naar een hardnekkig probleem in jouw werkveld, het kan niet complex genoeg zijn. Hoe kan de praktische filosofie helpen? Verzin een plan en pak het aan.

Kiki Verbeek is neerlandica, filosofe en theatermaker. Ze helpt zakelijk dienstverleners met het verhelderen van hun professionele verhaal. Ze helpt je focus aanbrengen in je handelen, zichtbaar maken waar je voor staat en doen wat je belangrijk vindt. www.glashelderverhaal.nl

Publicatie Kiki Verbeek

Professionele identiteit voor ervaren coaches & consultants, Van Duuren Management (2021). Dit boek helpt je bij het neerzetten van je professionele identiteit. Het laat je zien hoe je een vorm vindt voor jouw inhoud, met stimulerende praktijkverhalen. Zo maak je jezelf en je dienst zichtbaar, herkenbaar en aantrekkelijk.

De club die op de Radboud Universiteit in Nijmegen verantwoordelijk is voor de leergang publieksfilosofie heeft me uitgenodigd om een workshop te geven over filosoferen met kinderen. Het doel van leergang is om studenten te laten ervaren wat je na een studie filosofie de samenleving kan bieden. Ik realiseer me dat HTF-studenten eigenlijk altijd bezig zijn met hun maatschappelijke taak.

Socratische Houding

De opleiding tot tweedegraads docent filosofie en burgerschap aan de HTF is een bijzondere route om filosofie toe te leren passen. Na een propedeusejaar filosofie vertalen onze studenten hun kennis en vaardigheden naar lessen aan leerlingen in de bovenbouw van de basisschool tot en met 4 VWO. “Hoe leren kinderen iets van mij?” is een gelaagde vraag, die daarbij de rode draad vormt. Mijn collega’s en ik bieden onze studenten de gelegenheid om samen te onderzoeken wie ze zijn in hun rol als docent. Wij geven studenten niet alleen de leerstof om studiepunten te halen, maar we nodigen ze uit om hun eigen leervragen in de breedste zin in te brengen. 

Ons uitgangspunt is dat je ‘filosofie en burgerschap’ niet alleen uit boeken leert. Filosofie en burgerschap gaan over het leven zelf, over wie we zijn als mens en waar we ons bevinden. Over welke rollen je vervult of wilt vervullen, over wat moet en wat mag. Hoe je bijdraagt aan de samenleving is een vraag die we onszelf en elkaar stellen. Dat geldt voor de docenten, de studenten en voor de leerlingen aan wie zij (straks) lesgeven.

Uiteindelijk bedenkt de student een les om buiten over vrijheid te filosoferen.

De docenten van de afstudeerrichting Onderwijs kennen de ingrediënten en het recept om je rol als docent goed te vervullen, maar we hebben niet hét recept voor iedere individuele student. Elke student heeft zelf heel wat heeft in te brengen. De gevarieerde bijdrage van de studenten aan de werkcolleges verrijkt dat wat ik ze te bieden heb. Tijdens de colleges Socratische Houding onderzoeken we samen aan welke voorwaarden een les die leerlingen aan het denken zet, moet voldoen. De studenten ontwikkelen zelf een lesopzet, die ze vervolgens uittesten. Mijn bijdrage bestaat eruit dat ik ze help de spanningsvelden te verkennen tussen wat ze willen en wat passend is binnen de Socratische Houding. Ze denken in hun lesvoorbereiding eigenlijk steeds na over de vragen: Wat kom ik hier doen? Wat ben ik bereid om extra te geven? Wat ben ik bereid om los te laten?

Halen en brengen

Leren over wat er gedacht is in de wereld, is een geweldige stimulans om te onderzoeken wat je zélf denkt. De studenten dragen allerlei onderwerpen aan waarover het volgens hen in de les zou moeten gaan. Ook doorleefde ervaringen zijn een bron van inspiratie, waaraan we ons tegoed doen. Zo wil een student weten of je leerlingen ook filosofie kunt leren door te bewegen. We putten uit verschillende bronnen. Zoals: een student van een jaar eerder, die filosofeerde met zijn free-run-klasje over de vraag wat angst is. Of het idee dat filosoferen een vorm van strijden is. Of het idee dat je je fysiek kunt positioneren ten opzichte van een stelling. 

Uiteindelijk bedenkt de student een les om buiten over vrijheid te filosoferen. De vraag die volgt, is waar je in je voorbereiding rekening mee moet houden. Wat ben je bereid bent om extra te doen of los te laten, als het anders loopt dan je verwacht. De inzichten en ervaringen van studenten die docent zijn   blijken zeer bruikbaar als aanmoediging en kritiek. Ondersteuning en inspiratie vanuit de literatuur vinden ze in een lijst met didactiekboeken en aanvullend materiaal.  

Het motiveert me enorm dat studenten echt iets komen dóen. Ze komen niet alleen iets halen, maar ook iets brengen. Tijdens en na de les werk ik hard om aan te reiken wat studenten nodig hebben. Ik denk voortdurend na over wat er aan bod moet komen en hoe ik dat vervolgens zó aanbied, dat ze er optimaal gebruik van kunnen maken. Aan de eindopdrachten zie ik dat studenten op een vergelijkbare manier hún les voorbereiden.

De vanzelfsprekendheden van vorm en inhoud van het onderwijs in twijfel trekken.

Moed vereist

Of je het HTF-diploma haalt of niet, wordt bepaald door het vastgestelde niveau op basis van de eisen van de Inspectie. Verder ligt het speelveld inhoudelijk open: de bal ligt bij ons als bevoegde opleiders. Studenten bepalen hun eigen niveau door de mate van complexiteit en zelfstandigheid die ze in hun werk leggen. De leerdoelen bepalen zij dus voor zichzelf: dit kan en ken ik al en dit wil ik leren. Bovendien laten we - op basis van vertrouwen - de volgorde van wat studenten moeten leren steeds meer los. 

We moedigen studenten aan om kritisch naar hun eigen leerproces te kijken. Een student die op haar stageschool een niet zo goed gelukte les over humor had gegeven, vroeg haar medestudenten er eens over mee te denken. Zij organiseerde zelf de kritiek en paste haar les vervolgens aan. Een andere test s om onvoorbereid een klassengesprek te voeren; je leert van de groep wat er dan kan gebeuren. Weer een ander maakt een les ‘uit het boekje’ op maat voor haar groep: heel leerzaam! Docent worden en zijn is niet een vanzelfsprekendheid. Je ontwikkelt je voortdurend, ook als je al jaren voor de klas staat. Je leert steeds beter vertrouwen op je wat kan en wat je te bieden hebt.

Voortdurend het spanningsveld onderzoeken tussen wat je wilt geven en wat er van je gevraagd wordt, vereist moed. Je zet de kaders waarbinnen je beweegt namelijk steeds op het spel. En dat is wat een docent filosofie en burgerschap op school komt doen: de vanzelfsprekendheden van vorm en inhoud van het onderwijs in twijfel trekken.

Paulien Hilbrink, docent filosofie en burgerschap aan de HTF

Paulien Hilbrink heeft Wijsbegeerte aan de UvA gestudeerd en is leerkracht in het basisonderwijs. Ze filosofeert met kinderen en jongeren, ouders en senioren, en is actief bestuurslid bij het platform voor kinderfilosofie: Centrum Kinderfilosofie (CK). Bij de HTF is Paulien docent binnen de vakgroep Onderwijs.

© HTF Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) B.V. 2026
Webdesign: SaffrieDesign
cross
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram