info@hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl
+31(0)85 8769712
Contact

Dat liep anders. De eerste jaren zag niemand van mijn beoogde clientèle mij staan, hoezeer ik mezelf ook met mijn praktisch filosofisch vocabulair profileerde op netwerkborrels. Ik sprak de taal van organisaties - dacht ik - maar zodra ik met een filosofische kijk op de daar besproken kwesties aan kwam zetten, viel het gesprek stil en werd iedereen ongemakkelijk. Inmiddels, 15 jaar later, heb ik veel klanten die graag van mijn praktisch-filosofische diensten gebruik maken, die daar gelukkig van worden en die zeggen dat het ‘echt anders’ is wat ik kan bijdragen.

GEEN WOORD FILOSOFIE

Waarvoor kloppen mensen dan bij mij aan? De werkelijkheid is vele malen banaler dan de mooie filosofische theorieën. Mensen kloppen bij mij als socratisch gespreksleider aan, omdat hun collega of leidinggevende gezegd heeft dat ze beter moeten luisteren en minder snel met adviezen moeten komen. Of omdat ze willen leren betere gesprekken te voeren. Of het nu directeuren, professionals, managers of uitvoerenden zijn die met deze vraag zitten, ze willen allemaal hetzelfde en in hun hulpvraag aan mij zit geen woord filosofie. Echter, wat me steeds weer blijft verbazen en verrukken, is dat ik mijn klanten met zoveel meer naar huis kan laten gaan dan waar ze voor kwamen. Dat gaat vanzelf, omdat praktische filosofie de ander zelf aan het werk zet en zelf de verantwoordelijkheid laat nemen. Daardoor is wat mensen leren veel rijker en zinvoller dan ze vooraf voor mogelijk hadden gehouden. 

PIRATENCLUBJE

Zo had ik laatst een groep auditors die in het kader van hun jaarlijkse scholing kennis wilden maken met het socratisch gesprek. Ik trainde ze in de socratische methode en achteraf was het commentaar: ‘Ik kan me nu al niet meer voorstellen dat ik voorheen genoegen heb genomen met vaagheden in mijn onderzoek.’ Een andere cursist, een senior projectcoördinator, was vastgelopen bij het samenbrengen van grote partijen die met elkaar een ernstig bereikbaarheidsvraagstuk in een bepaalde regio op moesten lossen. Er was heel weinig perspectief op een oplossing, vertelde ze. De regio was afhankelijk van meerdere partijen, die niet de focus op die regio hadden. Deze partijen hadden al vaker met elkaar om de tafel gezeten maar kwamen er niet uit. 

Na een training socratische gespreksvoering besloot de projectcoördinator de eerstvolgende bijeenkomst anders aan te pakken. Ze stelde voor het standaardoverleg los te laten, omdat daarbij opnieuw de reeds bekende meningen weer op tafel zouden komen. Ze besloot het gesprek te beginnen met de volgende vraag: “Wat betekent samenwerken aan bereikbaarheid in een systeem waar iedereen afhankelijk is van elkaar, maar niemand de volledige regie heeft?”

Praktische filosofie kan op heel veel plaatsen verlichten, verbinden, aan het denken zetten en activeren.

Deze aanpak veranderde de stemming. Mensen gingen mét elkaar in plaats van tégen elkaar praten en uiteindelijk kwamen ze unaniem uit op het volgende: “Dit is iets wat we samen willen en moeten doen, los van afzonderlijke belangen. Laten we een piratenclubje oprichten.”

Praktische filosofie kan op heel veel plaatsen verlichten, verbinden, aan het denken zetten en activeren. Maar om als praktisch filosoof je ding te kunnen doen, moet je beginnen bij datgene waar een potentiële klant op dat moment mee worstelt. Achter elke eenvoudige worsteling zit een wereld waar van alles aan verbeterd kan worden. Want zoals Socrates zei: “Het grote huist in het kleine.” Door het kleine op praktisch filosofische manier aan te pakken, komen ook onderliggende patronen en inzichten voor je klant in beeld. 

PRAKTISCH FILOSOFISCHE AANPAK

Een klantenkring opbouwen duurt een aantal jaren. Begin vandaag door nauwkeurig te luisteren naar waar werkenden mee zitten. Waar je ook bent, in de trein, op congressen, op verjaardagen, op netwerkbijeenkomsten. Luister naar de taal, stel vragen in plaats van zelf meteen allerlei suggesties te doen. Laat je potentiële klanten goed verwoorden waar het om gaat. Bijvoorbeeld: “Ik krijg geen vat op wat er speelt” of “Ik moet lastige keuzes maken” of “Ik voel me een speelbal in wat er om me heen gebeurt”. Dit soort vragen zijn allemaal aanknopingspunten voor een praktisch filosofische aanpak. 

Bied hulp aan als je denkt te kunnen helpen en vertel niet meteen hoe je dat filosofisch gaat aanpakken. Geef het vertrouwen door goed te luisteren, door bij de taal van de ander aan te sluiten. En zeg in eerste instantie misschien alleen maar dat jij iets anders biedt voor datgene waar ze last van hebben. Je kunt als praktisch filosoof echt veel mensen verlossen van worstelingen en vaagheden in hun werkzame leven. Maar in dit vakgebied gaat de bekende uitspraak van Johan Cruijff op: “Ze gaan het pas zien, als ze het door hebben.”

Marlou van Paridon heeft een Bureau voor Socratische gesprekstraining en -begeleiding in Amsterdam. Ze publiceerde enkele praktisch filosofische boeken als De zin aan het werk (2011) en Socratisch gesprek voor beginners (2017). 

Ze studeerde af aan de VU met een praktische master Philosophy of Management and Organizations

Voordat ze filosofie ging studeren werkte ze 25 jaar in organisaties en als zelfstandig ondernemer, onder meer als marketing manager, reisjournalist en uitgever.

Tijdens mijn afstudeeropdracht aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie onderzocht ik zo’n vastgelopen situatie binnen de gemeente Den Haag, waar ik werk als manager Control. Van controllers wordt steeds vaker verwacht dat zij adviseren over complexe vraagstukken. Maar ondanks reorganisaties, nieuwe werkwijzen en opleidingen bleef de praktijk opvallend stabiel. Er wordt nog steeds gecontroleerd, gerapporteerd en verantwoord - precies zoals altijd.

FILOSOFISCHE VERANDERINTERVENTIE

Het probleem was niet dat deze professionals hun werk niet goed deden. Het probleem was dat we bleven doen wat - binnen een bepaald denkkader - logisch voelt. En dat kader stelde steeds opnieuw dezelfde vraag centraal: hoe lossen we dit op?

Die vraag werkt prima bij technische vraagstukken. Maar bij wicked problems - vraagstukken waarin waarden botsen, belangen schuiven en uitkomsten onzeker zijn - werkt deze vraag averechts. Hoe harder je probeert grip te krijgen op het probleem, hoe sterker het gevoel ontstaat dat je vastzit.

Dit is precies het soort situatie dat Slavoj Žižek beschrijft wanneer hij stelt dat we vaak blijven handelen binnen een denkkader dat we rationeel allang hebben doorzien, maar praktisch niet weten te verlaten. We weten dat het niet werkt, en toch blijven we het doen.

Mijn beroepsproduct was daarom geen oplossing, maar een filosofische veranderinterventie: het voorstel om het onvermogen om de gewenste transitie te maken niet langer te zien als een tekort, maar als een signaal. Misschien is dit geen probleem dat opgelost moet worden, maar een praktijk die anders begrepen en georganiseerd moet worden. Die verschuiving - van oplossen naar begrijpen - opent ruimte. Niet voor vrijblijvend praten, maar voor een ander soort professionaliteit.

De kern van toegepaste filosofie is: het creëren van ruimte waarin professionals hun eigen praktijk kritisch leren begrijpen, bevragen en vormgeven.

NORMATIEVE PROFESSIONALITEIT

In mijn afstudeeronderzoek vond ik houvast in het denken over beroepspraktijken, zoals dat is uitgewerkt door Alasdair MacIntyre in het spoor van Aristoteles. In dit perspectief staat werk niet primair in het teken van output of efficiëntie, maar wordt het georganiseerd rond praktijken: samenhangende vormen van menselijk handelen waarin interne waarden, vakmanschap en oordeelsvermogen centraal staan. 

Dit sluit nauw aan bij Donald Schöns idee van normatieve professionaliteit. Adviseren is geen technische handeling, maar een normatieve praktijk. Professionals staan voortdurend voor de vraag wat hier, nu en in deze context het goede is om te doen - en die vraag laat zich niet vooraf dichtregelen. Normatieve professionaliteit vraagt niet om betere tools, maar om het serieus nemen van praktijken en het organiseren van werk op een manier die ruimte laat voor gezamenlijk oordelen, reflectie en traditie. Niet de methode staat centraal, maar praktische wijsheid.

Om te onderzoeken of dit perspectief aansloot bij de dagelijkse praktijk, werkte ik met zestien controllers aan concrete casussen. Niet om tot oplossingen te komen, maar om te verkennen hoe zij hun werk in de praktijk ervaren. Met behulp van kralenspelen onderzochten we waarden, spanningen en impliciete normen, die in het dagelijks werk meestal verborgen blijven. Wat zichtbaar werd, was geen handelingsverlegenheid, maar juist rijkdom. Zodra de druk om te leveren wegviel, ontstond taal voor professionaliteit, verantwoordelijkheid en vakmanschap. Dat was geen toeval, maar een aanwijzing dat het dominante, technische denkkader deze dimensies structureel buiten beeld houdt.

KRITISCH OORDELEN

Toen ik deze inzichten besprak met het managementteam en de financieel directeur, gebruikte ik het beeld van een fabriek: een organisatie die steeds efficiënter produceert wat eigenlijk niet meer nodig is. Dat beeld werd onmiddellijk herkend. ‘We zitten vast in de fabriek,’ zei een collega, ‘als we echt willen adviseren, moeten we eruit. Vanaf dat moment verschoof het gesprek. Niet langer ging het over nieuwe instrumenten of extra vaardigheden, maar over de vraag hoe het werk zelf anders georganiseerd kan worden, zodat professionals hun praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Dat leidde uiteindelijk tot de ontwikkeling van een nieuwe opleiding Adviseren, waarin filosofie geen toevoeging is, maar het vertrekpunt vormt.

In 2026 start deze nieuwe opleiding voor de meest ervaren adviseurs binnen de organisatie. Daarmee wordt een bestaande, sterk technische opleiding vervangen door een leertraject waarin normatieve professionaliteit en praktijkgericht denken centraal staan. Wat er nu hopelijk gebeurt, is dat professionals zichzelf niet langer zien als uitvoerders van oplossingen, maar als deelnemers aan een praktijk waarin kritisch oordelen centraal staat. De filosofische veranderinterventie die ik ontwikkelde, werkt niet door antwoorden te geven, maar door professionals uit te nodigen zelf - en samen - na te denken over wat in hun werk op het spel staat.
Voor mij is dat de kern van toegepaste filosofie: niet het oplossen van wicked problems, maar het creëren van ruimte waarin professionals hun eigen praktijk kritisch leren begrijpen, bevragen en vormgeven.

Marc van der Bilt voltooide 2 september zijn masteropleiding Toegepaste Filosofie aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Voor zijn afstudeeropdracht werkte hij bij de gemeente Den Haag. Daar ontwikkelde hij een filosofische veranderinterventie rond de vraag hoe professionals kunnen omgaan met wicked problems in adviespraktijken.

Het aantal kinderen met jeugdhulp zegt vooral iets over ons denken. Het is de spiegeling van een denken waarin we normaliteit tot norm hebben verheven en verschil behandelen als afwijking. Wat niet past binnen ons ideaal van concentratie, redelijkheid en maakbaarheid, is een probleem dat om een oplossing vraagt.

KEURSLIJF VAN NORMALITEIT

Filosofen beschrijven deze neiging al langer. De één waarschuwt voor een samenleving die alles zichtbaar en beheersbaar wil maken, de ander voor een staat die verschil opoffert aan samenhang en orde. Weer een ander laat zien hoe het gesprek over zin plaatsmaakt voor werken volgens modellen, of hoe onze drang naar controle de ruimte voor echte ontmoeting verkleint. Samen wijzen zij op dezelfde blinde vlek. Waar normaliteit de maat wordt, verdwijnt de ruimte voor wat niet past, maar wel menselijk is. Eén op de zeven maakt duidelijk dat niet het kind moet veranderen, maar het systeem dat ons denken vormgeeft. Het vraagt om reflectie op het fundament van ons denken. Niet de vraag wat er misgaat in gezinnen of bij kinderen staat voorop, maar welke aannames wij hanteren over ontwikkeling, gedrag en normaliteit. 

In het dagelijks leven zie ik hoe ongemerkt het keurslijf van normaliteit werkt. In de klas van mijn jongste dochter worden diagnoses bijna terloops genoemd. Niet met verwondering, niet aarzelend, maar als feitelijke constatering. Het opvallende is niet dat deze kinderen anders zijn, maar hoe normaal het is geworden om verschil zo te benoemen. Diagnoses zijn geen uitzondering meer, maar onderdeel van het alledaagse taalgebruik. Ze markeren met een vreemde vanzelfsprekendheid de grens tussen wat binnen de norm valt en wat hersteld moet worden.

In het dagelijks leven zie ik hoe ongemerkt het keurslijf van normaliteit werkt. In de klas van mijn jongste dochter worden diagnoses bijna terloops genoemd.

ZICHTBAAR, VERKLAARBAAR EN STUURBAAR

Die vanzelfsprekendheid zie ik ook terug in de wijze waarop we onze kinderen meten, volgen, controleren en bijsturen. We leven in een wereld waarin steeds meer zichtbaar is, vaak met de beste bedoelingen. Apps laten zien waar kinderen zijn, hoe ze presteren en hoe ze zich verhouden tot anderen. Dat voelt zorgzaam en verantwoord. Het geeft ouders, scholen en professionals het gevoel dat ze kunnen beschermen en bijsturen.

Maar waar alles zichtbaar en meetbaar wordt, blijft weinig ruimte over om even uit beeld te zijn. Om te zoeken, te twijfelen of fouten te maken zonder dat die meteen worden vastgelegd of beoordeeld. Mijn dochter groeit op in een omgeving waarin zichtbaarheid en vergelijking normaal zijn, en waarin afwijkingen sneller opvallen dan ooit. Niet omdat we hen willen beperken, maar omdat we geloven dat weten en volgen helpt. Zo raken kinderen steeds meer gewend aan het idee dat hun ontwikkeling voortdurend bekeken en beoordeeld wordt. De vijftienjarige ik had eigen geheimen; dat vind ik nu een prettige gedachte.

Wat hier zichtbaar wordt, is geen individuele opvoedkeuze maar een breder systeem, waaruit het lastig ontsnappen is. We leven in een normaal waarin weten gelijkstaat aan zorgen en volgen gelijkstaat aan beschermen. Maar juist daarin schuilt de vraag. Wat gebeurt er met kinderen wanneer normaliteit steeds nauwer wordt gedefinieerd en alles wat daarbuiten valt direct zichtbaar, verklaarbaar en stuurbaar moet zijn? We zien kinderen minder zoals ze zijn, maar meer zoals wij vinden dat ze zouden moeten zijn. Kijk daarom niet eerst naar kinderen, maar naar ons eigen kindbeeld. Het fundament onder ons doen van alle dag.

Hoe we over kinderen denken, bepaalt wat we normaal vinden en wat we vervolgens logisch vinden om te doen.

ONS KINDBEELD

Hoe we over kinderen denken, bepaalt wat we normaal vinden en wat we vervolgens logisch vinden om te doen. Dat kindbeeld is zelden expliciet. We spreken er niet over aan de keukentafel of in beleidsnota’s, maar het stuurt wel ons handelen. Het ligt besloten in de normen die we hanteren op school, in de verwachtingen die we als ouders hebben en in de manier waarop we zorg organiseren.

We zien dat in het dagelijks leven. We vinden het vanzelfsprekend dat kinderen leren plannen, zich concentreren, emoties reguleren en verantwoordelijkheid nemen voor hun gedrag. We prijzen zelfstandigheid, probleemoplossend vermogen en weerbaarheid. Thuis zien kinderen voorbeelden waarbij presteren wordt beloond, op televisie en sociale media. Sporters die goud winnen, YouTubers die miljoenen verdienen en artiesten die stadions aan hun voeten hebben, zijn goed. Zij presteren en zijn de rolmodellen voor kinderen. Dat lijkt neutraal en redelijk, maar dat is het niet. Het zijn uitdrukkingen van een ideaalbeeld. Dat dit beeld leidend is, merken we vooral wanneer kinderen er niet in passen. Er ontstaat ongemak. Gedrag wordt lastig, ontwikkeling zorgelijk, verschil problematisch. We zoeken verklaringen, labels en interventies om het weer passend te maken. Niet omdat kinderen ineens anders zijn geworden, maar omdat wat normaal is steeds sterker stuurt. Voor ieder kind dat niet past in ons ideaal, staat een hulpverlener klaar.

Om te begrijpen wat hier gebeurt, helpt het om ons kindbeeld niet als een vaststaand idee te zien, maar als een spanningsveld. In dat veld bewegen we voortdurend tussen twee uitersten. Het kind als iets wat we volledig kunnen begrijpen en bijsturen, en het kind als iets wat zich aan onze kennis en controle onttrekt. Tussen wat ik in Normaal van Verschil aanduid als ‘het kind als machine’ en ‘het kind als mysterie’. Deze en andere tegenstellingen uit de filosofie maken zichtbaar hoe ons denken over kinderen richting geeft aan ons doen.

MACHINE VERSUS MYSTERIE

Het kind ís geen machine, dat weten we allemaal. Kinderen zijn geen apparaten met knoppen waaraan je kunt draaien, geen systemen die zich voorspelbaar gedragen wanneer je de juiste input geeft. Maar toch is dat een onderliggend beeld dat ons stuurt. Niet omdat we dat expliciet uitspreken, maar omdat dit denken iets aantrekkelijks heeft. Het ‘machine-denken’ geeft houvast in een complexe wereld. Wanneer gedrag lastig is, zoeken we naar verklaringen, wanneer ontwikkeling afwijkt, naar oorzaken, wanneer iets niet werkt, naar interventies. We brengen gedrag in kaart, vergelijken het met wat gebruikelijk is en waar nodig sturen bij met gedragstherapie of Ritalin. Dat doen we op school, in de zorg en steeds vaker ook thuis. Niet uit gemakzucht, maar uit betrokkenheid. Wie wil dat zijn kind vastloopt, wanneer het ook ‘op te lossen’ lijkt? 

De oplossing komt met een prijs. Het besef begint door te dringen dat kinderen zich deels aan onze kennis onttrekken en dat hun ontwikkeling niet volledig planbaar is. Dat onrust, impulsiviteit of terugtrekking niet altijd wat gerepareerd moeten worden, maar soms gedragen moet worden. Door kinderen te benaderen alsof ze machines zijn, verkleinen we de ruimte voor wat niet direct te begrijpen of te sturen is. Het kind verliest zijn geheimen.

Tegenover het kind als machine plaats ik daarom het beeld van het kind als mysterie. Niet als iets romantisch of ongrijpbaars waar we niets mee kunnen, maar als erkenning dat er altijd iets aan een kind is dat zich niet laat vangen in modellen, diagnoses of plannen. Dat vraagt om terughoudendheid en het accepteren van niet alles kunnen weten. En om het besef dat niet alles wat afwijkt, een probleem is. Deze tegenstelling in uitersten tussen machine en mysterie geeft woorden aan een noodzakelijk gesprek. Ze laat zien hoe ons denken richting geeft aan ons doen. Deze tegenstelling is de eerste van meerdere spanningen die bepalen hoe wij naar kinderen kijken, welke normen we hanteren en waarom één op de zeven kinderen uiteindelijk jeugdhulp krijgt.

ANDER SOORT GESPREK

Wanneer we eenmaal zien hoe ons denken over kinderen wordt gestuurd door tegenstellingen - machine en mysterie, object en subject, zin en nut, zijn en proces, heel en gebroken, beschikbaarheid en onbeschikbaarheid - dringt zich een volgende vraag op. Wat doen we met dat inzicht? Het gaat hier niet om het aanreiken van een nieuwe waarheid, instant-oplossing of een beter systeem. De inzet is een andere manier van kijken en spreken, die ruimte maakt voor een fundamenteel gesprek.

De kern is eenvoudig, maar niet gemakkelijk. Verschil is geen afwijking die automatisch om correctie vraagt, maar een gegeven dat om erkenning en gesprek vraagt. Dat betekent niet dat alles kan of niets meer hoeft. Ik pleit niet voor een anti-autoritaire opvoeding zoals we in de jaren ’70 hebben gezien. Het betekent wel dat we onszelf dwingen om niet ieder verschil direct als probleem te lezen. Door de spanningen in ons denken zichtbaar te maken, ontstaat ruimte om vanzelfsprekendheden te bevragen. Waarom vinden we dit gedrag zorgelijk en dat andere acceptabel? Welke norm hanteren we hier en wie of wat valt daarbuiten?

Door deze manier van kijken verschuift het gesprek. Niet langer gaat het alleen over wat werkt, wat effectief is of wat risico’s beperkt, maar over wat recht doet aan kinderen in hun eigenheid. Het nodigt uit tot een taal die niet meteen wil oplossen, maar eerst wil begrijpen. Tot spreken dat onzekerheid niet wegpoetst, maar serieus neemt. In die vertraging ontstaat ruimte voor een ander soort gesprek. Een gesprek waarin ouders, professionals, politici en bestuurders niet tegenover elkaar komen te staan, maar samen onderzoeken hoe hun denken richting geeft aan hun handelen. Niet om het perfecte antwoord te vinden, maar om te voorkomen dat normaliteit ongemerkt verandert in een norm waaraan steeds minder kinderen kunnen voldoen. Het gaat hier niet om minder verantwoordelijkheid voor onze kinderen om veilig en gezond op te groeien, maar om een andere vorm. Een verantwoordelijkheid die begint bij het onder ogen zien van de spanningen in ons denken.

Anders denken over jeugdhulp begint niet bij een oplossing.

ANDERS DENKEN

‘Normaal van Verschil’ krijgt betekenis wanneer het houvast biedt in de praktijk. Anders denken over jeugdhulp begint daarom niet met grote plannen, maar met kleine verschuivingen in het dagelijks doen. Werk je als professional in de jeugdhulp, dan vraagt anders denken vooral om vertraging. Niet meteen van gedrag naar verklaring en van verklaring naar interventie. Eerst de vraag stellen welke norm hier eigenlijk wordt geraakt. Wat noemen we goed functioneren en voor wie? En wat gebeurt er wanneer verschil niet direct wordt opgelost, maar eerst wordt erkend en volgehouden, zonder het bij te sturen naar ons ideaalbeeld? Soms is professionaliteit niet sneller handelen, maar zorgvuldiger kijken.

Zit je in de gemeenteraad en is er opnieuw meer geld nodig voor de jeugdhulp, dan begint anders denken bij het verbreden van het debat. Niet alleen de  vraag naar kosten en beheersing, maar ook het durven bevragen van de sturende aannames in het beleid. Waar bevestigen we normaliteit in regelgeving, inkoop en preventielogica? En wat gebeurt er wanneer we vooral beter worden in het signaleren van afwijking, zonder het systeem zelf te heroverwegen? Financiële sturing zonder normkritiek leidt vaak tot herhaling en verdieping van hetgeen we proberen op te lossen.

Ben je bestuurder in de jeugdhulp en loop je vast in weer een hervormingsagenda of reorganisatie, dan vraagt anders denken om terughoudendheid. Niet automatisch zoeken naar het volgende systeem, maar met de organisatie onderzoeken welke tegenstellingen het dagelijks handelen sturen. Wanneer behandelen we kinderen als maakbaar en wanneer laten we ruimte voor wat zich niet laat plannen? Welke modellen helpen en wanneer verdringen ze de werkelijkheid? Minder sturen op het perfecte plan en meer op het gesprek dat normerend werkt. Hoe houden we verschil open, zonder hulp te ontkennen en zonder elk verschil tot hulpvraag te maken?

Anders denken over jeugdhulp begint niet bij een oplossing. Gebruik het moment waarop je bijna automatisch doet wat normaal is en toch besluit even anders te kijken.

  1. Dit artikel is gebaseerd op het boek Normaal van verschil, uitgegeven door De Bestuursfilosoof. Bestel het boek op www.bestuursfilosoof.nl/normaal-van-verschil

Gijsbrecht Sies MA MSc is bestuursfilosoof en architect van maatschappelijke verandering. Vanuit zijn achtergrond in bestuurskunde, politicologie, filosofie en het onderwijs verbindt hij denken en doen. Hij denkt met organisaties over morgen en helpt bestuurders en professionals het vanzelfsprekende te bevragen. Niet door meer regels te maken, maar door opnieuw te leren zien wat goed is om te doen, juist waar vastgeroeste overtuigingen om tegenspraak vragen.

“Heliorechtvaardigheid gaat over de vragen: wie profiteert van de zon en wie betaalt de prijs? De ene welgestelde groep met ruime koophuizen kan zonnepanelen plaatsen. De opbrengsten vloeien naar de bewoners zelf; de salderingsregeling garandeert een gunstige verrekening. Voor huurders in dichtbebouwde woonwijken zijn die mogelijkheden er nauwelijks. Zonder zeggenschap over hun dak missen ze de kans om de zon te ‘oogsten’. Zij zien hun energierekening stijgen, terwijl ze in de zomer meer dan gemiddeld last hebben van hittestress. De toegang tot zonlicht en schaduw: de nieuwe klassenkwestie.”

Geen schaamte of liefde

Aan het woord is, jawel, ChatGPT. Ik stelde meerdere chatbots - waaronder ook Claude en Le Chat - de vraag of ze op basis van het nieuws van de afgelopen maanden met een nieuw filosofisch concept konden komen. Alleen ChatGPT kwam met een interessante suggestie. En passant kwam het ook nog met de term ‘schaduwarmoede’ en ‘helioproletariaat’. John Rawls, zo gaf de chatbot aan, zou wellicht pleiten voor een ‘solar difference principle’: ongelijkheden in zonne-opbrengsten zijn slechts gerechtvaardigd als ze ook de minst bedeelden ten goede komen. En wellicht zouden Amartya Sen en Martha Nussbaum toegang tot zonlicht en schaduw moeten opnemen in hun lijst met capabilities.

Het is duidelijk dat generatieve AI, zoals ChatGPT, Gemini en CoPilot, voor steeds meer taken - en voorheen menselijke rollen - wordt ingezet. Dat gaat vaak mis: als klankbord voor kwetsbare mensen wil AI bijvoorbeeld nog wel eens eenzaamheid en zelftwijfel versterken, of aanzetten tot dubieuze daden. Chatbots hebben geen moreel kompas, geen doorleefde waarden en normen, en nemen ze geen verantwoordelijkheid. AI simuleert empathie, maar voelt geen solidariteit, schaamte of liefde.

Filosofische verheldering 

Kan een chatbot dan wel filosoferen? Taalmodellen begrijpen taal niet zoals mensen dat doen. Ze voorspellen woorden op basis van patronen, zonder bewustzijn, intentie of ervaringswereld. ChatGPT en consorten hullen hun ‘inzichten’ in kunstmatige, sociaal wenselijke beeldspraak en vaak flets aandoende argumentaties. Dit zeggen niet alleen critici, maar zegt ook, als je ernaar vraagt, ChatGPT zelf. 

Bij de HTF kijken we natuurlijk met argusogen naar generatieve AI. AI biedt veel kansen als sparringpartner en zoekmachine. Maar om het te gebruiken moet je, zeker als toegepast filosoof, wel over een zelfstandig en ontwikkeld beoordelingsvermogen beschikken. Toegepaste filosofie is onderzoeken hoe ideeën, begrippen en praktijken in elkaar zitten, en hoe ze doorwerken in de prakijk. Daarvoor moet je een antenne ontwikkelen die tijdens het lezen van teksten en het ‘lezen’ van mensen en situaties voortdurend ‘aan’ staat. Die antenne zit in je, die moet je zelf ontwikkelen en kun je niet uitbesteden. 

Ook de vaardigheid om in de (beroeps)praktijk met mensen gezamenlijk filosofisch onderzoek te doen, kun je niet overlaten aan een chatbot. Je neemt jezelf en je filosofische vaardigheden mee naar een gesprek, geen chatbot. Echte richtinggevende ideeën komen voort uit menselijke interactie, waarbij op basis van persoonlijke ervaringen gestructureerd wordt gereflecteerd, onder leiding van een toegepast filosoof die er al vele vlieguren op heeft zitten. Wij denken dat taalmodellen het beroep van toegepast filosoof in feite nóg relevanter maakt, zeker wanneer de rol van AI in tal van organisaties om filosofische verheldering en morele heroriëntatie vraagt.

Onrecht zichtbaar maken

En toch. ChatGPT munt binnen vijf seconden een nieuwe filosofische term, wat toch vrij creatief is. Je bent een filosoof, zo stellen Gilles Deleuze en Félix Guattari in Qu’est-ce que la philosophie (1991), als het je lukt om nieuwe concepten te ‘vormen’, ‘uit te vinden’ en te ‘fabriceren’. 

‘Heliorechtvaardigheid’ is ook méér dan zomaar een term, omdat deze raakt aan de morele, sociale en politieke verhoudingen die schuilgaan achter iets wat we gewoonlijk als neutraal en vanzelfsprekend beschouwen. Wie ‘heliorechtvaardigheid’ zegt, maakt zichtbaar dat zelfs de zon - dat ogenschijnlijk universele, democratische goed - ongelijk verdeeld raakt binnen de infrastructuren van macht, bezit en technologie. Daarmee wordt het begrip een lens, een denkgereedschap, waarmee we bestaande structuren kunnen bevragen. Of ChatGPT daarmee filosofeert, is de vraag: de chatbot reproduceert slechts ideeën uit bestaande teksten. Maar de mens die zo’n term oppakt, doordenkt en inzet om onrecht zichtbaar te maken, die filosofeert. 

Het denken begint niet bij het genereren van woorden, maar bij het doorzien van wat ze betekenen. 

Was getekend, ChatGPT.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

Veel kinderfilosofen beschouwen Twintig denkgereedschappen van de Australische filosoof Philip Cam als een van hun standaardwerken. Een van Cams beginnersoefeningen is wat ik voor het gemak maar even het ‘doordenkdartbord’ noem, dat je met een groep van vijf tot vijftien deelnemers gaat vullen. Het interessante is dat deze oefening zich leent voor elke groep, binnen en buiten het onderwijs, voor jong en oud, overheid en bedrijfsleven, junior medewerkers en directiekamer. Je kunt de moeilijkheidsgraad makkelijk bijstellen. Neem er minimaal een uur de tijd voor.
Belangrijk: stuur als gespreksleider niet op de inhoud.

1. Je neemt een (school)bord of flap en tekent daarop de onderstaande figuur met een witte binnencirkel (het doelwit), met daarin het concept dat je wilt onderzoeken - bijvoorbeeld ‘integer’. Daaromheen schets (en arceer) je een (grijze) tussencirkel voor de twijfelgevallen en daar weer omheen een witte buitenrand voor situaties die zeker niet als integer te kwalificeren zijn. Zorg dat je veel ruimte hebt voor post-its. 

2. Vraag de groep - bijvoorbeeld een groep gemeenteambtenaren - om met concrete voorbeelden te komen van integer handelen, uit de eigen werkpraktijk. Voorbeelden uit een (mede)overheid, vernomen uit de media, mogen ook. Noteer deze op post-its en plak deze op het doelwit. Vraag de deelnemers vervolgens om praktijkvoorbeelden te geven die zonder twijfel als niet-integer handelen moeten worden bestempeld en plaats deze in de buitencirkel.  Vraag daarna om een aantal twijfelgevallen. Als gespreksleider moet je zelf inschatten of er genoeg materiaal verzameld is of dat de deelnemers het aandragen van voorbeelden nog (te) leuk vinden. 

3. Nu ga je de criteria onderzoeken. Ga de aangereikte voorbeelden langs en vraag de deelnemers of deze goed zijn ingedeeld. Bepaal steeds samen wat het criterium is. Onpartijdigheid, objectiviteit, betrouwbaarheid, transparantie, rolvastheid, innerlijk kompas - van alles zal de revue passeren. In deze fase kun je ook post-its verplaatsen, als daar een criterium voor is. Een deelnemer vindt bijvoorbeeld dat een ambtenaar die lekt naar de media alsnog integer kan zijn, als daarmee het algemeen belang wordt gediend of omdat zij vindt dat de eed die ze heeft afgelegd, haar daartoe verplicht. Een ander vindt dat een Haagse wethouder die een horecavergunning aan een campagnedonateur gaf, maar vrijgesproken is door de rechter, toch een twijfelgeval is. In deze fase mogen deelnemers ook tegenvoorbeeld aandragen als deze hen te binnen schieten. 

4. Wanneer de voorbeelden hun (uiteindelijke) plek hebben gevonden en de lijst met criteria ook compleet lijkt te zijn, kun je deze verder onderzoeken. Zo kun je voor elk criterium bepalen of dit: (1) noodzakelijk is voor integer handelen, maar misschien niet voldoende, of (2) voldoende is, maar niet per se noodzakelijk. Je zou ook nog derde categorie kunnen verzinnen van criteria waar veel, maar niet per se alle voorbeelden aan lijken te voldoen. Nog een moeilijkheidsgraad hoger: vormen de criteria een norm waar een voorbeeld wel of niet aan voldoet? Of een spectrum waar je een relatieve score op noteert? Kun je, om een gevleugelde uitspraak van een oud-minister aan te halen, niet ‘een beetje’ integer zijn, zoals je ook niet een beetje zwanger kunt zijn? Wat hier precies uit komt, is ongewis, maar dat betekent niet dat deze verdiepende discussie geen opbrengst heeft. 

5. Na een koffiepauze of sanitaire stop, om weer even op adem te komem en de eigen gedachten te ordenen, kun je als gespreksleider afronden met een open vraag: wat neem je mee uit dit onderzoek? In hoeverre ben je anders tegen integriteit aan gaan kijken? Welke nieuwe vragen blijven hangen? Hoe kijk je nu naar je eigen professionele handelen? Probeer hier ook zelf lessen uit te trekken: hoe heb je dit onderzoek begeleid?

Verder lezen:
Philip Cam. (2020). Twintig denkgereedschappen. Uitgeverij Levendig. 
Nanda van Bodegraven. (2022). ‘Grensgevallen’, in Jos Kessels et al. Hoog spel. ISVW uitgevers, pp. 300-303.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

Toen we aan het eind van de tour vragen mochten stellen, vroegen we waarom recentelijk een aantal televisiezenders en kranten waren gesloten, waar je oppositiegeluiden kon horen. De ambassademan had zijn antwoord snel klaar. Er was in Rusland geen probleem met de persvrijheid, beweerde hij. De gesloten nieuwskanalen waren van bedrijven die hun belasting niet hadden betaald. Een onafhankelijke rechter had geoordeeld en voor hun faillissement getekend. Daar had de regering van Poetin niets mee te maken.

Ik kan me het gevoel van verbijstering nog goed herinneren. Hier klopt niets van, wist ik meteen. Maar ik wist ook niet wat ik moest antwoorden. En ik was niet de enige; ook mijn medestudenten waren sprakeloos. Wat voor een respons wij van de vertegenwoordiger van het regime van de jonge president Poetin wél hadden verwacht, weet ik niet meer, maar in ieder geval niet deze brute ontkenning van de werkelijkheid. De kwestie was kundig uit de weg geruimd. Het was tijd voor de volgende vraag. Beleefd ging het vragenrondje verder. 

Achteraf weet je vaak precies wat je had moeten zeggen. En ook in dit geval heb ik in gedachten de ambassademan regelmatig een snedig antwoord gegeven. Toch was ons zwijgen misschien wel de juiste reactie. Zijn leugen was immers geen vorm van rationele dialoog, maar een afleidingsmanoeuvre. Ook als we er serieus op in waren gegaan, had dat weinig uitgehaald.  

Zulke kwesties speelden al in het klassieke Athene. In de dialogen van Plato waren de trollen nog niet anoniem, maar luisterden ze naar namen als Callicles en Thrasymachus, en verkondigden zij het standpunt dat alle dialoog slechts een machtsspel was. Het enige waar debat en dialoog goed voor zijn, is anderen overtuigen van je gelijk. Iedere aanspraak op waarheid of rechtvaardigheid is niets meer dan een verkapte machtsgreep. 

Dit werkte op Socrates als een rode lap op een stier. In de dialoog Gorgias probeerde hij Callicles te overtuigen met rationele argumenten. Callicles raakte geïrriteerd door Socrates hoogdravendheid en reageerde steeds bitser, met korte zinnetjes als ‘dat mag jij vinden.’ Socrates had misschien de betere argumenten, maar daar had hij weinig aan omdat Callicles geen zin had om ernaar te luisteren.   

In Ethics and the limits of Philosophy vraagt Bernard Williams zich af waarom je überhaupt moeite zou doen om een morele nihilist als Callicles te overtuigen. Hij laat zich toch niet overtuigen, omdat hij niet gelooft in rationeel discours. Volgens Willams moet je amorele figuren niet met rationele, filosofische argumenten tegemoet treden, maar politiek op hen reageren, bijvoorbeeld door voor hen de toegang tot het publieke debat moeilijk te maken. Ik vind het een interessante gedachtegang. Tegelijkertijd gun ik ook iedereen af toe een ontmoeting met een Callicles. Door de leugens van de ambassademan werd ik hard met de politieke realiteit geconfronteerd. En de morele afgrond waar je dan in kijkt, daagt je uit om na te denken over wat je echt vindt en dat beter te formuleren. Net zoals Socrates ideeën heeft ontwikkeld in reactie op de trollen uit de klassieke filosofie.

Sake van der Wall (1979) studeerde taalfilosofie, literatuurwetenschap en journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft sinds 2010 voor De Speld en doceert filosofie aan een middelbare school. Tevens is hij als docent cultuur en media verbonden aan de Hogeschool voor Toegepaste filosofie.

Niet veel later in de film is de gevel van een ander huis in beeld. In het verhaal zijn we een paar jaar terug in de tijd gesprongen. Agnes studeert nog en belt aan bij het huis van haar docent om haar thesis te bespreken. De camera blijft buiten. De zon gaat onder, de lichten in het huis gaan aan. Minutenlang blijft het huis in beeld, we zien de verlichte ramen, maar geen silhouetten. De lucht wordt steeds donkerder, mensen lopen langs, uren verstrijken. Totdat plotseling de deur opengaat. Agnes strompelt naar buiten, de docent staat in de deur. Thuis vertelt Agnes aan Lily wat er gebeurd is daarbinnen. Zij luistert zonder te onderbreken en zegt dan: “It was it, you know. That sounds like, that. That is... That’s the thing.”

The bad thing

Hoe praat je over een traumatische gebeurtenis? En hoe maak je een film erover? Regisseur Eva Victor - die ook de hoofdpersoon Agnes speelt - maakt een aantal eigenzinnige keuzes om een verhaal over trauma te vertellen. Het is een fragmentarische film die heen en weer springt in de tijd, en waarbij de nadruk ligt op de jaren erna. Opvallend is de lichte en zachte toon; zelfs van pijnlijke momenten weet Victor grappige scènes te maken. 

“When was the sexual attack?” en “Did he ejaculate in you?” vraagt de arts aan Agnes voorafgaand aan het medisch onderzoek. Lily die haar vergezelt, grijpt in: “We don’t like your tone.” Ook als kijker voel je een slag in je gezicht bij die woorden. De specifieke woorden van de arts staan in schril contrast met de woorden die Agnes gebruikt. Zij heeft het over ‘the thing that happened to me’ of kortweg ‘the bad thing’. Vage woorden, dacht ik als kijker. Maar zijn ze wel zo vaag? Welke woorden doen recht aan wat er is gebeurd? 

In Verdwijnpunt (2020) schrijft Wytske Versteeg op literair-filosofische wijze over trauma. Daarin doet ze ook verslag van de zoektocht naar woorden als de taal verdwenen lijkt. Ze vertelt dat ze kiest voor woorden als ‘wat er was gebeurd’. Die woordkeuze heeft het voordeel dat ze niet hoeft na te denken over een dader en ‘vooral niet over mezelf als slachtoffer’. Versteeg beschrijft wat het met haar doet als ze bepaalde woorden gebruikt. Een constructie die bijvoorbeeld begint met ‘ik ben’ is problematisch: “Zodra ik een naam geef aan wat er is gebeurd, is er iets blijvends mis. Ik ben plus een passief werkwoord - misbruikt, aangerand - benadrukt dat er een kracht in mijn wezen is binnengedrongen en dat ik daarbij passief ben gebleven.”

Woorden doen ertoe

De taal die je gebruikt, heeft invloed op je denken - dat weten praktisch filosofen als geen ander. Woorden doen ertoe. Een praktisch filosoof staat daarom stil bij de woorden die iemand gebruikt. 

De film Sorry, Baby laat je als kijker voelen wat het effect van woorden is. De formulering ‘sexual attack’ van de arts verwijst naar een dader, impliceert een verwijzing naar het strafrecht en kan Agnes tot slachtoffer reduceren. Agnes zelf heeft het over ‘the bad thing’ en die woorden hebben een ander effect. Ze erkennen dat er iets naars is gebeurd. Ze houden ruimte open voor het onzegbare dat gepaard gaat met trauma. Als kijker ervaar je dat deze woorden wél recht doen aan Agnes’ ervaring.

Recht doen

“We understand you. We are women,” zeggen twee personeelsleden van de universiteit. Ze maken duidelijk dat ze niets met Agnes’ melding kunnen doen. De docent heeft ontslag genomen vlak voordat de melding binnenkwam en daarmee ligt de verantwoordelijkheid niet meer bij hen.

Regisseur Victor vertelt in een interview in NRC Handelsblad: “Ik wilde een film maken over wat voelde als verloren jaren, over die periode waarin iedereen wegkijkt en je zelf je leven weer in elkaar moet puzzelen.” Wegkijken is makkelijker als je je kunt verschuilen achter juridische taal of als je benadrukt dat je het helemaal begrijpt. Sorry, Baby laat in de hartverwarmende vriendschap tussen Agnes en Lily zien wat het tegenovergestelde van wegkijken is, welke rol taal daarbij speelt en dat woorden als ‘the bad thing’ recht doen aan Agnes’ ervaring. En vooral: de film toont dat deze woorden de mogelijkheid scheppen om er überhaupt over te spreken.  

Carolien van Welij is filosoof en neerlandicus. Ze is redacteur van Phronèsis en docent aan de HTF. In 2023 verscheen haar boek Wat denken doet. Als filosofie je leven verandert (ISVW Uitgevers). Carolien staat voor doorleefde filosofie. Ze geeft cursussen, lezingen en individuele trajecten, waarin deelnemers filosofische thema’s en methodes toepassen op eigen vraagstukken. www.carolienvanwelij.nl

In ons werk zien wij dat bestuurders en toezichthouders een spanningsveld ervaren, dat doorgaans wordt begrepen als het verschil tussen de leefwereld en systeemwereld. Het lijkt erop dat de logica die inherent is aan de praktijk van zorg, de sociale context waarin de actoren uit deze leefwereld hun samenhangende activiteiten hebben, regelmatig in conflict is met de logica die zich richt op de praktijk van het organiseren en besturen van een zorgorganisatie.

Waarheid als ‘onverborgenheid’

Alhoewel houvast ontleend kan worden aan duiding in de vorm van het onderscheid tussen leefwereld en systeemwereld, dekt het volgens ons niet volledig de lading van wat er werkelijk aan de hand is. Er ontbreekt een meer omvattende duiding van dit onderscheid en de spanning die het oplevert. Dit probleem hebben wij benaderd vanuit een filosofisch perspectief, met het idee om een werkwijze te ontwikkelen die bestuurders kan ondersteunen om op andere manieren met vraagstukken en problemen om te gaan. Volgens ons is het mogelijk om aanwezige intuïties, zoals het gevoel iets ongrijpbaars over het hoofd te zien en het verlangen daar toch naar te kunnen handelen, verder te duiden en uit te werken. Met als doel om op deze wijze een rijker perspectief op de werkelijkheid te ontwikkelen.

De ervaren spanning is volgens ons een meer dan organisatorisch of beleidsmatig vraagstuk; we verbinden dit aan een fundamentele filosofische kwestie over de wijze waarop de werkelijkheid zich aan ons toont en wat daarin al dan niet zichtbaar wordt. Het denken van de filosoof Heidegger helpt ons daarbij. In verband met de vraag hoe de werkelijkheid zich aan ons toont, begint Heidegger bij de notie ‘waarheid’. Hij stelt dat waarheid niet primair moet worden opgevat als een overeenkomst tussen uitspraak en feit, zoals we dat normaal gesproken begrijpen, maar hij grijpt in zijn begrip van waarheid terug op het oud-Griekse idee van aletheia, dat zich laat vertalen als ‘onverborgenheid’. In deze visie is waarheid een dynamisch proces, waarin aspecten van de werkelijkheid zich ontsluiten. Dit wordt door Heidegger ‘ont-bergen’ genoemd, terwijl tegelijkertijd andere aspecten verborgen blijven. In elke onthulling gaat tegelijk ook onherroepelijk weer een verhulling schuil. 

Onthullen en verhullen

Wanneer we Heidegger toepassen op de bestuurspraktijk, kunnen we stellen dat het dominante systeemdenken, met nadruk op beheersing en verantwoording, slechts één element van de werkelijkheid zichtbaar maakt, namelijk ‘bruikbare’ aspecten zoals cijfers en indicatoren. Wat veel zorgprofessionals juist als wezenlijk ervaren aan de zorg blijft buiten beeld. Heidegger zou dit het effect van het ‘Ge-stel’ noemen: een alles doordringende wijze van onthullen waarin de werkelijkheid uitsluitend verschijnt als ‘Bestand’, als een voorraad van middelen die beschikbaar en beheersbaar moeten zijn.

Filosofische reflectie legt de nadruk op het verhelderen van datgene wat in ons waarnemen en denken verborgen blijft.

De systeemwereld, als uitdrukking van het ‘Ge-stel’, dwingt bestuurders tot een manier van waarnemen en oordelen die het onzichtbare, relationele, morele, spirituele en transcendente domein systematisch buiten beeld laat. Wat Heidegger scherp zichtbaar maakt, is dat dit niet slechts een praktisch probleem is, maar ook een ontologische kwestie: de werkelijkheid toont zich slechts in beperkte vorm. Er is een ‘verhulling’ gaande, die leidt tot verarming van het handelen. In deze ‘Gestel-houding’ toont de werkelijkheid zich slechts voor zover zij functioneel ingezet kan worden binnen een bestaande structuur. Zorg wordt primair zichtbaar als een te managen systeem: patiënten worden cliënten, tijd wordt efficiëntie en kwaliteit wordt gereduceerd tot criteria. Wat zich buiten deze logica bevindt, blijft verhuld. Dit is de kern van Heideggers idee dat elke manier van onthullen altijd gepaard gaat met een vorm van verhullen. 

Betekenisvolle gebeurtenis

We hebben een proces van filosofische reflectie ontwikkeld als een praktische wijze om het onzichtbare van de werkelijkheid te onthullen. Filosofische reflectie legt volgens ons de nadruk op het verhelderen van datgene wat in ons waarnemen en denken verborgen blijft. We begrijpen dit als een manier van denken en ervaren waarin de werkelijkheid opnieuw aan ons verschijnt; niet als bruikbaar object, maar als betekenisvolle gebeurtenis. Verbetering van het handelen is weliswaar een waardevolle uitkomst, maar is niet het primaire doel van de reflectie zelf.

Het beroepsproduct dat wij ontwikkeld hebben, faciliteert het opdoen van inzichten op basis van het ‘ont-bergen’ en begeleidt de doorwerking ervan in de bestuurspraktijk. Dit start met het lezen door bestuurders van een door ons geschreven filosofische tekst (een eerste doorwerking), gevolgd door een dialoog over de betekenis daarvan voor de eigen praktijk (het begin van ‘ont-bergen’). De opvolging is steeds maatwerk en vindt plaats op individueel niveau of in teams, bijvoorbeeld (ook) met een raad van toezicht of een managementteam. De werkvormen bevatten steeds elementen van poëzie en/of kunst om tot een rijkere ervaring van de werkelijkheid te komen. 

De eerste uitvoeringen van dit proces zijn goed ontvangen. Het is ons doel deze werkwijze als een cyclisch product door te ontwikkelen om zo bij te dragen aan een rijkere ervaring van de werkelijkheid van zorg, waarmee het bestuurlijk handelen stevig geworteld raakt in de wezenlijke betekenis van de zorg.

Jurgen Vos werkt als Principal adviseur bij Q-Consult Zorg, waar hij zich inzet om de zorg telkens iets te verbeteren. In zijn huidige werk brengt hij de bedrijfskundige invalshoek samen met de psychologische, aangevuld met oog voor de groepsdynamiek.

Hans Leune is ethicus bij de gehandicaptenzorgorganisatie Cello, en is afgestudeerd aan de HTF als Toegepast Filosoof.

Gideon is slechts een van de Nederlandse en Vlaamse morosofen die zijn verzameld in Morosofie, het tweede deel van De Encyclopedie van de Domheid. Auteur en ‘domgeer’ Matthijs van Boxsel, die recentelijker het boek Het carnaval van het zijn schreef, is al meer dan 25 jaar expert in de morosofen: denkers die algemeen aanvaarde onderzoeksmethodes omhelzen om hun eigen bizarre ficties mee te funderen.

Bizarriteiten
De gehavende, kritische lezer van 2025 kan het misschien niet weerstaan om, in het begin, de ideeën van de morosoof te vergelijken met die van een hedendaagse complotdenker. Morosofie schetst dan ook voorbeelden die de gemiddelde complotkenner bekend voorkomen: dat de aarde plat zou zijn (Klaas Dijkstra) of dat de mens afstamt van buitenaardse wezens (A.W. Mas van Poelje). Hoe kan men, in deze tijd van technologie en wetenschap, in zulke bizarriteiten geloven?

Dit geeft precies aan waar de morosoof en de complotdenker van elkaar verschillen. Waar de complotdenker de moderne wetenschap minacht en wantrouwt, gaat de morosoof vaak de wetenschap voorbij - of zoals Van Boxsel het zelf uitdrukt: “De morosofen verkennen gebieden die aan de kaarten van de wetenschap ontsnappen. Hun werken gunnen ons een blik op een universum dat parallel loopt aan de officieel erkende wereld.” Het zijn academische fantasten die hun waanbeelden stellig verdedigen en die hun excentriciteiten als verlichte ingevingen beschouwen. Newton en Galilei waren ook eerst gekken.

Amateur-complotkenner
Dat betekent niet dat de morosoof een onveranderlijk archetype is, of dat zijn domheid altijd onschuldig is. De een hoopt met zijn uitvinding een einde te maken aan oppressie en fascisme, de ander bepleit de ondergeschiktheid van vrouwen en de superioriteit van het witte ras. Net als mainstream-academici zijn alle morosofen niet over één kam te scheren. Morosofie is dan ook geen boek met een filosofische stelling - het is een naslagwerk, een onderdeel van een ondertussen uitgebreid oeuvre over domheid.

In de inleiding beschrijft Van Boxsel wat hij voelde toen hij Waar eens Troje stond van Iman Wilkens las: “Een sensatie [...] die maar weinig romans kunnen bewerkstelligen.” Als amateur-complotkenner wekte dit een ongekende wens in mij op: om mijzelf te kunnen verliezen in het werk van een denker die hoopt mij te kunnen overtuigen van zijn fantasieën. En onderliggend aan deze wens vond ik een dieper verlangen, namelijk: om mij te laten overtuigen, al is het maar voor even.

  1. Morosofen zijn niet uitsluitend mannen. Het weliswaar incomplete overzicht in De Encyclopedie van de Domheid telt vier vrouwen. Van Boxsel verklaarde dit toentertijd door te stellen dat vrouwen zich vaker ‘verliezen in spiritisme, tongentaal of mystiek.’

Isa Wissink (2000) studeerde filosofie aan Tilburg University. Ze schreef haar scriptie over Hannah Arendts theorie van fictieve werelden, en hun rol in de opkomst van het fascisme. Wissink is opgeleid tot filosofiedocent aan de Radboud Universiteit en is redactielid van het filosofische vakblad Phronèsis.

Van films leer je van alles, bijvoorbeeld hoe mensen reageren in diverse, tot dan toe onbekende situaties. Films draaien vaak om grote levensvragen. Neem nu de vraag: “Hoe moet ik leven?” Dergelijke grote vragen behoren traditioneel tot het domein van de filosofie. Filosofen doen vaak lang en moeilijk over het vinden van een mogelijk antwoord. Films zijn daarentegen snel en aansprekend, en geven ook antwoord op levensvragen. Dat wordt des te duidelijker door film en filosofie op elkaar te laten reageren: dan blijkt dat eigentijdse filmvertellingen tijdloze waarheden onderzoeken. 

Moreel laboratorium
Ik kreeg de kans om mijn fascinatie voor film, filosofie en ethiek te vertalen naar een concreet project: het samenstellen en schrijven van het boek Denken in het donker met Yorgos Lanthimos, een filosofische essaybundel waarin vier auteurs het werk van de Griekse filmmaker Yorgos Lanthimos onder de loep nemen. Het project was voor mij niet alleen een academische opdracht, maar vooral ook een zoektocht naar de toegepaste waarde van filosofie in een wereld vol verhalen, beelden en morele vragen. Films zijn méér dan entertainment. Ze zijn een spiegel, een oefening in inleven, en soms zelfs een moreel laboratorium waarin we als kijkers geconfronteerd worden met fundamentele vragen.

Tijdens mijn onderzoek stelde ik mezelf de vraag: wat kan film betekenen voor filosofie en ethiek, en andersom? Ik verdiepte me in de ontologische en ethische aard van film aan de hand van twee denkers die voor mij richtinggevend zijn geweest: Stanley Cavell en Robert Sinnerbrink. Cavell beschouwt film als een vorm van sceptisch zelfonderzoek: een medium dat ons niet alleen iets laat zien, maar ons ook bevraagt. Sinnerbrink benadrukt juist hoe film niet alleen appelleert aan ons denken, maar ook aan ons voelen: we ervaren morele dilemma’s via de emotionele reis van de personages. Deze filosofische kaders vormden het fundament van het boek dat ik vervolgens mocht samenstellen.

Krachtig filosofisch instrument
In Denken in het donker met Yorgos Lanthimos worden vier van zijn films door verschillende auteurs filosofisch ontrafeld. Lanthimos’ werk staat bekend om zijn vervreemdende, absurdistische toon. Zijn verhalen spelen zich af in werelden die net niet de onze zijn, maar juist daardoor des te beter laten zien waar het schuurt. Hij stelt vragen over macht, moraal, liefde, autonomie en identiteit: vragen die rechtstreeks raken aan de kern van wat het betekent om mens te zijn. Door deze films te analyseren aan de hand van filosofische concepten, merkte ik hoe krachtig de combinatie van beeld en denken kan zijn.

Wat mij tijdens dit project het meest raakte, is hoe film als medium in staat is om ethische kwesties voelbaar te maken. Filosofie stelt ons de vraag: “Hoe moet ik leven?” en film laat ons ervaren wat er op het spel staat bij het beantwoorden van die vraag. We leven in een wereld waarin we voortdurend keuzes moeten maken, balancerend tussen persoonlijke vrijheid, verantwoordelijkheid en sociale normen. Film helpt ons om deze abstracte kwesties concreet te doorvoelen, en dat maakt het tot een krachtig filosofisch instrument.

Juist nu hebben we behoefte aan plekken waar ruimte is voor nuance, twijfel en reflectie. Film kan zo’n plek zijn.

Nieuwe manieren van denken
Het boek is inmiddels opgenomen in de bestaande reeks Denken in het donker van ISVW Uitgevers en is daar met veel enthousiasme ontvangen. Maar voor mij eindigt het project daar niet. Ik zie het als mijn missie om het boek verder onder de aandacht te brengen: bij lezers, filmkijkers, docenten, studenten en iedereen die bereid is om met andere ogen naar verhalen te kijken. Want ik geloof dat iedereen iets kan leren van film, juist wanneer we het medium film serieus nemen als filosofisch materiaal.

De maatschappelijke relevantie van dit alles kan volgens mij niet worden overschat. We leven in een tijd van snelle meningen, politieke verdeeldheid en technologische versnelling. Juist nu hebben we behoefte aan plekken waar ruimte is voor nuance, twijfel en reflectie. Film kan zo’n plek zijn. En filosofie biedt het gereedschap om wat we zien en voelen ook werkelijk te begrijpen. Door film en filosofie met elkaar te verweven, ontstaan nieuwe manieren van denken, voelen en spreken over ons bestaan. ‘Denken in het donker’ betekent voor mij: kijken naar wat ongemakkelijk is, luisteren naar wat niet meteen gezegd wordt, en bereid zijn om opnieuw na te denken over dat wat we dachten te weten. Film is daarbij een hulpmiddel.

Anne-Mathije Bogerd, HTF-alumna en auteur essaybundel over filosofie en film

Anne-Mathije Bogerd is filosoof, spreker, schrijver en moderator, en werkt daarnaast als actieonderzoeker in het sociale domein. In haar vrije tijd schrijft zij over de filosofie van het alledaagse en probeert ze filosofie zo toegankelijk mogelijk te maken voor een breed publiek. Ze werkt vanuit haar eigen onderneming ‘Filosoof Anne-Mathije’. 

© HTF Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) B.V. 2026
Webdesign: SaffrieDesign
cross
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram