info@hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl
+31(0)85 8769712
Contact

Op dit slagveld te Quatre-Bras probeert Vos Jacobsz zijn fortuin te maken. Met beitel en hamer ontdoet hij de jonge lijken van hun gave gebitten, die nog niet zijn aangetast door koffie, thee, alcohol, suiker of tabak. In Londen, waar hij zich voor zal doen als de edele Jacoby Fox, zal hij deze tanden verkopen. Door een tandarts - tot voor kort nog een vak geassocieerd met slagers en martelaars - zullen deze tanden omgezet worden in nieuwe protheses voor de Britse elite. Er is echter één set, compleet en volmaakt, die Vos voor zichzelf wil houden.

TRANSHUMANISME

Vos is een ambitieuze jongen. Hij groeit op in de schaduw van een kasteel met een moeder die hem vertelt dat zijn vader een edelman is. Wanneer zij in het kraambed sterft, vertrekt Vos om zijn fortuin te zoeken - een fortuin dat hem, vindt hij, van nature zou moeten toekomen. Hij is immers van nobel bloed.

De ambitie van Vos verandert hem, zowel mentaal als fysiek. Het begint met zijn nieuwe gebit: het geeft hem een vernieuwd zelfvertrouwen en directe toegang tot een hogere sociale klasse, maar ook een steeds groeiende honger naar meer. Zijn ontmoeting met de mysterieuze Margaux brengt zijn leven in een erotisch-romantische stroomversnelling.

De details van zijn transformatie zal ik geheim houden (lees daarvoor vooral zelf het boek), maar Vos lijkt voor mij een voorloper van het moderne transhumanisme: een filosofische stroming die door middel van technologie en genetische manipulatie de grenzen van het menszijn probeert te doorbreken. In Filosofie Magazine schrijft Ivana Ivkovic hierover: “Het gaat […] niet om een nieuwe benadering van de mens [...] maar om het bedenken van een nieuwe, ‘transhumane’ levensvorm, voorbij de mens.”(1)

DUISTERE KANTEN

Filosoof Amber Case stelt dat we door het gebruik van technologie allemaal cyborgs zijn. Kleurenblinde biohacker Neil Harbisson gebruikt een antenne om kleuren in muziek om te zetten en heeft een kompas in zijn knie. Nieuwe technologie kan symptomen van degeneratieve ziektes verminderen, soms zelfs de kans op die ziektes verlagen. 

Er zitten echter ook duistere kanten aan het transhumanisme, die gedreven worden door hubris en kapitaal. Zo waarschuwt filosoof Francis Fukuyama dat extreem transhumanisme onze mensenrechten zal schenden, het verschil tussen arm en rijk zal vergroten, en zelfs kan overgaan in eugenetica. Enkele bekende namen die biljoenen investeren in transhumanisme zijn Elon Musk en Jeff Bezos. Ethicus Michael Sandel vergelijkt transhumanisten met Prometheus: misschien goedwillend, maar uiteindelijk gestraft voor zijn overmoed.

LYRISCH MEESTERWERK

Dit geldt ook Vos Jacobsz. Zijn leven is een strijd tussen zijn dromen en zijn afkomst, zijn jeugd in het huis van een arme houthakker en zijn streven naar hogere kringen. De edele Margaux probeert hem te waarschuwen en hem op een afstand te houden, maar het mag niet baten: zijn nieuwe tanden hebben van hem een nieuw mens gemaakt.

Op een puur stilistisch niveau is Tandenjager een lyrisch meesterwerk vol met prachtige taal, speelse metaforen en ondeugende verwijzingen naar het verleden en het heden. Kortom, een zomerboek om op te eten. 

(1)  Ivkovic, Ivana. ‘Transhumanisme.’ Filosofie Magazine, 25 maart 2014. https://www.filosofie.nl/transhumanisme/ 

Isa Wissink (2000) studeerde filosofie aan Tilburg University. Diens scriptie behandelde Arendts theorie van fictieve werelden en hun rol in de opkomst van het fascisme. Wissink werkt bij Phronèsis als redactielid en geeft les over de Nederlandse rechtsstaat bij ProDemos.

We kennen allemaal de bekende ‘-cides’. Denk aan pesticide (het doden van ongedierte), 

suïcide (zelfdoding) en het helaas weer relevante genocide (de systematische vernietiging van een bevolkingsgroep). Er zijn minder bekende termen, zoals ‘deïcide’ (het doden van een god), ‘regicide’ (het doden van een koning of vorst) en ‘amicide’ (het doden van een vriend). En relatief nieuwe, urgente varianten, zoals ‘ecocide’: grootschalige natuurvernietiging, waarbij ecosystemen zelf, maar ook groepen mensen en andere levende wezens in hun bestaan bedreigd worden. 

AANWINST

Dergelijke termen werken heel goed om het bestaan van een fenomeen, meestal een probleem, te markeren. Je kunt pas iets erkennen als er een woord voor is, zo simpel is het. Het Latijn (‘femicide’ bestaat uit fēm(ina): vrouw en caedere: doden) maakt het probleem meestal universeel en internationaal bespreek- en bestrafbaar. Voor filosofen is een ‘-cide’ de manier om iets dat in de kern abstract is en het product is van ons denken, tastbaar en beschermbaar te maken. Filosoof Hans Achterhuis heeft recent bij de ISVW het boek Democraticide het licht doen zien: over de wereldwijde afbraak van democratische instituties - in feite bedachte afspraken - en hoe we ons daartegen moeten verweren. 

Tijdens de discussieavond ‘Kennismakers: blik op femicide’ bij De Balie op 15 april jl. - op Youtube terug te kijken - werd duidelijk dat de term ‘femicide’ een aanwinst is. De bekende rechtbankverslaggever Saskia Belleman gaf aan dat er nu een term is voor geweld waar in het verleden eufemismen als ‘familiedrama’, ‘eerwraak’ of ‘crime passionel’ werden gebruikt. Belleman heeft op de Telegraaf-redactie flink strijd moeten voeren om via ‘femicide’ iets verder achter de voordeur te kijken. Barbara Godwaldt, een deskundige van de Blijf Groep - en helaas ook slachtoffer, aangezien haar zus door femicide om het leven is gekomen - gaf aan dat nabestaanden het fijn vinden dat er een duidelijke term is zodat we in Nederland gaan zien hoe groot het probleem is.

DEFINITIE VAN DE VN

Maar hoe breed moet de definitie zijn? Wie of wat valt er binnen? Voor PRO-kamerlid Songül Mutluer was het belangrijk dat ‘femicide’ de aandacht in ieder geval verbreedt van (alleen) eerwraak tot het doden van vrouwen in het algemeen, en niet meer als allochtonenprobleem wordt gezien, dat opgelost zou kunnen worden door de landsgrenzen te sluiten. Maar voor Janine Jansen, lector Geweld in Afhankelijkheidsrelaties, hoogleraar Criminologie en Rechtsantropologie én werkzaam bij de politie, is de definitie niet breed genoeg: we bedoelen er vaak dodelijk huiselijk geweld mee, door een mannelijke (ex-)partner, of geweld door een onbekende mannelijke dader (zoals bij de Amsterdamse Lisa, vorig jaar zomer). Het gaat om ruim veertig slachtoffers per jaar. Maar er zijn maar liefst 1,3 miljoen slachtoffers van niet-dodelijk huiselijk geweld. Blijft daar dan wel genoeg aandacht voor? 

De definitie van de VN is heel ruim. Vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel, gedwongen arbeid of slavernij, vrouwen in de seksindustrie, slachtoffers van seksueel geweld voor, tijdens of na de moord, en vrouwen die omkomen door complicaties bij besnijdenis, vallen er ook onder, maar blijven in de discussie in Nederland vaak buiten beschouwing. 

Jansens tweede punt bouwde hierop voort: vrouwenbesnijdenis wordt vaak uitgevoerd door vrouwen. Vrouwen zijn in staat om geweld te plegen tegen andere vrouwen, en tegen mannen. In maar liefst veertig procent van de gevallen is er (ook) sprake van mannelijke slachtoffers, die zich vaak schamen om naar voren te stappen. Barbara Godwaldt vult haar aan: jongens en mannen kunnen ook secundaire slachtoffers zijn van femicide, omdat ze als lid van het gezin vermoord worden, of omdat ze de vrouw wilden beschermen. 

TACTISCHE OVERWEGING

Moet je dan niet richting een meer genderneutrale definitie? Onderzoekers van de Universiteit Maastricht, die aantoonden hoe femicide-zaken door rechters en officieren van justitie te weinig als zodanig worden (h)erkend, pleitten hier juist tegen omdat de definitie dan te breed wordt, wat ten koste gaat van de zichtbaarheid. Spanje werkt bijvoorbeeld met rechtbanken voor gendergerelateerd geweld met speciaal opgeleide rechters en officieren van justitie. Daarnaast hanteert Spanje één vaste juridische definitie van femicide: ‘de moord op een vrouw door een man vanuit machismo of misogynie (vrouwenhaat)’. 

Mutluer bracht een interessante tactische overweging in: ze diende in 2025 een initiatiefwetsvoorstel in, waarin ze zich expliciet beperkt tot  (ex-)partnergeweld tegen vrouwen, omdat ze daar meer draagvlak en geld voor kan genereren in Den Haag. Maar doordat ze er ook psychisch geweld, stalking en andere waarschuwingssignalen bij betrekt, gaat het gesprek ook over gevaarlijke patronen, waar in principe iedereen zich in kan herkennen. Ook Belleman zag ‘femicide’ als een nuttig instrument om het veel meer over de onderliggende ongelijke machtsrelaties te hebben.  

ZIJN EN DOEN

Welbeschouwd kan een definitie iets ‘zijn’ en iets ‘doen’. Het interessante aan de discussie is dat je het eens kunt zijn over het doel (geweld voorkomen), maar dat je er taalkundig en vooral tactisch over van mening kunt verschillen hoe je dat bereikt. Waar iedereen het in De Balie wel over eens was: er zaten veel te weinig mannen in de zaal.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis.

Wat zie je en hoor je als je je aandacht richt op een boom? In ‘Silent friend’ staat een boom centraal, een gingkoboom in de botanische tuin van de universiteit van Marburg, geplant in 1832. Regisseur Ildikó Enyedi brengt minutieus alle facetten van deze gingko biloba of Japanse notenboom in beeld. 

Het ontkiemen van een zaad. Het wortelstelsel onder de grond, dat het regenwater opneemt. De stam met dikke groeven. De groene blaadjes in de vorm van een waaier. De golvende bladgroenkorrels door een microscoop. De goudgele bladeren in het najaar. 

Je kijkt niet alleen naar de boom; je luistert er ook naar. Als in de openingsscène een zaad ontspruit, maken de geluidseffecten de groei van een wortel en stengel plastisch en voelbaar. Enyedi zegt daarover in een interview: “We hebben twee hele dagen gewerkt aan het geluid voor dat ene shot: het moest duister en unheimisch zijn, bijna buitenaards. Vanaf het eerste moment tonen we dat dit geen film is over schattige kleine plantjes, maar dat dit wezens zijn met hun eigen realiteit.” 

DRIELUIK

‘Silent friend’ gaat niet alleen over een boom. De film gaat ook over mensen die zich bewegen in de buurt van deze gingkoboom in de universiteitstuin. Het zijn de drie mensenlevens die voor mij in eerste instantie op de voorgrond stonden. Zo is er de Hongkongse neurowetenschapper Tony, die de hersenactiviteit van baby’s bestudeert. Voor een gastcollegereeks is hij naar het Duitse stadje Marburg gekomen, maar na zijn eerste college valt het onderwijs stil door de coronapandemie en blijft hij alleen achter op de universiteit. Ook volgen we in zwart-wit-beelden het verhaal van Grete, die begin twintigste eeuw als eerste vrouwelijke student wordt toegelaten tot de faculteit biologie. En dan is er nog Hannes, die begin jaren zeventig literatuur studeert en verliefd wordt op zijn huisgenote Gundula, een biologiestudente die onderzoek doet naar de waarneming van planten. 

Als kijker puzzel je die drie verhalen uit 1908, 1972 en 2020 aan elkaar. Drie mensen die zich in verschillende tijden op dezelfde plek bevinden. Drie mensen die in beeld komen met de gingkoboom uit 1832. En drie mensen die op eigen wijze onderzoek doen naar bomen en planten. Grete ontleedt, classificeert en fixeert bloemen en planten op de faculteit, en brengt ze op een esthetische manier in beeld als ze de technieken van de fotografie leert. Hannes, die eerst nog zei niet van planten te houden, neemt de verzorging van de tuin en het experiment van Gundula over, en zoekt een manier om te communiceren met een geranium. En Tony raakt tijdens de lockdown geïntrigeerd door de gingkoboom en past zijn onderzoek met elektromagnetische golven toe op de imposante boom.

HET PERSPECTIEF VAN DE BOOM

De drie verhalen bewegen zich om die ene gingkoboom uit 1832. Daarbij verschuift langzaam het perspectief. Eerst kijk je vanuit de personages naar de boom: via Tony kijk je naar de bast, via Grete naar de wortels die net boven de grond komen, via Hannes naar de takken. Maar na verloop van tijd is er een verschuiving in het perspectief. Vanuit de boomkruin zien we op de achtergrond Hannes zijn boek lezen, vanaf een tak zien we beneden Grete roken en vanaf de diepte van de wortels horen we de geluiden van Tony die moet overgeven. De camera heeft het perspectief van de boom aangenomen. Wij kijken vanuit de bijna tweehonderdjarige gingkoboom naar de nietige mensenlevens. ‘Silent friend’ laat zien dat de gingkoboom niet alleen een levend wezen is om goed naar te kijken en te luisteren, maar dat de boom zelf ook een wezen is, dat kijkt en luistert. De verschillende verhaallijnen en de specifieke filmstijl maken die perspectiefwisseling volkomen geloofwaardig. 

VERSTAAN

Het idee van de mens als middelpunt van de natuur - je weet dat het een achterhaald beeld is, en toch is het behoorlijk hardnekkig. ‘Silent friend’ laat je ervaren hoe natuurlijk en reëel een ander perspectief is. Alle pogingen van contact tussen mens en boom laten je tegelijkertijd juist de moeilijkheid - en schoonheid - van contact tussen mensen zien. 

Tijdens de lockdown bewegen de neurowetenschapper en de conciërge op grote afstand van elkaar. De beheerder dient zelfs een klacht in over het vreemde gedrag van de wetenschapper. Als ze uiteindelijk toenadering zoeken, samen eten en met hulp van een vertaalapp in gesprek raken, levert het een ontroerende scène op. 

Je verplaatsen in een boom maakt je bewust van hardnekkige vooronderstellingen waarmee je leeft. Die perspectiefwisseling en het opzijzetten van je vooringenomenheid doen ook iets met de blik op je medemensen. Je verplaatsen in een boom maakt je nog meer mens.

Carolien van Welij (1977) is filosoof en neerlandicus. Ze is redacteur van Phronèsis en docent aan de HTF. In 2023 verscheen haar boek Wat denken doet. Als filosofie je leven verandert (ISVW Uitgevers). Carolien biedt cursussen, lezingen en individuele trajecten ‘Doorleefde filosofie’, waarin deelnemers filosofische thema’s en methodes toepassen op eigen vraagstukken. carolienvanwelij.nl

Praktische filosofie wordt van oudsher vergeleken met verloskunde, omdat zij niet primair kennis overdraagt, maar probeert iets wat al impliciet aanwezig is naar boven te krijgen. Socrates noemde zijn methode zelf maieutiek: een soort geestelijke ‘vroedvrouwkunst’. In Plato’s Theaetetus zegt Socrates dat hij zelf geen wijsheid ‘inbrengt’, maar anderen helpt om gedachten, inzichten en waarheden te ‘baren’. Je kunt de vergelijking doortrekken: soms moet je als vroedvrouw inleiden, provoceren of andere kunstgrepen inzetten om een geboorte op gang te brengen. Socrates zelf was bepaald geen vrijblijvende gespreksleider. 

INTIMIDEREND

Waardenroulette is een filosofische onderzoeksvorm voor een groep van 10-15 deelnemers, die heel dwingend is: je krijgt in duo’s steeds twee waarden toegewezen op basis van het lot. Bijvoorbeeld door twee getallen onder de honderd te kiezen, waarna de gespreksleider uit onderstaande lijst de twee corresponderende waarden zoekt. (Je kunt ook een lijst met ‘gewone’ filosofische begrippen, zoals ‘natuur’ of ‘tijd’, hanteren - dan heet de oefening ‘Conceptroulette’. Maakt niet veel uit.) 

Als je de twee waarden toegewezen hebt gekregen (zeg: ‘respect’ en ‘vrijheid’ of ‘waardigheid’ en ‘verbinding’), vraagt de gespreksleider je om een stelling te formuleren die 1) prikkelend is, 2) waar is en 3) als waar verdedigd kan worden op basis van een eigen, echte ervaring. Dit is een opdracht die nogal intimiderend over kan komen. Omdat je samen bent, kun je de uitdaging wel beter aan en heb je meer wijsheid en denkkracht om uit te putten. Het voorkomt ook dat je je als individuele deelnemer al te veel met je rug tegen de muur gezet voelt.

SAMEN IN GESPREK

De gespreksleider stelt zich streng op: je moet werken met de waarden die je hebt gekregen en je stelling moet aan alle eisen voldoen. De gespreksleider moet, als het lot waarden bepaalt die te dicht bij elkaar liggen, ook durven ingrijpen. ‘Openheid’ en ‘transparantie’ gaan misschien geen goede stelling opleveren. Ook kan zij voorbeelden van stellingen geven die niet en wel prikkelen. “Je moet altijd respect hebben voor iemands vrijheid van meningsuiting”, is misschien wel controversieel en boud, maar zet vooral aan tot discussie, niet tot onderzoek. “Je kunt alleen vrij zijn als je jezelf respecteert” of “Je kunt iemand alleen respecteren als je werkelijk vrij bent”, zijn stellingen waar toehoorders meteen mee aan de slag gaan in hun hoofd. Het is geen harde wetenschap, maar je kunt als gespreksleider wel een neus ontwikkelen voor wat ‘prikkelend’ is. Een filosofische achtergrond helpt daarbij, uiteraard.

Je krijgt als duo een kwartier om samen in gesprek te gaan en verschillende combinaties van waarden in een stelling te gieten die aan alle eisen voldoet en dus ook op basis van een ervaring kan worden toegelicht. De gespreksleider loopt rond en vraagt na vijf minuten en na tien minuten hoever elk duo is, en helpt waar nodig met het doorhakken van knopen of herformuleren van een stelling. Na een kwartier presenteert elk duo zijn stelling: eerst worden de toevallig toegekende waarden herhaalt, daarna volgt de stelling en ten slotte de ervaring. De gepreksleider begeleidt vervolgvragen, afhankelijk van de beschikbare tijd.

CONCEPTUELE LENIGHEID

De opbrengst zit in eerste instantie in de conceptuele lenigheid die je ontwikkelt, doordat je gedwongen wordt om te spelen met willekeurige normatieve begrippen, door ze op verschillende manieren te verbinden en er chocola van te maken. Je leert ook hoe waarden pas echt betekenis krijgen, en houvast bieden in relatie tot andere waarden en tot de geleefde praktijk. Maar bovenal leer je dat je al heel weet, veel wijsheid en ervaring in huis hebt. Klaar om ter wereld te brengen! 

Niet elk duo staat versteld van de eigen opbrengst, maar de groep als geheel raakt altijd geïnspireerd en op elkaar ingespeeld. Waardenroulette is zo de ideale appetiser om met een groep verder onderzoek te doen naar hun (kern)waarden.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis.

Natuurlijk had ik bij thuiskomst De essays erop na kunnen slaan, om na enig geblader er waarschijnlijk achter te komen dat Montaigne het op zijn minst genuanceerder of misschien wel helemaal anders bedoeld had. En daar had ik dan een brave beschouwing aan kunnen wijden, bijvoorbeeld over het belang van taal. Maar eenmaal thuis, had ik andere dingen te doen, totdat ik op een onbewaakt ogenblik moest denken aan momenten in mijn leven waarop de woorden niet vanzelf kwamen. 

Bijvoorbeeld toen ik bij IDFA was uitgenodigd om mee te doen aan een paneldiscussie. Het was nog voor de tijd van de LLM’s en ik had net een boek geschreven over hoe de toekomst zou worden vormgegeven door artificiële intelligentie. Een vrouw uit de zaal vroeg zich af of computers menselijke eigenschappen helemaal konden nabootsen. Zelf dacht ze dat AI weliswaar veel zou kunnen, maar dat de mens uniek zou blijven door zijn creatieve vermogens, wat bijvoorbeeld tot uiting kwam in de kunstzinnige documentaires die we net hadden gezien.   

Het daadwerkelijk gegeven antwoord kon ik me niet meer herinneren. Maar opeens wist ik wat ik daar ongeveer had willen zeggen. Namelijk dat zij daar helemaal gelijk in had en dat wij filosofen al heel lang heel goed zijn om aan te geven wat computers allemaal niet kunnen. Maar dat er, terwijl we hier leuk over aan het keuvelen waren, met AI een wereld zou worden gecreëerd waarin kunst, film, filosofie en andere creatieve uitingen tot marginale randverschijnselen zouden worden gedegradeerd. Natuurlijk zouden ze blijven bestaan. Maar in een soort reservaat, wellicht opgericht met subsidies uit de big-tech-sector, vergelijkbaar met de reservaten voor bedreigde diersoorten. Wellicht zou er soms iemand uit de echte wereld langskomen, om een kunstwerk te bekijken of een gedicht te lezen, zoals ze op een ander moment naar Afrika zouden reizen om een giraffe te zien. Maar de kunst zou zonder impact blijven; de maatschappelijke positie die het tijdenlang heeft gehad, zou volledig worden ondermijnd. 

Ik wist niet of ik het er helemaal mee eens was. Maar het was beter geformuleerd dan de inval die ik daar op het podium had. En deze ervaring, dat je achteraf wel weet wat je had moeten zeggen, hebben we natuurlijk allemaal regelmatig. Het voortdurend evalueren en analyseren van je eigen gedrag is onderdeel van het proces van jezelf vervolmaken. Ik moest opeens denken aan de vele aandacht die er de laatste tijd was voor de trainingsprocessen van de LLM’s: de gigantische datasets die de computers gevoerd kregen, de magische statistische operaties die erop werden uitgevoerd, en de energie die dit alles kostte. En ik hoopte dat er evenveel aandacht zou komen voor het trainingsproces van de mens - dat we hopelijk gewoon scholing zullen blijven noemen. 

Het denken en het schrijven is een voortdurend tasten: een tasten in de duisternis, een zoektocht naar de goede woorden - die uiteindelijk misschien ook gevonden worden. Verschillende discoursen kunnen ons daarbij helpen: hoe we ons moeten onderdompelen in poëzie, films, filosofie, kranten, discussies en romans, omdat daar de woorden te vinden zijn die we kunnen gebruiken.

Sake van der Wall (1979) studeerde taalfilosofie, literatuurwetenschap en journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft sinds 2010 voor De Speld en doceert filosofie aan een middelbare school. Tevens is hij als docent cultuur en media verbonden aan de Hogeschool voor Toegepaste filosofie.

De vraag naar versterking van de teamcohesie ontstond binnen de praktijk van Autismepunt: een particuliere zorgorganisatie die gespecialiseerde ondersteuning biedt aan mensen met autisme. In het begeleidingsteam van 43 medewerkers bleek dat samenwerken geen vanzelfsprekendheid is. In de praktijk werken zorgprofessionals van Autismepunt vaak autonoom. 

GEEN COHESIE

Zij handelen voortdurend in diverse, onvoorspelbare en complexe situaties om recht te doen aan het maatwerk dat de praktijk van hen vraagt. Daardoor ontbreekt zicht op elkaars werk en op de manier waarop ieder betekenis geeft aan gedeelde waarden. Individuele afwegingen en verantwoordelijkheid zorgen ervoor dat welwillende professionals onbewust verschuiven van een teamgerichte naar een individueel cliëntgerichte werkwijze. Het zijn professionals die naast elkaar werken: er is sprake van samenhang, maar geen cohesie. Teamleden doen hetzelfde werk, maar ervaren weinig relationele verbondenheid op teamniveau. Dit leidt tot problemen als onduidelijkheid over de gezamenlijke richting, terughoudendheid in het bespreken van verschillen, onzekerheid over verwachtingen, gebrek aan teamloyaliteit en subgroepvorming.

GEDEELD REFERENTIEKADER

Deze problematiek speelt zich niet alleen op praktisch niveau af, maar raakt aan diepere vragen over wat ‘goed handelen’ is. Dit vraagt niet alleen om een oplossing, maar om een andere manier van kijken. In het interventieprogramma krijgt deze manier van kijken vorm, geïnspireerd door de Britse filosoof Alastair MacIntyre, die in zijn boek Na de deugd (MacIntyre, 1981/2025) o.m. sociale praktijken bespreekt. Vanuit dit perspectief wordt cohesie niet gezocht in structuur, afspraken of procedures, maar in de mate waarin teamleden zich gezamenlijk richten op wat zij binnen hun werk als waardevol beschouwen. Deze gezamenlijke oriëntatie ontstaat niet vanzelf en blijft alleen bestaan wanneer teamleden deze voortdurend verhelderen, bespreken en onderhouden in hun handelen zelf.

Dit werkt door in de opbouw van het programma. Het begint met het creëren van een gedeeld referentiekader voor verdere gezamenlijke reflectie en oordeelsvorming. Vervolgens staat het gezamenlijk hanteren van gedeelde waarden in complexe praktijksituaties centraal, zodat abstracte waarden betekenis krijgen in het professionele handelen. Tot slot ligt de nadruk op het doorwerken van gedeelde waarden en gezamenlijke oordeelsvorming in het dagelijkse handelen en de onderlinge afstemming. 

CONCREET ANTWOORD

Het interventieprogramma is daarmee geen eenmalige interventie, maar een proces waarin deliberatie telkens centraal staat: een gezamenlijk gesprek, waarin teamleden afwegingen zorgvuldig onderzoeken en toewerken naar een gedeeld oordeel. Zo kan wat in gezamenlijke reflectie naar voren komt zich in de tijd verder ontwikkelen en doorwerken in het handelen. Het programma biedt hiervoor een structuur, zodat reflectie en praktijk verbonden blijven en teamleden cohesie niet veronderstellen, maar gaandeweg opbouwen.

Het programma kan zo meebewegen met de veranderlijke context van de zorg. De nadruk op autonomie en maatwerk gaat samen met toenemende eisen rond verantwoording en efficiëntie. Dit vergroot de spanning tussen individueel oordeel en gezamenlijke afstemming. Het interventieprogramma geeft hier een concreet antwoord op.

Het programma gaf de teamleden een gevoel van thuiskomen, doordat zij zichzelf, het team en hun plek daarin beter leerden begrijpen.

GEDEELDE BETEKENIS

Het filosofische karakter van dit beroepsproduct ligt in de manier waarop het een andere opvatting van professionaliteit en van het team als praktijk zichtbaar maakt. Waar professionaliteit vaak wordt opgevat als het volgen van regels, verschuift dit hier naar het gezamenlijk ontwikkelen van oordeelsvermogen. Teamcohesie ontstaat daarbij niet door overeenstemming, maar in het onderzoeken van verschillen. Door die verschillen samen te verkennen, ontwikkelen teamleden gedeelde betekenis.

Waardenspanningen krijgen hierin een centrale rol, niet als probleem, maar als katalysator van de cohesie omdat juist spanning het gesprek verdiept. Verschillen die niet eenvoudig te verenigen zijn, vragen om meer dialoog. In het voeren van die dialogen ontstaat een teamgevoel.

NORMATIEVE PROFESSIONALISERING

De toegepaste aard van dit beroepsproduct blijkt uit het feit dat de inzichten niet op het niveau van analyse blijven, maar zich vertalen in concrete werkvormen en praktische hulpmiddelen. De praktische hulpmiddelen bestaan uit een waardenkaart, toelichtingskaarten en dialoogkaarten. De waardenkaart maakt zichtbaar wat binnen de praktijk als belangrijk en waardevol geldt, en biedt een gedeeld referentiepunt. Toelichtingskaarten laten zien hoe deze waarden richting geven aan professioneel handelen, zonder ze vast te zetten. Dialoogkaarten maken waardenspanningen en lastige vragen expliciet en nodigen uit tot een verdiepend gesprek. Deze hulpmiddelen zijn erop gericht het gesprek te ondersteunen en te verdiepen.

Door het gezamenlijke onderzoeken van waarden en spanningen draagt het beroepsproduct bij aan normatieve professionalisering: professionals leren hun handelen gezamenlijk doordenken en verantwoorden. In die zin ondersteunt het interventieprogramma duurzaam teamcohesie, professionele identiteit en normatieve afstemming.

VERADEMING

Het management van Autismepunt heeft het interventieprogramma met enthousiasme omarmd en besloten het volledig te implementeren. Daarnaast heeft het management een opleiding tot gespreksleider moreel beraad ingekocht voor 12 medewerkers, zodat deliberatie structureel kan doorgaan. Maar wat mij vooral bijblijft, zijn de reacties van de teamleden. Zij gaven unaniem aan deze aanpak als een verademing te ervaren. Het gaf hen een gevoel van thuiskomen, doordat zij zichzelf, het team en hun plek daarin beter leerden begrijpen. Zoals een teamlid het verwoordde: “Ik ga hier echt van aan!”

Dit bevestigt voor mij dat toegepaste filosofie nog maar net begonnen is haar mogelijkheden te tonen.

Referentie

MacIntyre, A. (2025), Na de deugd (W. Visser, Vert.). Uitgeverij Ten Have. (Origineel werk gepubliceerd in 1981)

Leander Westerbeek van Eerten werkt als trainer en begeleider binnen de autismehulpverlening. Op 19 februari 2026 studeerde hij af aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Voor zijn afstudeerproject ontwikkelde hij binnen Autismepunt een interventieprogramma om teamcohesie te versterken. Daarin verbindt hij filosofische reflectie op waarden met concrete werkvormen voor professionele teams.

Aan de andere kant van de lijn hoor ik de medewerker van het verzorgingshuis in paniek roepen: “Hij is weg, hij is weg, vind hem zo snel mogelijk anders vriest hij dood.” Ik roep de noodhulp op: 

Ik draai mij om naar het scherm. We mogen de foto’s nog niet gebruiken. Ik verstar, ik twijfel, ik aarzel. Als ik nu klik, dan kijken 10.000 camera’s uit naar zijn gezicht en is hij zo gevonden. Maar real-time gezichtsherkenning met behulp van AI is, hoewel technisch mogelijk, nog niet toegestaan in Nederland. 

INTERACTIEVE SESSIE

Op 25 maart 2026 werd in Breda een ICT-festival gehouden voor de Veiligheidsregio en Brandweer van Midden- en West-Brabant. De centrale vraag was: “Hoe bouwen we samen aan een robuuste, slimme en toekomstbestendige informatiepositie?” AI transformeert de publieke veiligheid met snellere noodhulp, slimmere crisiscoördinatie en efficiëntere processen. Maar wanneer volg je een AI-advies op? Lianne Tijhaar, docent aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie, begeleidt het festival als toegepast filosoof en neemt een groep veiligheidswerkers mee in een interactieve sessie waarin morele, praktische en risico-afwegingen van AI worden onderzocht. 

Lianne opent de sessie als volgt: “Filosofen kijken soms net even anders naar de werkelijkheid dan techneuten. Een collega-techneut zei eens tegen mij: ‘Ik zoek naar oplossingen en jij zoekt naar problemen.’ In deze sessie gaan we op onderzoek uit: Waar zit de spanning? Welke waarden staan op het spel?” Lianne neemt de deelnemers mee in twee werkvormen.

“Filosofen kijken soms net even anders naar de werkelijkheid dan techneuten.”

CASUS

In de eerste werkvorm schetst Lianne verschillende scenario's in het AI-veiligheidsdomein. Ze polst de intuïtieve reacties van de deelnemers met behulp van emotiekaarten. Daarna volgt een dialoog.

De tweede werkvorm is een spel met een fysieke rode lijn, waarbij de groep op basis van een concrete casus beweegt tussen ‘waar’ of ‘onwaar’. Lianne maakt duidelijk dat het een gezamenlijk onderzoek is. We hoeven niet op zoek naar oplossingen en consensus. Het is niet nodig elkaar te overtuigen of te beïnvloeden: voel je vrij om je eerste intuïties te delen en daar later weer op terug te komen. Het gaat om de volgende casus: 

Tijdens een groot muziekfestival van de Toppers analyseert een AI-systeem continu camerabeelden en telefoonsignalen, zodat alle mensen in en om de Johan Cruijff Arena doorlopend gemonitord kunnen worden. Het systeem voorspelt waar opstoppingen of spanningen kunnen ontstaan en stuurt de beveiliging proactief aan. 

Welke emoties roept deze casus op? Verschillende emotiekaarten gaan de lucht in.

Iemand zegt: “We kunnen zo voorkomen dat mensen in de verdrukking komen.” Een ander mort dat het een beperking van zijn vrijheid is. “Die data worden ergens opgeslagen, terwijl ik dat misschien helemaal niet wil,” vult een ander aan. “Er is geen privacy in de publieke ruimte,” werpt iemand tegen. Lianne daagt de groep verder uit en vraagt of we moeten accepteren dat we door camera’s worden vastgelegd als we daarmee de veiligheid vergroten. Een ingewikkeld vraagstuk, zo blijkt uit de reacties. De groep beweegt zich qua opvatting tussen twee uitersten: aan de ene kant volledige vrijheid en aan de andere kant volledige controle. Iedereen positioneert zich verschillend op die schaal: er is geen gedeeld begrip van wat ‘goed’ is.

STELLING

Lianne legt de volgende stelling aan de groep voor: 

De echte risico’s zitten niet in AI maar in de mensen die AI gebruiken. 

“Stap over de rode lijn als je het eens bent met deze stelling,” zegt Lianne. De groep begint te bewegen. Men aarzelt en kijkt om zich heen. De meesten zijn het met deze stelling eens. We hebben toch zelf controle over de techniek? We kunnen AI beïnvloeden. Een enkeling is sceptischer: we begrijpen nu al niet meer hoe AI werkt. Bovendien is AI discriminerend.

De groep buigt zich over deze stelling vanuit het perspectief van veiligheid. De ideeën over veiligheid zijn sturend voor de opvattingen over een verantwoorde inzet van AI. Lianne laat vervolgens zien dat er ook nog iets anders fundamenteels gebeurt: Techno moral change. Dit is het proces waarbij nieuwe technologieën onze morele overtuigingen, waarden, normen en gedragingen fundamenteel veranderen. Zo hoorde zij tijdens de conferentie iemand zeggen: “De mooiste calamiteit is de calamiteit die niet gaat gebeuren.” Blijkbaar is een mogelijke calamiteit door techniek ook een calamiteit geworden. Met behulp van AI en grote hoeveelheden data kunnen we voorspellen of iets uit de hand gaat lopen. Wat betekent dat voor de rol van de veiligheidswerker? Waar ligt de balans tussen de uitersten van vrijheid en controle?

PERSPECTIVISCHE LENIGHEID

Kwesties als deze zijn voor Lianne de reden dat zij met veel groepen in de samenleving dialogen houdt, om allerlei nieuwe technologische kwesties bespreekbaar te maken. Om in deze dialogen verschillende perspectieven in te kunnen nemen, zijn competenties als reflectie, dialoog en perspectivische lenigheid van groot belang. Ook voor veiligheidsprofessionals! 

Hier ligt een taak voor de toegepast filosoof. In dit geval is die taak: het op de werkvloer op gang brengen van een gezamenlijk onderzoek naar wat we onder ‘veiligheid’ verstaan, tegen de achtergrond van de inzet van nieuwe technologie. Dit onderzoek verandert zowel de inhoud van het concept als dat het richting geeft aan de vraag hoe die nieuwe technologie ingezet kan worden.

Erik Drost werkt bij de politie in de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies. Hij onderzoekt al vele jaren criminele organisaties, die in georganiseerd verband de rechtsstaat ondermijnen. Momenteel loopt hij stage bij de Portefeuille Ethiek binnen de politie, onder begeleiding van filosoof Mijchanou Kowalczyk. De Portefeuille Ethiek organiseert dialoogsessies om de ethische bewustwording en morele oordeelsvorming binnen de politie te versterken. 

Een beetje beduusd gaf ik antwoord: dat er in oudere filosofieboeken inderdaad weinig tot geen vrouwen worden behandeld, maar dat er zeker wel vrouwelijke filosofen aan bod komen in mijn lessen en dat ons curriculum echt niet beperkt blijft tot de ‘dode witte mannen’, waar de laatste tijd in bepaalde kringen zoveel gedoe om is. Ik vermeldde niet dat slechts een van de vier filosofiedocenten op deze school een man was; het leek op dat moment niet relevant. Hoewel ze haar vraag wellicht anders had kunnen verwoorden, roerde zij er een kwestie mee aan waar het filosofieonderwijs - en de filosofische gemeenschap als geheel - zich al een tijd mee bezig houdt.

DODE WITTE MANNEN

Het ‘dode witte mannen’-fenomeen is niet exclusief voor de filosofie. Het idee is dat de nadruk van wat wij tot ons nemen - cultureel, literair, academisch - voornamelijk op ‘dode witte mannen’ ligt: te veel W.F. Hermans en Harry Mulisch, te weinig Hella Haasse en Anton de Kom. Hier heb je als individu uiteraard een zekere invloed op. Zo kan een leerling kiezen om zoveel mogelijk vrouwelijke auteurs voor haar lijst te lezen, of enkel verslagen te schrijven over Chinese filosofie. Als we echter kijken naar het curriculum, in dit geval naar het filosofiecurriculum, valt er wel wat op te merken.

In harde cijfers uitgedrukt: het namenregister van Durf te Denken!, het leerlingenboek dat op veel middelbare scholen in de bovenbouw wordt gebruikt, telt zeventien vrouwelijke filosofen. Dat is al een verdubbeling van de eerste versie, maar de verhouding ten opzichte van mannelijke denkers blijft ongeveer één op vijf. De bekende vrouwennamen passeren de revue: De Beauvoir, Arendt, Nussbaum. In de nieuwe editie van 2020 zijn onder anderen Donna Haraway, Sue Donaldson en Philippa Foot uitgelicht (1). Het verschil bij de examenstof voor zowel havo als vwo is iets kleiner, namelijk één op drie.

Het idee is dat de nadruk van wat wij tot ons nemen - cultureel, literair, academisch - voornamelijk op ‘dode witte mannen’ ligt

WAT 'TELT' ALS FILOSOFIE?

Dat er minder vrouwen dan mannen aanwezig zijn in het curriculum van de middelbare school is een feit dat weerspiegeld wordt in de bredere filosofische canon, zeker als we het hebben over de periode voor 1900. Een primaire verklaring voor dit verschijnsel is dat vrouwen in een groot deel van onze geschiedenis simpelweg niet dezelfde toegang hadden tot filosofische kringen. Vaak alleen wanneer zij van hoge komaf waren - zoals Anna Maria van Schurman, Elizabeth van Bohemen (2) - of een relatie hadden met een mannelijke denker - zoals Harriet Taylor Mill, Émilie du Châtelet - hadden zij de mogelijkheid om bij te dragen aan de canon. Dikwijls worden hun namen en ideeën enkel genoemd in relatie tot die van een man. 

Een andere verklaring is dat we strenger lijken te zijn in het beoordelen van wat ‘telt’ als filosofie, als we het hebben over vrouwelijke denkers (3). In sommige gevallen gaat het over het medium: ideeën in brief- of verhaalvorm zouden niet filosofisch genoeg zijn (waarmee we gelijk ook Voltaire, Nietzsche en Sartre zouden moeten uitsluiten). Of vrouwen zouden niet bekend zijn met de ‘gebruikelijke’ methodes waarop filosofie wordt uitgevoerd. Maar wanneer heeft de filosofie zich ooit laten beperken tot wat ‘gebruikelijk’ is? 

METAFORISCHE WEEGSCHAAL

Dat er ‘te weinig’ representatie is van vrouwen binnen de filosofie, is niet te meten. We zouden het curriculum tenietdoen als we, al dan niet willekeurig, een ‘dode witte man’ zouden vervangen door een vrouw, totdat de seksen ongeveer evenredig aanwezig zijn. Hoe ‘genoeg’-representatie eruit ziet, is evenmin vanzelfsprekend. 

Een denker uitsluiten vanwege haar gekozen medium of filosofische methode is natuurlijk onzin. Het is eveneens niet passend om filosofen toe te voegen aan het curriculum puur en alleen omdat ze géén ‘dode witte man’ zijn. Het gaat immers niet om het individu, maar om de kwaliteit van zijn of haar ideeën. Als we alle ideeën dezelfde waarde toeschrijven, zou de filosofische canon vervallen tot een relativistische chaos, die Nietzsche zou doen omdraaien in zijn graf.

Een mogelijke oplossing voor dit probleem is: filosofische ideeën aan kritische reflectie onderwerpen en ze plaatsen op een metaforische weegschaal: hoe verhoudt dit specifieke idee zich tegenover de rest van de canon? Weet het zich in te bedden in een bepaalde filosofische traditie en draagt het daaraan bij? Dit zou de filosofische canon, en daarmee ook het schoolcurriculum, tot een soort meritocratie maken: slechts de beste ideeën blijven over.

De filosofische canon is simpelweg niet objectief samengesteld: ze is niet opgebouwd uit de beste of de meest juiste ideeën.

CANON NIET OBJECTIEF

Als we de afwezigheid van vrouwen in het schoolcurriculum willen aankaarten, zie ik echter twee problemen met de oplossing die ik voorstel, waarbij het voortkomt uit het tweede. Het eerste probleem is een epistemische kwestie: wie weegt namelijk de ideeën? Wat ligt er in de andere schaal van de weegschaal? En wie heeft de weegschaal überhaupt gemaakt? De metafoor gaat hier misschien een beetje ver, maar wat ik ermee probeer te zeggen, is dat we ideeën niet zomaar objectief kunnen wegen. Volgens de Duhem-Quinestelling kunnen we een hypothese, of in dit geval een filosofisch idee, niet controleren zonder ons bewust te zijn van de historische, sociale of culturele context. 

Als we de monadologie van Leibniz of de natuurfilosofie van de presocraten gaan falsifiëren, blijft er waarschijnlijk weinig van over. Toch beginnen filosofiedocenten vaak met Anaximander en Thales. Zelf heb ik het uitgebreid met leerlingen gehad over de vermeende locatie van de ziel volgens Descartes. Dit doen we omdat we begrijpen dat filosofie zich over de afgelopen drieduizend jaar heeft ontwikkeld, dat onze paradigma’s zijn verschoven en dat er een grote kans is dat onze huidige ideeën over honderd jaar weer achterhaald zullen zijn. Dat maakt deze ideeën niet minder waardevol: ze hebben immers bijgedragen aan een eeuwenoude traditie van denken.

De filosofische canon is simpelweg niet objectief samengesteld; ze is niet opgebouwd uit de beste of de meest juiste ideeën. Carlo Ierna, die regelmatig over de geschiedenis van de filosofie schrijft en een gerelateerd vak geeft aan de Vrije Universiteit, stelt: 

Een atlas bevat niet alleen de beste landen en een woordenboek niet alleen de beste woorden, zo hoort ook een overzicht van de geschiedenis van de filosofie niet alleen de beste filosofen te bevatten. De canon is niet representatief voor de historische feiten en kan dus geen leidraad meer zijn. Als we de canon kritisch ter discussie willen kunnen stellen, mogen we de canon zelf niet als criterium gebruiken; dat zou een cirkelredenering zijn. (4)

CANON NIET IN BETON GEGOTEN

De huidige staat van het filosofische curriculum laat al zien dat we de canon regelmatig opnieuw tegen het licht houden. De metafysica van Schopenhauer is nog steeds waardevol; zijn uitspraken over vrouwen zijn zo extreem dat ze hilarisch worden (‘Alleen al de aanblik van het vrouwelijk lichaam leert ons dat de vrouw niet geschikt is voor zware geestelijke of lichamelijke arbeid.’(5)). En dit brengt mij tot mijn volgende vraag en het tweede probleem: het is toch moeilijk voor te stellen dat toevalligerwijs alleen ‘dode witte mannen’ goede ideeën hebben?

Filosofie draait - en hier spreek ik voor mijzelf - niet alleen om de ideeën, maar ook om hoe die ideeën tot stand zijn gekomen. Het standpunt dat de canon in beton gegoten is en niet mag veranderen, verraadt een gebrek aan nieuwsgierigheid naar de perspectieven van groepen die duizenden jaren als de norm werden gezien. Een voorbeeld van de meerwaarde van diversiteit in het curriculum komt uit het handboek Wat maakt de mens? voor het vwo-examen. Een fragment uit Frantz Fanons boek Zwarte huid, witte maskers licht de ideeën van de geleefde ervaring en het Dasein toe vanuit het perspectief van een zwarte man. De tekst is een uitbreiding van de ideeën van Merleau-Ponty, die stelt dat wij gevormd worden door onze ervaringen van de wereld. Fanon voegt daaraan toe dat ook de vooroordelen van anderen op onze persoonsvorming inwerken.

Ierna noemt terecht dat het probleem met de canon, en in het verlengde daarvan het schoolcurriculum, niet is wie er wel in zit, maar juist wie er niet in zit. Voorstanders van meer en betere representatie in het filosofieonderwijs, waar ik er zelf één van ben, zijn niet automatisch tégen het lesgeven over Hobbes of Kant, maar juist vóór het lesgeven over Hypatia en Butler. Hoe dat er in de praktijk uit kan zien, zal ik straks met enkele voorbeelden illustreren.

“De filosofische discussie snakt naar meer filosofen van diverse achtergronden en verschillende manieren van filosoferen.”

ACHTERBLIJVEN OF MEEBEWEGEN

Filosofieprofessoren Jay Garfield en Bryan van Norden gaan nog een stap verder en zeggen dat filosofie als discipline slechts kan overleven wanneer ze de bewuste keuze maakt om te diversifiëren (6). Hun oplossing is, in hun eigen woorden, straightforward. Filosofie als vak wordt nog steeds gezien als het ophemelen van ‘dode witte mannen’; zij die daar vrede mee hebben, moeten daar eerlijk over zijn en moeten dat kunnen onderbouwen. Als zij daar niet toe in staat zijn, hebben ook zij een plicht om het curriculum uit te breiden en verder te kijken dan de mannelijke Europese denker. De leefwereld is mondiaal, de studentenpopulatie divers: filosofie kan achterblijven of meebewegen. Citaat uit een artikel over diversiteit in het schoolcurriculum in De Groene Amsterdammer: “De filosofische discussie snakt naar meer filosofen van diverse achtergronden en verschillende manieren van filosoferen.” (7)

Garfield en Van Norden geven een historisch voorbeeld van de meerwaarde van diversificatie van ideeën door middel van een anekdote over de middeleeuwse denker Thomas van Aquino, die tijdens zijn studies in aanraking kwam met de werken van islamitische filosofen, zoals Ibn Rushd en Ibn Sina. Deze filosofen inspireerden hem om Aristoteles te lezen en hij citeerde uitgebreid uit hun werken. Het uitbreiden van het curriculum op de middeleeuwse universiteiten en het uitwisselen van ideeën tussen culturen droegen positief bij aan filosofische vooruitgang.

We kunnen ervoor kiezen om canonieke teksten te combineren met niet-canonieke teksten. Shklar en Rawls, Mbembe en Foucault, Federici en Marx.

RUIMTE VOOR MEER

Meerdere universiteiten hebben het initiatief genomen om hun filosofiecurriculum te diversifiëren. Ook op het voortgezet onderwijs is er verandering, zeker als je kijkt naar de examenbundels voor havo en vwo. Maar er is ruimte voor meer.

Ten eerste moeten we af van het idee dat filosofie iets is voor oude witte mannen. Elke filosofiedocent krijgt wel eens de opmerking van een leerlingen ‘Hebben alle filosofen grijze baarden?’ Grappig natuurlijk. Maar als we willen dat filosofie een levend vak blijft, moeten we aan onze leerlingen laten zien dat geslacht, afkomst, huidskleur etc. er niet toe doet als het om filosoferen gaat.

De filosoof Muhammad Al-Khalidi suggereert drie opties voor het diversifiëren van de filosofie. We kunnen diversiteit als toetje nemen; als er bijvoorbeeld tijd over is aan het einde van een periode sociale filosofie, plan dan een les in over Judith Shklar. We kunnen ook het hele huidige curriculum schrappen en van voren af aan beginnen, deze keer met een scherper oog voor diversiteit: Shklar in plaats van Rawls. Of we kunnen ervoor kiezen om canonieke teksten te combineren met niet-canonieke teksten. Shklar en Rawls, Mbembe en Foucault, Davis en Marcuse, om maar een paar voorbeelden te noemen.

Deze laatste optie is, wat mij betreft, het meest haalbaar, en eveneens wat ik zelf doe. Uiteraard kost dit tijd, en filosofiedocenten hoeven zich ook niet verplicht te voelen om hun kostbare uren hier aan te besteden. Maar het hoeft ook geen solitaire onderneming te zijn. Leg het voor in de vakgroep, besteed er een heidag aan. Het belangrijkste is dat wij nieuwsgierig blijven naar wat filosofie ons te brengen heeft, voor onszelf en voor onze leerlingen. Ga op ontdekking uit.


(1) Voor de oplettende lezer: is het u opgevallen dat mannelijke filosofen vaker worden aangeduid met enkel hun achternaam dan vrouwelijke filosofen? Wellicht omdat we inschatten dat anderen niet bekend genoeg zijn met hun werk. Hier maak ik mij ook vaak schuldig aan.
(2) Ook bekend om haar briefwisseling met René Descartes.
(3) A.E. Kings, ‘Philosophy’s diversity problem: Understanding the underrepresentation of women and minorities in philosophy,’ Metaphilosophy, nr. 3 (2019).
(4) Carlo Ierna, ‘Andere criteria voor het inleidende vak ‘Moderne Filosofie,’ Spinoza! (juni 2022).
(5) Arthur Schopenhauer, Er is geen vrouw die deugt, vert. Wim Raven (De Arbeiderspers, 1989).
(6) Jay L. Garfield en Bryan W. van Norden, ‘If philosophy won’t diversify, let’s call it what it really is,’ The New York Times, 11 mei 2016, https://www.nytimes.com/2016/05/11/opinion/if-philosophy-wont-diversify-lets-call-it-what-it-really-is.html.
(7)  Heleen Booy en Kiki Varekamp, ‘Diversiteit als toetje,’ De Groene Amsterdammer nr. 35 (september 2021).

Isa Wissink (2000) studeerde filosofie aan Tilburg University. Diens scriptie behandelde Arendts theorie van fictieve werelden en hun rol in de opkomst van het fascisme. Wissink werkt bij Phronèsis als redactielid en geeft les over de Nederlandse rechtsstaat bij ProDemos.

Een groot deel van ons leven speelt zich tegenwoordig af in of met organisaties. En dan heb ik het niet alleen over ons werkende leven, maar ook over hoe wij consumeren (bijv. supermarkten, banken, fastfoodketens), reizen (reisorganisaties, vliegmaatschappijen, douane) en vermaken (streamingdiensten, pretparken, cafés): allemaal organisaties. Toch denken we maar weinig na over organisaties. Ze lijken een vanzelfsprekendheid, een fact of life. En juist dat zou filosofen wakker moeten schudden. Want is het niet de taak van de filosoof om vanzelfsprekendheden te bevragen? Als iedereen zegt dat iets boven iedere twijfel verheven is, moet de filosoof dan niet de vraag stellen: Is dat wel zo? Zou het ook anders kunnen zijn? 

BEELDEN VAN ORGANISATIE

Wanneer we het over organisaties hebben, hebben we daar vaak bepaalde beelden en veronderstellingen bij. We denken bijvoorbeeld aan een bepaalde organisatie, zoals Shell of de gemeente. Organisaties hebben doelen, zeggen we, bijvoorbeeld winst maken door naar olie en gas te boren en deze te verkopen, of de burgers van de gemeente te dienen. En er is veelal sprake van een ideaalbeeld of -type, zoals de organisatie als een ‘goed geoliede machine’, als een ‘levend organisme’, of als een ‘geestelijke gevangenis’. 

Dit zijn drie van de acht voorbeelden die organisatiekundige Gareth Morgan geeft van ‘beelden van organisatie’ in zijn gelijknamige boek uit 1986. Het interessante van Morgans boek is dat hij stelt dat die beelden niet per se waar of onwaar zijn, maar dat ze wel invloed hebben op ons gedrag. Let maar eens op hoe managers met elkaar praten. Als we de organisatie opvatten als een machine, dan denken en praten we in termen van radertjes, knoppen waar je aan kunt draaien en processen die op elkaar afgestemd dienen te worden, terwijl bij het beeld van de organisatie als een levend organisme er een hele andere taal wordt gebezigd en hele andere activiteiten worden ondernomen. Dan gaat het bijvoorbeeld veel meer over goed zorgen voor de organisatie en haar mensen, en over groei en bloei.

Organisaties zijn geen dingen of vaste structuren, maar processen van betekenisgeving.

Voor de oplettende filosoof is Morgan hiermee te plaatsen binnen de school van het sociaal constructivisme. Organisaties zijn hier geen dingen of vaste structuren, maar processen van betekenisgeving. Het zijn verhalen die we elkaar vertellen en als die verhalen enigszins overeenkomen, kunnen we goed samenwerken. Daar zitten per definitie aspecten van macht en sociale druk in: we worden voortdurend verleid en gedwongen om mee te gaan in het heersende discours en om een goede werknemer te zijn. Dat discours wordt op een manier gebezigd die het moeilijk maakt om het ter discussie te stellen, vooral als je er middenin zit. Maar wat als dat discours gedrag uitlokt dat niet (meer) functioneel is?

GEEN RESULTAAT?

Tijdens een gesprek klaagde een manager van een gemeente dat er zoveel werd vergaderd in haar organisatie en dat er eigenlijk nooit iets uitkwam. Er werden alleen maar standpunten uitgewisseld, maar niemand hakte eens de knoop door. Daar hadden de inwoners van die gemeente toch helemaal niks aan?

Dat is interessant, want het suggereert dat het vergaderen als zodanig geen resultaat is. Vergaderen is een activiteit waarbij informatie wordt uitgewisseld, posities worden bepaald en verdedigd, bondjes gesloten, relaties onderhouden: allemaal resultaten. Maar dat was voor deze manager kennelijk niet voldoende. 

Wat zij bij navraag bedoelde was dat het vergaderen in de gemeente een doel op zichzelf was geworden en geen middel tot een (hoger) organisatiedoel. Dat doel was vooral impact maken in de gemeente: iets doen waar de inwoners wat van zouden merken. 

NUTTIGHEIDSDENKEN

Door deze beelden van vergaderen, doelen en organisaties te bevragen, en uit elkaar te trekken, zou je de manager kunnen verleiden om de aannames en waarden achter haar frustratie te onderzoeken. Het zou kunnen zijn dat zij lijdt aan een bekend syndroom in de moderne maatschappij: het nuttigheidsdenken. 

Dit is het denken dat alles wat zij en haar collega’s doen, (direct) nut moet hebben. Het moet ergens toe bijdragen, liefst iets met veel impact. Van dit syndroom kun je behoorlijk last van hebben, is mijn ervaring. Het kan leiden tot een verhoogde prestatie- en werkdruk, tot burn-out en zelfs tot een gevoel van nutteloosheid. Want niet alles wat wij doen, heeft altijd nut. En zijn veel dingen die misschien geen nut hebben, maar wel waarde. Denk aan liefde, of aardig zijn tegen je collega’s (en vooral ook tegen jezelf). Als we dat nu eens als doel van de organisatie zouden zien? 

De organisatiefilosoof laat daarmee zien dat organiseren geen neutrale activiteit is, maar altijd gedreven wordt door bepaalde waarden. Welke waarden dat zijn, daar zouden we wel wat vaker het gesprek over mogen voeren, ook en juist in organisaties.

Ben Kuiken is schrijver en organisatiefilosoof. Hij schreef meerdere boeken, waaronder De Laatste Manager, De Organisatiefilosoof en recentelijk Filosoferen met AI. Hij geeft lezingen, workshops en organiseert jaarlijks de Leergang Organisatiefilosofie.

Nieuws bereikt ons steeds vaker niet meer via een krant, een nieuwssite of een omroep, maar via een AI-tool die het voor ons heeft samengevat, geselecteerd en geordend. Perplexity, Google AI en Copilot: ze zijn de nieuwe toegangspoorten geworden tot wat er in de wereld gebeurt. Volgens de Mediamonitor 2025 van het Commissariaat voor de Media vormen AI-gestuurde antwoordtools een keerpunt in het media-aanbod en ons mediagebruik. Nog maar een kleine minderheid gebruikt zulke tools expliciet voor nieuws - begin 2025 zo'n vijf procent van de Nederlanders, elf procent onder jongeren - maar het Commissariaat verwacht een sterke toename. Tegelijkertijd neemt de afhankelijkheid van grote platformbedrijven toe en verlaten jongeren het kranten- en televisienieuws in rap tempo.

PSEUDO-OMGEVING

De vraag die ik wil stellen gaat dieper dan de vertrouwde zorgen over nepnieuws of platformmacht. Het systeem liegt misschien niet eens: het comprimeert, het ordent, het neutraliseert. En precies daarin schuilt iets waar we te weinig oog voor hebben en dat verder reikt dan de vaak gehoorde aanklacht dat AI nepnieuws mogelijk maakt. De interessante vraag is wat AI verandert aan onze publieke omgang met waarheid, aandacht en oordeel.

De Amerikaanse journalist en politiek denker Walter Lippmann schreef in 1922, midden in het interbellum en diep onder de indruk van hoe propaganda de Eerste Wereldoorlog had aangestuurd, een boek dat hem tot op de dag van vandaag relevant houdt: Public Opinion. Zijn kernstelling is dat burgers niet handelen op basis van de werkelijkheid, maar op basis van een beeld van de werkelijkheid. Een pseudo-omgeving, noemde hij het, omdat dat beeld altijd wordt geconstrueerd door anderen: door redacteuren, door een nieuwsselectie, door de keuze welk verhaal de voorpagina haalt. Lippmann was somber over de implicaties hiervan voor democratie. Burgers, meende hij, zijn structureel afhankelijk van bemiddelaars - en die bemiddelaars zijn nooit neutraal.

Een publieke ruimte die ons efficiënt informeert of een ruimte die ons uitnodigt om te oordelen, te twisten en ons te verhouden tot wat ons verdeelt?

ONZICHTBAARHEID

Wat Lippmann niet kon voorzien, is dat die bemiddelaar ooit een systeem zou zijn zoals de hedendaagse AI. De AI-systemen hebben geen mening - of tenminste, zo presenteren ze zich. Er is geen redactionele agenda die je kunt nazoeken, geen naam onder het stuk, geen krant waarvan je de signatuur kent. AI comprimeert en doet dat met een gezaghebbende gladheid die elke keuze onzichtbaar maakt. En dat is filosofisch verontrustender dan partijdigheid: want partijdigheid kun je herkennen en weerspreken. Onzichtbaarheid niet.

Om te begrijpen waarom dat zo verontrustend is, moet je kijken naar wat nieuws eigenlijk is. Want nieuws is van nature niet neutraal. Het is omstreden. Het is gekleurd door perspectief, toon en selectie. Een artikel over de stikstofcrisis in Trouw is anders van kleur dan in De Telegraaf - en dat verschil is informatief. Het vertelt je iets over hoe een samenleving verdeeld is, welke belangen op het spel staan, waar de frictie zit. Hannah Arendt zou zeggen: die frictie is niet het probleem van het publieke debat, het is het publieke debat. Politiek bestaat bij de gratie van verschijning - van dingen die zich tonen in hun meervoudigheid en tegenstrijdigheid. Een publieke ruimte waarin dat conflict wordt weg-gepolijst, is geen publieke ruimte meer, maar een beheerde informatieomgeving.

FRICTIELOOSHEID

De AI-samenvatting doet precies dat. Het comprimeert het meningsverschil tot een uitgebalanceerde weergave. Het vervangt de toon - verontwaardigd, urgent, ironisch - door een vlakke, functionele stijl. Het laat de herkomst van de informatie weg, of reduceert die tot een bronvermelding onderaan. Wat verdwijnt zijn niet de feiten. Wat verdwijnt is de politieke textuur van het nieuws: de onzekerheid, de framing, het conflict.

Dat heeft gevolgen die verder gaan dan mediawijsheid. Het gaat niet alleen om de vraag of burgers leren ‘kritisch te googelen’. De vraag is structureler: wat betekent het voor een democratie als de infrastructuur van het publieke debat is ingericht op frictieloosheid? We hebben de poortwachtersfunctie - ooit in handen van redacteuren die keuzes maakten en daarvoor verantwoording aflegden - overgedragen aan systemen die zijn ontworpen voor gebruiksvriendelijkheid, frictieloosheid en tevredenheid. Het probleem is: die doelen botsen met wat het democratisch debat vereist.

PUBLIEKE RUIMTE

Lippmann dacht dat het antwoord op dit probleem een klasse van experts zou zijn, die de complexe werkelijkheid voor burgers vertaalden. Arendt verwierp dat idee: ze wilde een publieke ruimte waarin burgers zelf oordelen, niet een ruimte die voor hen is ingevuld. Tussen die twee posities beweegt ook onze discussie over AI en nieuws zich. De vraag is niet alleen technisch - welk algoritme, welke bronnen - maar politiek-filosofisch: wat voor soort publieke ruimte willen wij zijn? Een ruimte die ons efficiënt informeert, of een ruimte die ons uitnodigt om te oordelen, te twisten en ons te verhouden tot wat ons verdeelt?

Mijn vriend en ik praatten tien minuten over een artikel dat we niet hadden gelezen. We waren het eens. Dat had ons aan het denken moeten zetten.

Ivana Ivković is politiek filosoof. Ze schrijft, doceert en modereert over democratie, publieke ruimte, crisis en de maatschappelijke rol van kunst en filosofie. 

Ivana verzorgt bij HTF Denkhuis de volgende training over AI: Denken met AI

© HTF Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) B.V. 2026
Webdesign: SaffrieDesign
cross
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram