info@hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl
+31(0)85 8769712
Contact

Het maakt het nóg triester dat op 10 september een kogel een eind maakte aan het leven van Charlie Kirk, symbolisch genoeg op een universiteitscampus, terwijl hij sprak over wapengeweld. Het is niet de dood van Socrates, maar toch een tragedie voor zowel democratie als filosofie.  

Feiten doe ertoe

Dat vond niet iedereen, ook niet binnen academia. Zo bleek een collega-filosoof - universiteitsdocent in Nijmegen - vooral geschokt door ‘de collectieve verheerlijking’ van Kirk’ (de Volkskrant 24 september 2025). Kirk was een ‘extreemrechtse haatprediker’, met ‘weerzinwekkende’ denkbeelden. In de tijd van Socrates hadden we, na wat socratisch verantwoord doorvragen, wellicht voorbeelden van denkbeelden gehoord, die dan inderdaad onze weerzin zouden wekken. In tijden van Google leert een advanced search dat het om ideeën gaat, waarmee de geachte collega het eenvoudigweg oneens is: dat empathie een schadelijke new age-uitvinding is, of dat het recht op wapenbezit onvermijdelijk slachtoffers maakt en dan volgens Kirk nóg te verkiezen valt, evenals bijvoorbeeld autoverkeer. Of, en hier wordt het betoog van onze medewijsgeer nog minder wijsgerig verantwoord: dat bij wat verder doorklikken er feitelijk niets overblijft van aantijgingen als ‘Kirk was voor het stenigen van homo’s’ en ‘Kirk vond dat transgenders moeten worden gelyncht, net als zwarten in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw’.

Feiten doen ertoe, ook voor filosofen. Zelfs voor filosofen die menen dat ‘waarheid’ een betrekkelijk begrip is. Zeker als het verdraaien van feiten - ‘Kirk wil ons dood hebben!’ - resulteert in de overtuiging bij een jongeman dat moord het aangewezen antwoord is op de ‘haat’ en het ‘geweld’ van Charlie Kirk. Terwijl deze, onder het motto prove me wrong, vaak opvallend hoffelijk in gesprek ging met mensen die hem leken te beschouwen als een fundamentalistisch-christelijke antichrist. In ontelbare reacties op (social) media na de moord lag de nadruk op hoe verwerpelijk de zojuist vermoorde persoon was, vaak op basis van verdraaide citaten en horen-zeggen.

Wanneer denkers nog niet dood zijn, verwelkom ze dan op je campus, hoezeer je ook met hen van mening verschilt.

Ignorantie en arrogantie

Het gaat echter niet louter om feiten, hoe belangrijk die op zichzelf ook zijn. Het gaat, zoals zo vaak in de filosofie, ook om elementaire logica en de argumentatie die daaruit voortvloeit. Dan blijkt het punt dat mensen als Kirk niet op universiteiten hoeven te worden gehoord, een even hooghartige als halfslachtige, eeuh…. apologie te krijgen. Niet toevalligerwijs draagt het betoog van onze collega de titel: ‘De universiteit is geen talkshowtafel’. Hij schrijft: “Het gaat op een universiteit immers niet om doxa, maar om episteme. Dat wil zeggen: het gaat niet om de snel gevormde mening, maar om de grondig onderzochte kennis.” 

Geen moment lijkt het in dit imposant fronsende voorhoofd te zijn opgekomen dat zijn episteme verdacht veel trekken vertoont van doxa, zoals ik daarnet aangaf bij het verwijt van ‘haatprediker’. En al helemaal niet dat de doxa van politieke of filosofische tegenstanders, meer episteme zou kunnen vertonen dan ons lief is. (Voor alle duidelijkheid: ik zeg dit als iemand die het negen van de tien keer met Charlie Kirk oneens was en die nul sympathie heeft voor de pogingen van Kirk’s held Trump om vrije meningsuiting en academische vrijheid in te perken). Al met al doemt hier een riskante combinatie op van ignorantie en arrogantie, en lijkt de Nijmeegse filosoof ineens op de studenten die de autodidact Kirk overtuigend op hun plaats zette. Of, om naar de klassiekers terug te keren: op wijsgerige windbuilen als Euthyphro en Meletus, Socrates’ favoriete slachtoffers. 

Intellectueel lui en zelfvoldaan

Maar laten we het dialectische steekspel, zoals Nietzsche de socratische methode aanduidde, even achter ons laten en een positief alternatief schetsen, voor zowel de filosofie als de democratie. Weinig filosofen hebben de constructieve waarde van tegenspraak - uitgenodigd, of zonder invitatie verschenen - zozeer benadrukt als John Stuart Mill. “Zowel leraren als leerlingen vallen in slaap op hun wachtpost, als er geen vijand in het veld te zien valt.”

Als de kogel die Kirk trof ergens goed voor zal zijn, is het hopelijk het besef van waar vrije meningsuiting om draait.

Waarmee Mill aangaf dat het op universiteiten en in de publieke opinie altijd zaak is om fundamenteel meningsverschil te verwelkomen. Niet alleen vanwege de pluriformiteit of, met een hedendaags begrip, viewpoint diversity, die op zich al waarde heeft in de democratie. Maar ook om te voorkomen dat jijzelf intellectueel lui en zelfvoldaan wordt. Dat nu is precies wat ik in de studenten zag die in onzachte aanraking kwamen met Charlie Kirk: jongens en meisjes die weliswaar indrukwekkende studies volgden en ingewikkelde boeken lazen… maar die ook al veel te lang niet meer tegengesproken waren of werkelijk aan het denken gezet. En die dus uiteindelijk hulpeloos bleken, zelfs al hadden ze een valide punt te verdedigen, zoals de zaak van Gaza, de gevaren van wapenbezit, of de argumenten vóór vrije abortuskeuze. 

Vrijheid van de andersdenkende

In het filosofieonderwijs ligt de kunst van de georganiseerde tegenspraak erin dat je wérkelijk contrasterende visies behandelt en uiterst terughoudend bent met het diskwalificeren van tegenargumenten als ‘slecht onderbouwd’ of ‘wetenschappelijk irrelevant’. Je zou dit een ultieme praktische wijsheid ofwel phronèsis kunnen noemen, voorbij doxa en episteme. Laat je studenten verschillende teksten zien, reik ze diverse criteria aan, en ziedaar… ze kunnen zelf oordelen, zonder te veroordelen, te betreuren of te bespotten. 

Wanneer denkers nog niet dood zijn, verwelkom ze dan vooral op je campus, hoezeer je ook met hen van mening verschilt. Sterker nog: hoe méér je met hen van mening verschilt. Te vaak reserveren we vrije meningsuiting voor mensen die niet te ver verwijderd van onze eigen opinie opereren. Het wordt spannend, maar ook pas echt de moeite waard, wanneer je de mogelijkheid inbouwt dat ze je - al is het maar gedeeltelijk - overtuigen. Dat kan alleen wanneer je ze het woord gunt. ‘Vrijheid is altijd de vrijheid van de andersdenkende,’ stelde Rosa Luxemburg. 

Als de kogel die Kirk trof ergens goed voor zal zijn, is het hopelijk dit besef van waar vrije meningsuiting écht om draait.

Remko van Broekhoven (1967) is politiek filosoof. Hij is gepromoveerd aan de Universiteit Utrecht, en doceert onder meer voor The School of Life, de Volksuniversiteit en het HOVO.
Foto: Fjodor Buis

Foto Charlie Kirk: Gage Skidmore

Naast het IoT neemt ook de wereldwijde toepassing van digitale mogelijkheden exponentieel toe. Hierdoor zal de wijze van industriële productie wereldwijd revolutionair veranderen. Deze ontwikkeling, aangeduid als de vierde industriële revolutie, leidt tot het ontstaan van een zogenaamde Industrial Internet of Things (IIoT). Hierin speel China een toonaangevende rol. 

Nieuwe ontologie

De verbindingen binnen netwerken, de onderlinge communicatie en de mogelijkheden voor nieuwe, en andere functionaliteiten van apparaten en machines creëren zo een nieuwe categorie van Cyber Physical Systems (CPS). De gebruikte algoritmes, software en data bepalen het functioneren en de onderlinge communicatie van deze individuele systemen met andere systemen én met mensen. Tegelijkertijd zullen deze cyber physical systems het functioneren gaan bepalen van een steeds groter digitaal ecosysteem. 

De vraag wordt relevant of we op zoek moeten gaan naar een nieuwe ontologie of zijnsleer in de digitale wereld. 

In 1954 al benoemt de Duitse filosoof Heidegger de snelle ontwikkeling van technologie als een vorm van een ‘omlijsting van onze actuele werkelijkheid’. Deze omlijsting doet een oproep aan de mens om de nieuwe en door technologie gecreëerde werkelijkheid te analyseren en te ontsluiten. Met deze analyse kunnen we op zoek naar de essentie van de technologie die ons omringt en wat zij betekent voor het Zijn van mens in deze wereld.

Ondanks de waarschuwing van Heidegger groeit de huidige nieuwe digitale werkelijkheid exponentieel, op basis van een enorm aantal onderling verbonden en communicerende apparaten. Grotendeels onbewust worden onze fysieke menselijke wereld en werkelijkheid omkaderd door een nieuwe en op mathematische en natuurwetenschappelijke uitgangspunten gebaseerde digitale werkelijkheid. In deze ontwikkeling besteden we te weinig aandacht aan de gevolgen voor het Zijn van mens van deze nieuwe digitale werkelijkheid. Met deze ontwikkelingen wordt de vraag relevant of we op zoek moeten gaan naar een nieuwe ontologie of zijnsleer in de digitale wereld. 

The Metaverse 

Naast bovenstaande ontwikkelingen ontstaan ook mogelijkheden om de groeiende digitale werkelijkheid uit te breiden met aanvullende vormen. Hierbij kunnen we denken aan een door computers gecreëerde driedimensionale werkelijkheid, weergegeven op hardware: een virtuele realiteit (VR). De virtuele realiteit reageert interactief op de gebruiker en is erop gericht dat deze een virtuele omgeving ervaart als de fysieke werkelijkheid en er actief aan deelneemt. Een hybride variant kennen we als een gemengde fysieke werkelijkheid (Augmented Reality, AR), bestaande uit combinaties van de fysieke en digitale werkelijkheid. Door middel van dergelijke aanvullende werkelijkheden is het voor mensen steeds eenvoudiger om vanuit hun eigen fysieke werkelijkheid te communiceren en interacteren met objecten in deze nieuwe en aanvullende virtuele werkelijkheid. 

Het geheel van al deze nieuwe combinaties heeft in de afgelopen jaren geleid tot speculaties over de komst van TheMetaverse. Dit ‘universum’ is gebaseerd is op nieuwe combinaties van de zich ontwikkelende virtuele werelden. De gezamenlijke digitale werelden kunnen de ‘echte’ werkelijkheid exact of bijna exact reproduceren. In 2022 geeft Matthew Ball als eerste een eenduidige definitie van The Metaverse
A massively scaled and interoperable network of real-time rendered 3D virtual worlds that can be experienced synchronously and persistently by an effectively unlimited number of users with an individual sense of presence, and with continuity of data, such as identity, history, entitlements, objects, communications and payments.

Centraal staat volgens Ball de mogelijkheid voor de gebruiker van virtuele werelden om de daarin gebruikte content, zoals een avatar, van de ene virtuele wereld mee te nemen naar een andere.

We kunnen de virtuele werelden niet langer beschouwen als ‘illusies’.

Volgens de Australische filosoof David Chalmers kunnen we de virtuele werelden niet langer beschouwen als ‘illusies’. Naar zijn mening vormt de virtuele werkelijkheid steeds meer een werkelijkheid op zich en is het bestaan ervan steeds meer te beschouwen als een ‘echte’ realiteit. De virtuele werelden zijn anders dan de fysieke werkelijkheid, omdat ze gebaseerd zijn op informatie en processen uitgevoerd door computers. Maar wanneer gebruikers in een virtuele wereld steeds meer hun fysieke aanwezigheid kunnen ervaren en tegelijkertijd kunnen interacteren met andere virtuele objecten, zal langzaam maar zeker de grens tussen de fysieke en virtuele werkelijkheid vervagen. 

Volgens Chalmers is The Metaverse een zich langzaam ontwikkelende wereldwijde virtuele wereld, waarin je weliswaar niet je hele leven doorbrengt, maar waaraan je deelneemt waar en wanneer je wilt. Door zijn mathematische en natuurwetenschappelijke uitgangspunten is The Metaverse fundamenteel anders dan de fysieke werkelijkheid, die we ervaren op basis van individuele zintuiglijke waarneming.  

Nieuwe golf 

In 2023 publiceren Mustafa Suleyman en Michael Bashkar het boek The coming wave. In dit boek onderzoeken zij de mogelijke gevolgen van een nieuwe golf aan actuele technologieën, die kunnen zorgen voor nieuwe digitale combinaties en die de digitale transformatie naar een nieuw hoogtepunt brengen. De auteurs baseren zich in hun boek op de economische theorie van Joseph Schumpeter en zijn onderzoek naar de essentiële rol van technologie in grote economische veranderingen. 

Op basis van de theorie van Schumpeter gaan Suleyman c.s. ervan uit dat er een nieuwe versnelling gaat plaatsvinden. Deze versnelling is gebaseerd op de nieuwe generatie technologische mogelijkheden die tegelijkertijd beschikbaar komen en breed kunnen worden toegepast. De nieuwe generatie technologische ontwikkelingen zal worden samengesteld uit relatief nieuwe en zich nu snel voltrekkende technologische ontwikkelingen, zoals artificiële intelligentie en synthetische biologie, kwantum computing en robotica. 

In de afgelopen jaren hebben we doorbraken en snelle toepassing gezien op het terrein van kunstmatige intelligentie. Alhoewel er nog veel vraagtekens zijn over deze technologie en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke gevolgen, vormen met name Large Language Models (LLM) aanleiding voor een enorme hype in investeringen, ontwikkelingen en toepassingen. Naar de mening van Suleyman c.s. zullen er snel duizenden van dergelijke modellen beschikbaar zijn. Daarmee bereiken we een punt waarop iedereen in de wereld de beschikking heeft over kunstmatige capabele intelligentie (ACI). Met deze laatste term brengen zij een onderscheid aan met kunstmatige algemene intelligentie (AGI).

De kwantum-werkelijkheid verschilt fundamenteel van de fysieke menselijke werkelijkheid.

Ethische risico’s

De snelle ontwikkelingen op dit vlak brengen niet alleen nieuwe ethische risico’s met zich mee maar ook risico’s voor de veiligheid en privacy van bedrijven en personen. Deze risico’s zijn nog onvoldoende in beeld en kunnen nauwelijks overschat worden. De auteurs van het boek waarschuwen dan ook dat kunstmatige intelligentie niet alleen een technologisch werktuig of platform is maar tevens een technologische verandering op metaniveau, die zowel positieve als negatieve toepassingen mogelijk maakt. 

Naast kunstmatige intelligentie beschouwen Suleyman c.s. synthetische biologie als een centraal onderdeel van deze nieuwe golf aan technologische mogelijkheden. Hierbij gaan zij ervan uit dat ook ons DNA een vorm van informatie is, waarbij de gebruikte lettercombinaties worden omgevormd naar nullen en enen. De toepassing zal plaatsvinden in bijvoorbeeld voedsel, medicijnen (vaccins), materialen, productieprocessen en consumentengoederen. 

Suleyman c.s. wijzen ook op twee andere snel opkomende technologieën: kwantum computing en robotica. Hoewel kwantum computing zich nog in een vroege (ontwikkelings-)fase bevindt, verwachten de auteurs ook op dit terrein op korte termijn grote doorbraken, gegeven ook de grote investeringen in de VS, China en Europa. De twee nieuwe technologieën zullen van grote invloed zijn op bestaande technologische ontwikkelingen. De auteurs zijn van mening dat doorbraken op het vlak van kwantum-technologie verregaande implicaties hebben en mogelijkerwijs catastrofale gevolgen voor bijvoorbeeld de financiële sector of overheidscommunicatie in het algemeen. 

Nieuwe bedreigingen

De centrale attractiviteit van kwantum-computers wordt gevormd door de mogelijkheid om de snelheid en omvang van computerberekeningen exponentieel te vergroten. De kwantum-werkelijkheid verschilt fundamenteel van de fysieke menselijke werkelijkheid. De fundamenten waarop kwantum computing is gebaseerd, zoals quantum waves, entanglement, superpositie en onzekerheid, verschillen fundamenteel van de huidige digitale en menselijke werkelijkheid. Ook kan de kwantum-werkelijkheid alleen waargenomen worden door gebruik te maken van specifiek ontwikkelde apparaten, die met een specifiek doel een niet-herhaalbare waarneming kunnen doen. 

Tegelijkertijd zal het kunnen begrijpen en controleren van deze nieuwe complexiteit, gebaseerd op mathematische en natuurwetenschappelijke inzichten, voor de mensheid steeds verder afnemen. 

Deze nieuwe ontwikkelingen zijn niet langer beperkt tot individuele systemen of toepassingen. Op steeds meer terreinen zoeken onderzoekers naar mogelijkheden om samenwerkingsverbanden of collectieven van systemen te creëren. Deze collectieven bestaan uit verschillende wereldwijde netwerken en zijn gezamenlijk gericht op het realiseren van een of meerdere belangen door middel van samenwerking. De verwachting is dat deze collectiviteiten steeds meer autonoom en zonder tussenkomst van mensen interacteren met hun omgeving en activiteiten uitvoeren zonder directe toestemming van mensen. 

De door Suleyman c.s. beschreven golf aan nieuwe technologieën heeft dan ook naar hun mening niet alleen positieve kanten. Niet alleen zal de wereldwijde verspreiding niet kunnen worden bestuurd en gecontroleerd vanuit een enkele natiestaat, ook zullen nieuwe bedreigingen ontstaan, die zorgen voor het ontregelen of saboteren van deze steeds autonomer functionerende systemen. 

Mogelijke confrontatie 

In 2022 stelde ik in een artikel in ‘Foundations of Science’ de volgende vraag: 

Are we humans sufficiently aware of the possible impact on our ‘Being’ in this ongoing confrontation between a traditional reality shaped by humans and the new digital reality created largely by algorithms and software

Vrij vertaald: zijn wij ons als mensheid bewust van de veranderingen die de digitale transformatie met zich meebrengt voor ons Zijn van mens? Maar ook: stellen wij ons voldoende de vraag of wij over voldoende kennis beschikken hoe die toekomstige digitale wereld eruit ziet en wat dit betekent voor ons Zijn van mens in deze nieuwe digitale wereld? Of gaan we er als vanzelfsprekend vanuit dat we ons kunnen aanpassen aan de uitkomsten van computers, algoritmes en software? Zijn wij ons bewust van de grote en kleine gevaren die voortvloeien uit onze drang naar een steeds snellere digitale transformatie van de samenleving voor ons Zijn van mens?  Of koersen we af op een mogelijke confrontatie van de zintuiglijke menselijke wereld met de aanstormende digitale wereld?

De nieuwe digitale werkelijkheid dwingt ons om na te denken over het Zijn van mens in een digitale wereld.

Zijn van mens
In onze moderne en historische werkelijkheid bestaat nog steeds de opvatting dat we technologie kunnen beschouwen vanuit een instrumentele benadering van geïsoleerde objecten. Dit perspectief is dominant voor het ontwikkelen, vormgeven en besturen van digitale ontwikkelingen. De nieuwe digitale werkelijkheid dwingt ons echter na te denken over een Zijn in een wereld dat is gebaseerd op computers, algoritmes en software, die functioneren in een onderling verband en die door mensen in hun werking niet zijn waar te nemen. 

De vraag dringt zich op of we als mensheid in deze ontwikkeling iets missen wat Martin Heidegger ‘intentionaliteit’ noemt, om de veranderingen die gaande zijn waar te nemen. Heidegger stelt in 1924 in zijn colleges over het concept van ‘tijd’, dat intentionaliteit iets is wat ontstaat uit: “een bewust beleefde ervaring, voortkomend uit een (spontane) relatie met een object waaruit een betekenis voor ons ontstaat.”

De verbindingen die thans als vanzelfsprekend om ons heen ontstaan tussen apparaten onderling en tussen apparaten en mensen, kunnen we niet zintuiglijk waarnemen. We kunnen dan ook niet anders dan de in het begin geformuleerde vraag beantwoorden met de constatering dat de snelheid van de ontwikkeling van de digitale werkelijkheid een gegeven is en dat de consequenties van dit proces steeds zichtbaarder worden. De noodzaak om in dit proces op zoek te gaan naar een antwoord op de vraag wat dit betekent voor het Zijn van mens in een digitale werkelijkheid is daarmee meer dan ooit urgent geworden.

1. Dit artikel is een bewerking van het gelijknamige hoofdstuk in de publicatie Smart Humanity. Menselijkheid in  digitale tijden.
2.  Lier van B. (2022) Martin Heidegger’s ‘Dasein in an Emerging Digital Ecology. Foundations of Science https://doi.org/10.1007/s10699-022-09879-5

Prof. dr. Ben van Lier is in 2009 gepromoveerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het onderwerp Interoperabiliteit van Informatie. Hij is gepensioneerd en heeft de laatste 23 jaar gewerkt bij Centric, een Nederlands IT-bedrijf, onder andere als Director Strategy & Innovation. In 2013 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Steinbeis University in Berlijn en daarnaast in 2015 tot Lector aan de Hogeschool Rotterdam. Binnen de digitale transformatie houdt hij zich steeds meer bezig met vragen over wat deze digitale transformatie betekent voor het ‘zijn’ van mens in een digitale wereld.

Erik Pool (1961) was topambtenaar bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Na het toeslagenschandaal werd hij programmadirecteur Dialoog & Ethiek, een project voor de hele Rijksoverheid. Met een budget van 10 miljoen euro, een team vaste medewerkers en 170 gespreksleiders - inclusief enkele HTF-alumni - faciliteert hij het goede gesprek tussen ambtenaren over hun over morele dilemma’s. Hij publiceerde in dit kader de boeken Macht en moed (2021) en Macht en moed praktijkboek (2023), beide boordevol theorieën en technieken om deze ‘vrije ruimte’ te organiseren en in te vullen.

Ethische aanvliegroutes
“Morele arbeid,” zo definieert Pool heel nauwgezet in een nieuw handboek, “omvat alle in werkverband georganiseerde leer- en werkinspanningen die erop zijn gericht om met individuele concrete ambtelijke werkzaamheden én als overheidsorganisatie het goede leven dichterbij te brengen en te voldoen aan de morele normen, waarden en beloftes van de rechtsstaat.” De overheid, en al het ‘ambtelijk handelen’, is volgens Pool uiteindelijk gericht op het goede leven hier, en elders - bijvoorbeeld via het bevorderen van internationale rechtsorde.

Morele arbeid draagt hieraan bij, mits deze op drie niveaus in samenhang wordt verricht. Ten eerste moeten individuele ambtenaren zich laten (bij)scholen op het gebied van rechtstaat, bestuur en ethiek. Wat staat er eigenlijk in de Grondwet? Wat zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur? Wat zijn de ambtelijke rechten en plichten volgens de Ambtenarenwet? Maar ook: Welke ethische aanvliegroutes zijn er? Wat is rechtvaardigheid? Ook het doel en de kernwaarden van de organisatie (ministerie, UWV) moeten de revue passeren. 

Het goede leven
Ten tweede moeten ambtenaren in groepsverband hun werkprakijk leren onderzoeken. In zorgvuldig vormgegeven en begeleide groepsreflecties wordt op basis van concrete casuïstiek en ervaring het eigen handelen en de eigen keuzes aan kritische evaluaties onderworpen. Je leert niet alleen waarden (of blinde blekken) te herkennen en expliciteren, maar ook de techniek van het onderzoek zelf: van het luisteren en doorvragen, en het (bege)leiden van een onderzoeksgeprek. Waar een individuele cursus veelal ’s avonds of in het weekend plaatsvindt, horen deze sessies volgens Pool gewoon binnen werktijd ingeroosterd te worden. Maar wel buiten het werkproces, om los te komen van - en te kunnen reflecteren op - de dagelijkse routines, rollen en belangen. 

Toch gaat het er uiteindelijk om dat morele reflectie vast onderdeel wordt van het derde niveau, de organisatie als geheel. Morele reflectie is onderdeel van de vaste beroepspraktijk. Alle werkprocessen zijn zo ingericht dat collega’s, bestuurders, samenwerkingspartners van elkaar en van burgers en belanghebbenden moreel (bij)leren. Pool noemt dit: ‘morele feedbackloops’. Het resultaat: een lerende organisatie die moreel veerkrachtig is, ook als de wereld instabierer is geworden en snel verandert. En voor de burgers: een betrouwbare overheid, die gericht is op het algemeen belang en, uiteindelijk, het goede leven. 

Vorming
Morele arbeid kost inspanning. Het is ‘moeitewerk’. Je moet de spanning opzoeken en erin blijven, ook als je geconfronteerd wordt met jezelf, je wereldbeeld en als je vaste overtuigingen wankelen, of als je de juiste woorden niet kunt vinden voor wat je tegenstaat. Morele arbeid vereist bovendien maatwerk: elk moreel dilemma speelt zich af in een unieke context en vraagt om een oordeelsvorming die recht doet aan het persoonlijke en groepsperspectief. Bovendien is het mensenwerk: mensen zijn imperfect, ze schrijven zichzelf morele wetten voor - dat kunnen alleen mensen - maar leven deze niet altijd na. Mildheid is geboden. 

Bij een workshop die Pool gaf over morele arbeid, ter gelegenheid van de presentatie van Jos Kessels’ nieuwe boek In vorm komen (Boom), leek hij even te pauzeren voordat hij de deelnemers voorhield dat morele arbeid in de kern een vorm van leren is: individueel leren, groepsleren en, uiteindelijk, organisatieleren. Blijkbaar was dit voor hem een belangrijk inzicht. Of een belangrijke keuze? Het zette mij ook aan het denken: moet het juiste hyperoniem niet ‘vorming’ zijn, gezien het doel van morele arbeid? ‘Leren’ gaat om kennen en kunnen, om taken en oplossingen; ‘vorming’ gaat om waarden, houding, identiteit en morele oriëntatie. 

Als het om Gaza gaat, is de vraag wat er nog te leren valt. Gezien de overduidelijke oorlogsmisdaden en genocidaal geweld zou het gehele ministerie van Buitenlandse Zaken met al haar medewerkers toch elke vorm van medewerking moeten staken? Is het niet een kwestie van een zwakke morele houding? Buitenlandminister Veldkamp hield ons steeds voor dat hij door zich neutraal op te stellen, meer gedaan kon krijgen bij zijn Israëlische ambtsgenoot. Dit is geen immoreel standpunt, maar waarschijnlijk onhoudbaar als hij met zijn ambtenaren meer morele arbeid zou verrichten. 
[Met dank aan Erik Pool voor inzage in het hoofdstuk over dit thema uit de eerste versie van zijn boek Erewoord. Zakboek ethiek voor ambtenaren, dat dit najaar verschijnt bij ISVW Uitgevers.]

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

De 17de eeuwse Nederlandse filosoof Bernard Mandeville dacht daar anders over. Zijn ideeën ontstonden als reactie op een prozafabel uit 1699,‘Les abeilles’ (‘De bijen’), van de Franse bisschop Fénelon. Volgens Fénelon moesten mensen als vrome paternalisten samenleven als bijen in een bijenvolk. Dan zou de samenleving vanzelf paradijselijk worden. Mandeville vond dat een utopie. Zo’n samenleving leidt tot ijzingwekkende armoede en armzaligheid. Deugd heeft immers een kouwe kont. Als we allemaal strikt deugdzaam gaan leven dan zitten we binnen de kortste keren met elkaar onder een boom te wachten of er misschien iets te eten naar beneden valt. O zo braaf, eerlijk en vroom, maar vegeterend als een plant. Veel schiet er voor deze deugers niet over. Volgens Mandeville gaat de wereld juist aan deugd ten onder. Een maatschappij draait niet op deugd of menslievendheid. Integendeel: eigenbelang is de drijvende kracht. Ondeugden als hebzucht, eigenliefde en hang naar weelde zorgen voor productie en werk. Matigheid betekent de dood in de pot. Geld moet rollen.

Waarschijnlijk geïnspireerd door Mandeville’s filosofie zijn zelfs eerbiedwaardige filosofische instituten in Nederland er niet vies van de pecunia hun kant op te laten rollen. Ze bieden voor veel geld zogenaamde filosofische wandeltochtjes aan. Net zoals Aristoteles dat 2500 jaar geleden met zijn leerlingen deed, maken ze dan met geïnteresseerden een wandelingetje, waarbij een filosoof aan de deelnemers al wandelend vragen stelt waarover gediscussieerd kan worden. Als je flink betaalt, kun je zo al wandelend in de sporen treden van wijsgerige wandelaars als Aristoteles, Nietzsche, Rousseau of Thoreau, en zelf een groot filosoof worden. 

Dat brengt mij op het idee om zelf ook met wijsgerige prietpraat gemakkelijk geld te verdienen. Net als Aristoteles houd ik thuis een paar kastjes met bijen. Geheel in zijn stijl ga ik een cursus ‘Praktisch Bijenhouden voor Filosofen’ aanbieden. Aan alle meetbare en controleerbare eindtermen kan ik gemakkelijk voldoen. Mijn leerling-imkers kunnen putten uit een rijke filosofische literatuur want niet alleen Aristoteles, ook Plato, Vergilius, Seneca, Erasmus, Montesquieu en Marx hebben over bijenvolken geschreven. En aan door bijensteken hun gezwollen lippen en ontsierde handen kun je straks zien dat mijn studenten ook de nodige praktische ervaring (phronèsis) hebben opgedaan.

Arend studeerde slavistiek aan de Universiteit van Amsterdam met als hoofdvak Russisch en als bijvak Tjechisch. Hij studeerde een jaar Russisch aan de universiteit van St. Petersburg en heeft o.a. onderwijsprojecten begeleid in Bulgarije.

“Ik had geen idee hoeveel er is, dat niet eens meer in mijn hoofd opkomt om in de schoolgang te doen.” Wat hij bedoelde, ging verder dan zelfbeheersing: hij had geleerd om de gedachte om in die gang te zingen of te dansen, al te onderdrukken vóórdat die kon opkomen. Dat was wat hij zich realiseerde. Het leverde een zinderend klassengesprek op: over disciplinering en vrijheid, en over de vraag of je op school gevormd of vervormd wordt. Sommige lessen blijven nog lang nagalmen in je hoofd, maar deze werd het startpunt van een heel promotieonderzoek.

Bildung, betrokkenheid en burgerschap

Wat gebeurde er in die les? Je zou het zelfinzicht van die jongen kunnen omschrijven als ‘subjectwording’: als een vorm van Bildung, in de zin dat hij zich van zichzelf bewust werd en op zijn eigen morele vormingsproces reflecteerde. Maar er gebeurde tegelijkertijd iets met de groep: van een losse verzameling leerlingen veranderden ze in klasgenoten en lotgenoten, die politieke vragen gingen stellen over de macht die er over ze hen uitgeoefend. Bij deze oefening in toegepaste filosofie raakte Bildung aan burgerschap, maar dan aan een radicaal soort burgerschap, dat noopte om de rechtvaardigheid van de bestaande orde in twijfel te trekken en alternatieven te overwegen. 

In mijn proefschrift heb ik die ongrijpbare en allesbehalve vanzelfsprekende verbinding tussen Bildung en burgerschap onderzocht. In de klassieke traditie van Goethe en Wilhelm von Humboldt was het uitgangspunt dat aandacht voor Bildung vanzelf de juiste burgers zou opleveren. Toen het ideaal rond 2015 een comeback maakte in filosofie en onderwijs, pleitte minister Bussemaker voor ‘Bildung, betrokkenheid en burgerschap’. Bildung kreeg de glans van een utopie voor een post-utopische tijd: een alternatief voor een tijd waarin er zogenaamd geen alternatieven meer waren voor neoliberalisme en rendementsdenken.

Die visie is bijzonder actueel in een tijd waarin extreemrechtse regeringen het onderwijs met de kettingzaag te lijf gaan.

Revolutionaire verandering

Ergens verbaasde dat enthousiasme voor klassieke Bildung, want de kritiek op Goethe en Humboldt was juist dat hun denken zo apolitiek en individualistisch was. Was een meer politiek betrokken vorm van Bildung denkbaar? De grootste verrassing van mijn onderzoek was dat die er rond 1790 al was, maar dat die uit de geschiedenisboeken is geschrapt. Gelijktijdig met Goethe en Humboldt was er sprake van een andere, radicaal-romantische traditie, waarvan de betrokken denkers zijn verguisd en vergeten, omdat ze Bildung verbonden met revolutionaire verandering. Daarmee ging mijn onderzoek vanzelf ook over de (on)denkbaarheid van alternatieven in deze tijd. Want die opmerking over de schoolgang kun je uitvergroten: hoeveel is er dat al niet eens meer in ons opkomt om te denken en te doen in de politiek, in de economie, in de pedagogie, in de geschiedenis van het Bildungsbegrip? 

De ten onrechte vergeten Georg Forster (1754-1794) was een oudere vriend van Humboldt en de bron van veel van diens ideeën over Bildung. Na het uitbreken van de Franse Revolutie traden de verschillen echter duidelijker aan het licht. Humboldt was een edelman en bang zijn privileges te verliezen als het revolutionaire vuur zou overslaan naar Duitsland; Forster had met kapitein Cook de wereld rondgezeild en op Tahiti gezien dat er ook een samenleving mogelijk was zonder schrijnende sociale verschillen. Humboldt vergeleek Bildung met de verstilde metamorfose van een zijderups, die de draad voor zijn cocon vanuit zichzelf spon en later in een vlinder veranderde; Forster merkte op dat dat ideaal van zelfvorming alleen voor een elite was weggelegd in een standensamenleving waarin “onder vele miljoenen rupsen er nauwelijks één in slaagt om zijn metamorfose zelfstandig te voltooien.”

Vrijheid, gelijkheid en solidariteit

Toen hij in 1792 een leidende rol kreeg in een ook al vergeten revolutionair experiment in Mainz, werd hij in Pruisen vogelvrij verklaard. Vrienden als Humboldt verbraken het contact en verbrandden alle brieven. “Laat het aandenken aan Forster in een of andere rommelkamer vergeten worden!” schreef graaf Stolberg, een vriend van Goethe. Tegenwoordig staat Humboldt bekend als de uitvinder van het Bildungsideaal.
In mijn boek betoog ik dat we juist van Forster en andere radicale romantici, zoals Caroline Böhmer en Friedrich Schlegel, kunnen leren hoe Bildung samen kan gaan met burgerschap en het persoonlijke met het politieke. Dat is dan natuurlijk niet de sociaal wenselijke vorm van burgerschap die de overheid tegenwoordig op school wil laten onderwijzen en die vooral van de burgers vraagt om zich naar de bestaande orde te voegen. Of om door meer te ‘participeren’ de kaalslag in de sociale sector op te vangen. Het ging Foster om een burgerschap in de revolutionaire zin van het woord citoyen, dat zich sterk maakt voor vrijheid, gelijkheid en solidariteit.

De eerste hoofdwet van de toegepaste filosofie zou moeten zijn dat filosofische theorieën geen tijdloze waarheden zijn en nooit los kunnen staan van de praktijk.

Engagement

Forster bestreed ook de onderwijsmethoden van zijn tijd, die de geest van het kind als een mechaniekje met repeterende oefeningen in beweging hielden en die het vooral leerden dat het die bewegingen moest volgen, “in plaats van dat het zelf het autonome principe van zijn eigen daden is.” Als het om het onderwijs gaat, loopt er een lijn van dat radicaal-romantische Bildungsdenken naar de revolutionaire, twintigste-eeuwse pedagogie van Célestin Freinet en Paulo Freire. Freire wilde dat de lessen zouden draaien om de vragen en wensen die de leerlingen werkelijk bezig hielden, niet puur om het aanleren van door de docent of de overheid geselecteerde kennis. Net als Forster geloofde Freire bovendien dat Bildung en onderwijs begonnen met het engagement voor een vrije samenleving en tegen de groeiende ongelijkheid en onderdrukking. Onderwijs kon in een verscheurde en ongelijke samenleving nooit neutraal zijn: het hielp ofwel om bestaande vormen van overheersing in stand te houden, ofwel om bij te dragen aan de emancipatie van de mens.

Die visie lijkt me bijzonder actueel in een tijd waarin extreemrechtse regeringen het onderwijs met de kettingzaag te lijf gaan. In Nederland gaat het vooralsnog om ongehoorde en onverdedigbare bezuinigingen op de budgetten, in de Verenigde Staten bovendien om een aanval op de inhoud en op alles waar ook maar een zweem van politiek engagement of emancipatie in doorklinkt.

Lakmoesproef

Hoe moeten universiteiten en hogescholen op die aanval reageren? De bekende Amerikaanse taalkundige Steven Pinker schreef eind mei in NRC dat de aanpak van Trump te ver gaat, maar ook dat de universiteit van Harvard “zich weer ten dienste moet stellen van kennis, niet van sociale rechtvaardigheid”. Wat mij betreft laat de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie alleen al door haar naam zien dat dat een schijntegenstelling is. Als de toegepaste filosofie meer is dan een aftreksel van een ‘zuivere’ filosofie, als ze haar eigen bestaansrecht heeft, dan lijkt me dat ze veronderstelt dat de kennis die we al lerende verwerven onherroepelijk verbonden is, of zou moeten zijn, met de morele, sociale, psychologische en politieke vragen waar we mee worstelen of die de realiteit ons stelt. 

De eerste hoofdwet van de toegepaste filosofie zou volgens mij moeten zijn dat filosofische theorieën geen tijdloze waarheden zijn en nooit los kunnen staan van de praktijk. Ze zijn allemaal ooit in praktische situaties ontwikkeld en ze kunnen hun waarde en hun relevantie nergens anders dan in die praktijk bewijzen. Een les of een college is dan ook niet simpelweg een gelegenheid om ‘stof’ over te dragen, maar eerder een practicum waar de lakmoesproef voor elke filosofische gedachte plaatsvindt: wat als je hem toepast op je eigen leven, op je relaties of op de wereld om je heen?

Goed onderwijs

Daarom is goed onderwijs volgens mij nooit terug te brengen tot het verwerven van de vereiste kennis en competenties, maar heeft het altijd betrekking op Bildung en burgerschap, op een kritische reflectie op je eigen ontwikkeling, op de opleiding als instituut met haar eigen disciplinerende macht, op het nieuws, op het klimaat, op de genocide die plaatsvindt en op wat dat alles met elkaar te maken zou kunnen hebben. Aandacht voor die vragen en zorgen maakt een school tot de plaats voor een open en voortgaande dialoog, waarin we onszelf, docenten en studenten, de paradoxale maar cruciale vraag blijven stellen hoeveel er niet eens meer in ons opkomt om te doen, te zeggen of te vragen.

Joris Verheijen is docent filosofie aan een Amsterdams gymnasium en aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Zijn boek Revolutie in de schoolgang. Radicaal-romantische Bildung in en buiten het onderwijs tussen 1789 en nu (Amsterdam University Press, 2025) is de publieksversie van het proefschrift waarop hij cum laude gepromoveerd is.

Dragend idee

Een dragend idee geeft je leven richting en is te vinden in een essentiële ervaring. Voor de deelnemers is de tafelrede een eerste kennismaking. Het gaat daarbij niet om een verlangen dat je najaagt maar om een overtuiging, een inzicht dat je, vaak naar aanleiding van een concrete ervaring, van betekenis verklaart voor je leven. En waar je vervolgens naar probeert te leven. In de tafelrede gaan we hiernaar op zoek. Daarnaast zijn er vaak ook verborgen waarden in het verhaal te vinden. Daarover praten is een van de bedoelingen van de tafelrede.

STAPPEN

  1. De beste voorbereiding is dat de docent de eerste tafelrede houdt. Je kunt dan laten zien waar je op mikt, inclusief alle imperfecties die er natuurlijk altijd te vinden zijn. Je zet de toon: een toon van kwetsbaar kunnen zijn, je onderzoekend en reflecterend tot gebeurtenissen verhouden. Je helpt deelnemers een oog te ontwikkelen voor het bijzondere in het alledaagse. Je maakt zichtbaar hoe een verhaal een andere, rijkere lading krijgt door jezelf erin te plaatsen.
  2. Vraag de spreker na te denken over waar deze wil zitten, staan, zijn.
  3. Wat wil je gebruiken: een uitgeschreven tekst, een briefje of flap met steekwoorden, een beamer?
  4. Welke oratorische stijlmiddelen zet je in: het volume en de afwisseling daarin, een dichtregel ter illustratie, plaatjes op de achtergrond, het leggen van accenten, herhalingen, samenvattingen tussendoor en aan het eind. 
  5. Hoe lang wil je spreken? De meeste sprekers spreken langer dan ze tijdens hun voorbereiding geoefend hebben. 
  6. Vraag de toehoorders notities te maken over hetgeen ze in de nabespreking ter sprake willen brengen.
  7. Nabespreking 1. Begin met applaus: een fijne ontlading en de eerste feedback. Zorg ervoor dat iemand de nabespreking leidt en enigszins op tempo houdt. Zorgt dat de spreker beschermd wordt: deze is kwetsbaar en mogelijk geëmotioneerd.  
  8. Vraag de toehoorders  een ‘veeg’ te geven: een zeer korte impressie in een paar woorden. Doe dit op tempo. 
  9. Nabespreking 2. Vraag te toehoorders na te denken en notities te maken over dat wat hen tijdens de rede raakte, de vorm, de retoriek/het pathos, het plezier, de zwaarte versus de lichtvoetigheid, de dragende ideeën.
  10. Entameer een gesprek naar aanleiding van het voorafgaande. Zorg ervoor dat ook de spreker voldoende ruimte krijgt.
  11. Sluit af met een rondje van 1 top en 1 tip.
  12. Geef de spreker de ruimte voor een afrondend woord.

Luuk Stegmann is klinisch psycholoog en psychotherapeut. Sinds 2012 is hij hoofddocent van de beroepsopleiding Visieontwikkeling en Rechtvaardig Leiderschap van de ISVW. Hij is mederedacteur van Hoog Spel, Filosoferen in de praktijk.

Belangrijke momenten krijgen evenveel gewicht als onbelangrijke momenten. Een schoolmusical is even groot als een grasspriet in de wei. Veel van het beeld is versneld. We horen mensen in gesprek, af en toe een stuk muziek en gedurende de film hoor je soms de stem van Mekas zelf. Je hoort hem als oude man in zijn editing-ruimte. Hij spreekt direct tegen de kijker over van alles en nog wat. Het is verrassend mooi om zijn Litouwse accent te horen terwijl hij met humor, passie en een verstopte laag verdriet over zijn geleefde leven praat, wetend dat hij nu wel aan het einde is.

Narratieve zelfzorg
Dat Michel de Montaigne een van de bekendste filosofen ooit is, wordt extra bijzonder als je beseft dat hij in zijn hele carrière maar één boek heeft geschreven: Essays. Nog specialer is, dat de Essays een heel persoonlijk boek is. Montaigne bespreekt onderwerpen die hij in zijn leven tegenkomt, zoals zijn slaapschema, zijn opvoeding en zijn leeftijd. Dit heet ‘narrativiteit’: de vertelling van het leven. Door over jezelf te schrijven leer je jezelf beter kennen: je kunt je ervaringen evalueren en daar sterktes en zwaktes uithalen. Zoals Montaigne dit in schrift in zijn Essays dit doet, zo doet Mekas dit met beelden in zijn film. Montaigne en Mekas omschrijven, reflecteren en evalueren van alles. Ze delen met de lezer en kijker allerlei anekdotes en praktische wijsheden, en hieruit blijkt het belang van nieuwsgierigheid, ervaring en herinnering in het leven. Het grote verschil is natuurlijk dat Essays een boek is en As I Was Moving Ahead een film. Montaignes narratieve zelfzorg brengt verheldering en orde, maar dat was niet het doel van Mekas met zijn film. Wat was zijn doel dan wel? 

Doodeerlijke zelfexpressie
Flitsende beelden met klassieke piano, rustige landschappen met verdovende ruis… De film zit vol met dit soort stilistische contrasten. De film is op momenten enorm troostend en maar soms ook pure chaos. Dit komt doordat Jonas Mekas niet voor orde wil zorgen maar gewoon zichzelf wil laten zien. Er is tekst, zoals in de Essays van Montaigne, maar er is ook beeld, muziek en stilte. Elke keuze die Mekas maakt, is weloverwogen en op de een of andere manier raakt alles aan iets dat diep in mij ligt. Ieder aspect (en dat zijn er veel) in elke minuut (dat zijn er ook veel) is doodeerlijke zelfexpressie in de puurste artistieke vorm: “All I want to tell you, it's all here. I am in every image of this film, I am in every frame of this film.”

Artistieke kracht
De film van Mekas raakt aan iets. Maar aan wat? Vond ik de film mooi? Leuk? Interessant? Ik kan geen woorden bedenken om de ervaring te beschrijven. Je herkent het vast: prachtige momenten, helaas gedoemd om slechts een herinnering te blijven. We kunnen niets anders dan het mysterie omarmen en genoegen nemen met de ervaring. Maar Jonas Mekas laat het daar niet bij. Hij neemt geen genoegen met alleen de ervaring, hij deelt haar. Hij omarmt het mysterie én verandert het in kunst. Hij deelt zijn herinnering en leven, wie hij is geweest en wie hij is, met de kijker. Hij maakt daarbij gebruik van Montaignes narrativiteit en dat geeft zijn film veel artistieke kracht. 

Dat is de kracht van As I Was Moving Ahead Occasionally I Saw Brief Glimpses Of Beauty: de film is groter dan woorden. Het is geen wonder dat ik de woorden niet heb om zoiets groots uit te drukken. 

Huub Kuyvenhoven (17) is eerstejaars student aan de HTF. Hij heeft een passie voor films en muziek en is van plan Film- en Literatuurwetenschappen te gaan studeren aan de Universiteit in Leiden. Hij hoopt ooit een eigen film te maken. In zijn vrije tijd speelt hij piano en werkt hij in de horeca.

Zo leg ik aan kinderen uit wat filosoferen is. En ook aan volwassenen die een Opleiding Kinderfilosofie volgen. Gaan we er dieper op in dan komt naar voren dat je tijdens het filosoferen zowel uitzoomt (je kijkt van een afstand) als inzoomt (je kijkt heel precies naar de betekenis van woorden). Tijdens een filosofisch gesprek ben je aan het discussiëren over het welles en het nietes, je bent grenzen aan het bepalen tot wanneer het nog wél zo is, en wanneer niet meer. 

Maar ondertussen, en dit is cruciaal voor de diepgang van het filosofische gesprek en maakt filosoferen echt anders dan een debat of een discussie, ben je de concepten in een vraag aan het analyseren. Alle kernwoorden komen aan bod, er worden grenzen afgebakend en definities geformuleerd. Op die manier ontleden we tijdens het filosoferen een vraag. Niet grammaticaal maar filosofisch. En dat is kinderspel. Leuk, speels, al sparrend met elkaar: de wereld en je eigen denken onderzoeken.   

Caleidoscopische verdraaiing
Door regelmatig zo’n onderzoek te doen, wordt het een tweede natuur. Automatisch vraag je je af: wat betekent dit woord? Wat is een ander perspectief? Op welk argument baseer ik dit? De verwondering die bij zo’n filosofische levenshouding geregeld naar voren komt, is fenomenaal belangrijk voor mij. In een moment van verwondering merk ik dat mijn perspectief, mijn denkkader, eventjes bewust oplicht: bewustzijn van mijn denken én van de wereld daarbuiten, waarover ik iets probeer te zeggen. Er is een caleidoscopische verdraaiing van mijn denkkader merkbaar en het nieuwe beeld is sprankelend. Er is weer scherpte, diepte, kleur, want ik realiseer me weer dat het niet zo vanzelfsprekend is als het leek: eigenlijk is het heel interessant. En misschien wel heel gek of wonderlijk.  

Veel kinderen zitten nog vol vragen. Onlangs pas ‘geworpen’ in dit bestaan en nieuwsgierig betrokken op de wereld, richten ze hun vragende pijlen op alles wat hun maar voor de voeten komt. Het tragische is echter: de meeste volwassenen maken dit kapot. Zij zijn zelf niet meer gewend om te vragen, tenzij er een antwoord is. Ze denken dat zij, omdat ze volwassen zijn, kennis behoren te hebben en vragen moeten kunnen beantwoorden. Voor veel volwassenen zijn filosofische vragen daarom niet alleen zinloos maar ook bedreigend.  

Mysterieuze vragen
De hoofdpersoon in mijn nieuwste prentenboek Alle vragen van de regenboog, Isa, komt precies dit tegen: haar vragen worden door grote mensen niet erkend als belangrijk of interessant. Ze hebben geen tijd. Ze zien er het nut niet van in. Of ze denken, zoals de opa van Isa, dat diepe vragen eenvoudig wetenschappelijk te beantwoorden zijn. En de mysterieuze vragen rondóm die wetenschap dan? Daar is Isa nog ‘te klein’ voor. Au. 

Isa krijgt de indruk dat haar nieuwsgierige betrokkenheid op de wereld niet gewenst is. Het zal wel aan haar liggen. Ze wil wel graag dat iedereen haar aardig vindt, dus besluit ze zich aan te passen: ze negeert haar eigen vragen en stopt ze diep weg. Dit geestelijke drama lijkt alleen voor de vragen zelf hartverscheurend, want met Isa zelf is ogenschijnlijk niets aan de hand. Maar wie goed oplet, ziet een verschil. De wereld van Isa heeft geen kleur meer. In plaats van boeiend, interessant en oneindig kleurrijk als voorheen, schijnt de wereld haar nu toe als feitelijk, simpel en vanzelfsprekend. Haar wereld bestaat uit een bouwwerk van feitelijkheden, in zwart, wit en grijs. 

Denkradertjes
Spoiler alert! Dit verhaal heeft een happy end. De vragen worden weer bevrijd en de kleur komt terug. Iedereen blij. De lezers worden uitgenodigd om hun eigen vragen in het boek te schrijven en voorlezende volwassenen krijgen een korte instructie hoe ze met de vragen van hun kinderen om kunnen gaan, via overzichtelijke lijstjes met do’s en dont’s. Zo moeten ze onderscheid maken tussen feitenvragen en filosofische vragen. En bovendien krijgen ze de tip: neem een voorbeeld aan Socrates. Je hoeft niet je eigen antwoord te geven, maar luister naar de gedachten van je kind en vraag vooral dóór.  

Vragen hebben, als ze eenmaal gesteld worden, een magische werking. Onmiddellijk gaan er denkradertjes draaien: er wordt naar een antwoord gezocht. Zodra vragen meer ruimte krijgen, komt je wereldbeeld in beweging en ontstaan er meer en meer vragen. De wereld wordt boeiend en krijgt veel meer kleur.

Kleurrijk
Kinderen die Alle vragen van de regenboog lezen, hebben het direct door. De boodschap is duidelijk: vragen mogen ruimte krijgen en jij bent degene die ze mag opvangen: met een netje vang je ze als vlindertjes uit de lucht. Of misschien broed je ze uit als piepkleine eitjes in je hoofd (want: waar komen vragen eigenlijk precies vandaan?)

Sommige volwassenen die het boek lezen, zullen moeten bekennen dat ze zich ook wel eens schuldig hebben gemaakt aan opmerkingen als: ‘Vraag dat maar aan je vader’, ‘Daar ben je nog te klein voor’ of ‘Waarom zijn de bananen krom?’ Hopelijk zullen zij vanaf nu nooit meer de ruimte voor deze oprechte, vragende interesse van kinderen beperken en daarmee hun enthousiasme kapotslaan. Hopelijk krijgen ook de grote mensen meer oog voor de schoonheid van vragen, kunnen ze ontspannen in het niet-hoeven-te-weten van alle antwoorden en merken ze zelf op hoe kleurrijk de wereld echt is. Als je maar vragen stelt.

Sabine Wassenberg is filosoof en schreef meerdere filosofische non-fictie titels voor volwassen en filosofische prentenboeken.
www.sabinewassenberg.com
Www.opleidingkinderfilosofie.nl

Foto door: Marieke van Diepen

Want hoewel we soms denken dat het in verandering gaat over de juiste methode of modellen die antwoorden bieden, gaat het bovenal om de keuzes die je  - als leider, adviseur, teamlid of bestuurder - op cruciale momenten maakt. En dan gaat verandering plots over iets anders: durf, vertrouwen, overgave, twijfel. Over doen.  

Kierkegaard reikt ons inzichten aan over hoe je op zulke momenten kunt handelen - en dan nog het liefst het goede doet - met zijn onderscheid tussen drie stadia van leven. Drie perspectieven die ons kunnen helpen begrijpen hoe mensen handelen in situaties van verandering, en waarom sommige vormen van verandering wel werken, en andere niet.

Stadium 1: het esthetische - het moet wel leuk blijven

In het esthetische stadium draait het om het aangename. Wat we doen, doen we omdat het interessant, mooi of plezierig is. In organisaties is dat zichtbaar in de drang naar quick wins: energieke sessies en inspirerende slogans. Verandering moet vooral leuk en licht blijven. Alles wat te veel schuurt, stellen we liever uit of gaan we uit de weg. 

Dit is op zichzelf niet verkeerd. Zeker niet in tijden van moeizame betrokkenheid en hoge werkdruk. Hoe aantrekkelijk het esthetische stadium ook is, ook in de context van organisatieverandering, we komen niet van A naar B via alleen een riedel aan quick wins en gesprekken met een glimlach als randvoorwaarde. 

Wellicht biedt het tweede stadium ons meer? 

Stadium 2: het ethische stadium - volgens de regels

In het ethische stadium draait het om leven in lijn met normen, waarden en regels. Wat we doen, doen we omdat het hoort. In de context van organisaties houden we er ook van: procedures, kernwaarden, gedragscodes. Hetzelfde geldt voor verandermethoden en -modellen. Ze bieden houvast - en dat is waardevol. Maar veel van die methoden zijn in wezen ethische beschrijvingen van wat als de ‘juiste’ manier van veranderen geldt.

Ze worden gepresenteerd als blauwdrukken: volg de stappen en succes volgt vanzelf. Echter: geen van de verandermethoden kan claimen dat het volgen van de regels van de methode gegarandeerd leidt tot ‘het goede doen’. Ja, ze bieden enig houvast - maar van échte verandering is vaak geen sprake. 

Daarom komt nu het derde stadium in beeld.

Stadium 3: het religieuze stadium - springen in vertrouwenKierkegaards derde stadium noemt hij ‘het religieuze stadium’. Niet per se in kerkelijke zin, maar in termen van een opgave die je, aldus Kierkegaard, als mens hebt. Hier gaat het om radicale verantwoordelijkheid. Je doet wat je doet omdat jij voelt dat dat het juiste is - ondanks onzekerheid, ondanks twijfel.

Het enige wat we moeten doen, is springen.

In organisaties herken je dit wanneer iemand opstaat tegen een dominante cultuur. Of wanneer een team besluit een andere koers te varen, terwijl de rest nog twijfelt. Of wanneer je als leider een besluit neemt dat misschien niet strookt met het beleid, maar wél met wat je als mens juist acht. 

Dat gaat niet vanzelf. Kierkegaard vraagt, sterker nog: hij stelt als randvoorwaarde, je volledig te committeren aan de verandering(en) die je met elkaar voor ogen hebt. Hij doet een beroep op ons als veranderaars om moed, toewijding en een bereidheid centraal te stellen, zodat we de kern van de gewenste verandering weten te raken, én te realiseren. 

Het enige wat we moeten doen, is springen. Springen?

Springen!

Je kent het gevoel vast wel. Je weet niet precíes waarom je de keuze maakt die je maakt, maar hey, het voelt goed. Alsof je vlak voordat je de keuze maakt, jezelf vertelt: dit is wat ik moet doen. Een verklaring komt later wel. Kierkegaard noemt het - omdat het pas van toepassing is in zijn derde, religieuze stadium - een leap of faith: een sprong, bovenal, omdat je ten diepste weet, voelt, vertrouwt, gelooft dat die sprong je helpt om het goede te doen, om dingen echt te veranderen.

Een leap of faith is een sprong naar iets waarvan je niet precies weet wat het is, maar gelooft dat het ‘het goede’ is. Anders gezegd: je kunt van tevoren nooit voor de volle honderd procent zeker weten of rationeel verklaren dat datgene wat je doet, het (enige) goede is. Je kunt blijven hangen in vertwijfeling. Of de sprong wagen, in vertrouwen. De keuze is aan jou.

Ultieme veranderfilosoof

Het is in deze constatering waar misschien wel de voornaamste schoonheid van de sprong zit. Omdat een leap of faith bovenal een ode is aan het subjectieve, het irrationele, het onderbuikgevoel, het simpelweg geloven dat die verandering zomaar echt zou kunnen plaatsvinden. Kortom, een ode aan het menselijke dat onderdeel is van ieder veranderproces. 

Waarmee verandering dan plots terug te brengen is tot drie vragen:

Spring je of niet? 

Beweeg je van A naar B of blijf je staan op A? 

En de belangrijkste vraag van allemaal: Durven we te zien dat er iets te kiezen valt?

Met de groeten van Kierkegaard, misschien wel de ultieme veranderfilosoof.

Daniël Wolfs is mede-oprichter en mede-eigenaar van The Change Studio. Vanuit zijn onderneming werkt hij met collega’s en opdrachtgevers aan moderne wegen naar vernieuwing. De rode draden: Lead. Inspire. Create.De afgelopen jaren heeft Daniël veelvuldig over (organisatie)verandering gepubliceerd, onder andere in zijn boek 'De Veranderfilosoof - op zoek naar de kern van verandering'.

Bestel zijn boek hier

De huidige zoekenden naar liefde wachten echter niet tot het ze overkomt, zoals in romcoms. Zij nemen hun leven in eigen hand, vaak met behulp van technologie: datingapps. In dit artikel reflecteer ik op liefde via datingapps aan de hand van het boek Alles over liefde van bell hooks (2001, Nederlandse vertaling (2025)).

Romantische liefde
Alles over liefde (All about love, 2001) is een boek van de zwarte Amerikaanse feministe bell hooks (1952-2021, naam met kleine letters gespeld), waarin zij niet alleen een nieuwe definitie geeft van liefde, maar ook pleit voor een ethiek van de liefde in ons handelen. Ze beschrijft liefde, in navolging van Gregory Peck en Erich Fromm, als ‘wilsdaad’: het is een actieve keuze om liefde te hebben. Daarmee uit ze ook meteen kritiek op mijn romantische ideaal van falling in love: dat is te passief. 

Om echt lief te kunnen hebben, moet men volgens hooks “verschillende ingrediënten leren mengen: zorg, genegenheid, erkenning, respect, betrokkenheid en vertrouwen, plus een eerlijke en open communicatie.” (p. 31) In een gezonde relatie zijn al die ingrediënten wederkerig aanwezig en zetten beide liefdespartners zich daar actief voor in. Misschien lijkt dit een open deur, maar hooks komt met vele voorbeelden van relaties waarin er wellicht wel sprake is van genegenheid en zorg, maar niet van respect, laat staan van betrokkenheid en vertrouwen of open communicatie. In een liefdesrelatie zijn velen van ons bereid om offers te brengen en - in ons sterke verlangen naar de ultieme liefde - om dan maar genoegen te nemen met minder.  

De vorm van liefde die hooks beschrijft, lijkt haast een zeldzaamheid, en misschien is dat ook zo. Maar die zeldzaamheid maakt de romantische liefde niet het meest waard. Sterker nog: hooks betwist dat idee. Die prioritering in de liefde herken ik bij datingapps. Waarom zijn er bijvoorbeeld wel datingapps en geen (of nauwelijks) vriendschapsapps?

Waarom zijn er wel datingapps en geen (of nauwelijks) vriendschapsapps?

Datingapps
Datingapps zijn er in verschillende soorten en maten. Ik onderscheid er twee: de zogenaamde ‘swipeapps’ (zoals Happn, Tinder, Bumble en Hinge). Daarnaast zijn er apps die gericht zijn op ontmoeting. Daar ken ik er eigenlijk maar één van: Breeze. Bij beide typen datingapps krijg je als ‘gebruiker’ op basis van een algoritme een (voor)selectie aan profielen te zien, waarbij je als gebruiker kunt aangeven of je dat profiel ziet zitten. Bij de swipeapps, het zit al in de naam, swipet de gebruiker naar rechts als het bevalt en naar links bij geen interesse. Swipe ik een profiel naar rechts en degene van wie het profiel is, doet dat met mijn profiel ook, dan ontstaat er een match. Dat betekent dat de gebruikers met elkaar kunnen chatten en op basis van dit gesprek kunnen bepalen of en zo ja, hoe zij verder gaan. Belangrijk om hierbij te noemen is dat het aanbod bij de swipeapps ogenschijnlijk oneindig is, zoals een kaartdeck dat zich maar blijft aanvullen. Bij Breeze komt de match tot stand door een ‘hartje’ te geven aan een beperkte selectie van profielen die Breeze tweemaal daags aan de gebruiker aanbiedt. Geven twee gebruikers elkaars profiel een ‘hartje’, dan leidt een match direct tot het opzetten van een date, gefaciliteerd door de app. Er volgt geen chatmogelijkheid, maar een datumprikker, er wordt een locatie georganiseerd en de gebruiker wordt alvast gevraagd om voor een eerste drankje te betalen (met een marge voor Breeze).

Zoektocht naar liefde
Datingapps zijn er om de zoektocht naar de romantische liefde mogelijk te maken. Hinge maakt reclame met de slogan ‘Are you ready for your last first date?’ Met andere woorden: na onze app leef je nog lang en gelukkig. Maar een romantische liefde bezorgt je geen lang en gelukkig leven, zou hooks zeggen. Leven vanuit de liefdesethiek wel, maar dan moeten we wel een heldere definitie van liefde hebben. “Als onze maatschappij een algemeen begrip zou hebben van de betekenis van liefde, dan zou de praktijk van het liefhebben niet zo verwarrend zijn.” (p. 29)
Een definitie van liefde vinden we niet terug in datingapps. Ook niet in de uitgangspunten van hoe de app gebouwd is en zeker niet in hoe men kan zoeken naar een potentiële partner. Er kan van alles aan voorkeuren worden opgegeven: van hobby’s, politieke oriëntatie, type relatievorm tot al dan niet een kinderwens, of wat dan ook. Maar nergens wordt mij gevraagd wat ik onder de liefde of een liefdesrelatie versta en wat ik daarvan verwacht. We doen alsof we weten waar we het over hebben, maar we weten het niet. We leven naar onuitgesproken verwachtingen en op basis van eerdere ervaringen (die volgens hooks vaak een vertekend beeld geven). Volgens hooks zijn we bang m over liefde te spreken, omdat daarmee pijnlijk duidelijk wordt dat er zo veel gemis aan is. Daarom houden we het liever ‘magisch’. Maar om de liefde samen (actief) te creëren móeten we het erover hebben. Als potentiële geliefden, maar ook als mens tot mens. 

Productcatalogus
Gaan datingapps wel over liefde? Het eenvoudige antwoord is: nee. Datingsapps creëren hooguit de mogelijkheid tot een ontmoeting die zou kúnnen leiden tot liefde. De vraag is wel of die mogelijkheid niet in de kiem gesmoord wordt door de manier waarop datingapps zijn vormgegeven. Het belang dat de makers van datingapps hebben en dat ik als gebruiker heb, verschilt: zij willen geld verdienen, ik wil liefde vinden. Hier ontstaat iets paradoxaals: de apps die er zijn om mensen aan elkaar te koppelen, verliezen gebruikers om geld aan te verdienen als dat (te) snel gebeurt. Swipeapps zijn namelijk in de basis vaak gratis, maar worden pas interessant met betaalde functies, waardoor ik bijvoorbeeld beter kan zien wie míj leuk vindt, of door ‘superswipes’ uit te kunnen delen. Het is overigens totaal onduidelijk of dit een succesvolle ontmoeting ook daadwerkelijk dichterbij brengt. Breeze moet hier wel als uitzondering worden genoemd, omdat die datingapp inzet op ontmoeting en alleen verdient aan daadwerkelijke dates. Swipeapps maken gebruik van ‘addictive design’ om portemonnees leeg te kloppen: er zijn hier vergelijkingen te trekken met het visuele ontwerp van fruitmachines en andere gokspelen. Achter elk profiel zit misschien wel een nog een leuker profiel en dat gevoel wordt met visuele stimuli aangemoedigd, waardoor de gebruiker alleen maar ‘meer, meer, meer’ wil en bereid is zijn of haar portemonnee te trekken.

De datingapp biedt een platform als ‘tweezijdige marktplaats’: de gebruiker is tegelijk consument én product.

Het verleidingsspel vindt ook plaats door de gebruikers zelf, waarbij de datingapp een platform biedt als ‘tweezijdige marktplaats’: de gebruiker is tegelijk consument én product. Voor het aangaan van een liefdesrelatie is eerlijke en open communicatie een van de noodzakelijke ingrediënten. Maar datingapps nodigen daar helemaal niet toe uit. Het is eerder een soort marktplaats met een ‘productcatalogus’ (i.c. de profielen), waarbij een algoritme slim filtert en leert op basis van mijn ingevoerde gegevens, voorkeuren en swipegedrag. Ik kan mijzelf niet op authentieke wijze tonen, aangezien mijn autonomie beperkt wordt doordat ik gebruik moet maken van labels als ‘hardlopen’, ‘lezen’ en ‘filosofie’, waarmee het algoritme de informatie eenvoudig kan verwerken. Het maken van een profiel gaat dan ook niet om het geven van een waarheidsgetrouw beeld van jezelf, het gaat om jezelf presenteren. En om verleiden en overtuigen.

Karrensporen van het patriarchaat
Liefde is per definitie rechtvaardig, stelt hooks. Bij werkelijke liefde is er geen sprake van machtsverschillen. Toch constateert ze in haar onderzoek naar de liefde dat met name vrouwen zich blijven voegen en aanpassen om romantische (heteroseksuele) relaties werkend te krijgen. Hier is sprake van machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen. In het boek Beladen Huis (2025) van Christien Brinkgreve tekent de schrijfster de memoires van haar huwelijk op. Brinkgreve, een van de eerste vrouwelijke hoogleraren Vrouwenstudies, ondervindt in haar romantische relaties dat ze verstrikt raakt in ‘de karrensporen van het patriarchaat’. Zíj voegt zich, zíj past zich aan, om de relatie werkbaar te houden. 

De ‘karrensporen van het patriarchaat’ en mannelijke dominantie zijn ook aanwezig in datingapps. Een bekend probleem met hedendaagse technologie is dat het ontwikkeld en gebouwd is door mánnen (doorgaans jong, wit, westers). Dit betekent ook dat hun blik op de wereld en de manier waarop zo’n app een mogelijke oplossing gaat bieden, een mannelijk (heersend) perspectief in zich draagt. Dit komt bijvoorbeeld terug in de sterke nadruk op het visuele aspect van de datingapps. Om op te vallen moet een gebruiker zichzelf tónen. En wat trekt de meeste aandacht? Iemand die door de ander of door het algoritme als aantrekkelijk wordt beschouwd. Dat betekent dus: voldoen aan (heersende) maatschappelijke normen en schoonheidsidealen. Ik word aangemoedigd (door andere gebruikers en mijn omgeving) tot het tonen van bloot (niet naakt, dat mag dan weer niet van de apps). Wat ik overigens niet doe. De verschillende swipeapps monitoren ook hoe de foto’s worden ervaren. Er vinden A/B-testen plaats bij Tinder, waarbij Tinder onderzoekt met welke van de gekozen foto’s het profiel van de gebruiker het meest bekijks trekt. Ik voel weer dat ik tot een product verword, waarbij Tinder niet mijn zorgvuldig opgebouwde profiel respecteert (met eerst een foto van mijn gezicht en als je naar beneden scrollt mij hobby’s, vrienden e.d.), maar mij zo ‘gunstig’ mogelijk wil neerzetten.

Verkeerd fundament
Hoewel de mannelijke blik aanwezig is in het ontwerp en gebruik, blijkt de macht niet geheel in de handen van mannen te liggen: vrouwen blijken het op datingapps (in een heterogeörienteerde zoektocht) makkelijker te hebben. Er zitten bijvoorbeeld véél meer mannen op datingapps dan vrouwen. En waar mannen ongeveer één op de drie profielen naar rechts swipen, is dat bij vrouwen véél minder het geval. Dat betekent dat vrouwen dus een grotere kans hebben op een match, als ze aangeven iemand leuk te vinden. Datingapp Bumble richt het zo in dat vrouwen daarom ook de enigen zijn die de chat kunnen starten. Mannen kunnen in Bumble iets aan die ‘ongelijkheid’ doen door virtueel hun pinpas te trekken.

Hooks stelt: daar waar macht is, of ongelijkheid, is geen sprake van liefde en kan ook geen liefde ontstaan. Macht staat namelijk haaks op respectvol en rechtvaardig handelen. Ik begin een datingapp dan ook steeds meer te zien als een marktplaats met koopwaar. Ik vóel me op een datingapp ook koopwaar. En ik vraag me af:  is de start die ik daar maak met een ander al niet per definitie een verkeerd fundament om mee te starten? Wat zou hooks daarvan zeggen?

Swipeapps: ze zijn gemaakt om geld aan te verdienen en buiten daarmee een kwetsbaar menselijk verlangen naar liefde uit.

Leven vanuit de liefdesethiek
Hooks zoekt met haar liefdesethiek een uitweg uit de onderdrukkende maatschappelijke structuren en ongelijke romantische relaties. Dat houdt in dat we ons bewust zijn van enerzijds de veelzijdigheid van de liefde en anderzijds weten wat werkelijke liefde in de weg zit. Onze maatschappij en maatschappelijke structuren lijken er niet op ingericht om werkelijke liefde voor een ander op te kunnen of mogen brengen. Alle social justice-bewegingen zijn volgens hooks begonnen met het opbrengen van liefde voor de ander en daarom is het niet verwonderlijk dat die op zoveel verzet stuiten bij de gevestigde orde. Het patriarchaat is niet gebaat bij liefde voor een ander. Ik voeg daaraan toe: het kapitalisme, dat door veel technologie wordt versterkt, draait ook niet om liefde. Het kapitalisme reduceert ons tot consumenten en laat ons bezig zijn met individuele behoeftebevrediging op korte termijn in plaats van werkelijke verbinding met de ander. Met ‘gemak’ in plaats van ‘ergens moeite in steken’. Dat is ook precies het probleem met swipeapps: ze zijn gemaakt om geld aan te verdienen en buiten daarmee een kwetsbaar menselijk verlangen naar liefde uit. 

Leven vanuit de liefdesethiek van hooks betekent dat we de romantische liefde niet als het hoogste goed moet waarderen, want dat is precies wat past bij de onderdrukkende structuur van het patriarchaat. Door dezer liefde zo hoog aan te slaan, passen we ons aan. We moeten volgens hooks alles en iedereen met een openheid en houding van liefde te benaderen. Dit betekent dat we onze angst loslaten en met vertrouwen en liefde de wereld benaderen. Dat is niet makkelijk in deze wereld, zegt hooks, en dat begrijp ik. Hooks: “Een liefdesethiek veronderstelt dat iedereen het recht heeft om vrij te zijn, om voluit en goed te leven. Om een liefdesethiek in te voeren in elke dimensie van ons leven zou onze samenleving verandering moeten omarmen” (p. 104). We zouden dan in alle dimensies van ons leven iedereen met de volledige definitie van liefde moeten gaan benaderen. En dat betekent dat bepaalde mensen (i.c. mannen) positie en macht gaan verliezen. Liefde zorgt dus voor radicale verandering.

Overal liefde
Arthur Eaton schrijft: “Liefde is dus iets wat je kunt zien en niet alleen voelt. En als je om je heen kijkt, zul je zien dat liefde allerlei vormen aanneemt: van kleine vriendelijkheden tot levenslange toewijding. Kennis kan een vorm van liefde zijn; of het handhaven van de wet. Zelfs het buigen of breken van regels kan een vorm van liefde zijn. Een geschenk kan een uitdrukking van liefde zijn. En rebellie ook. Soms worden we liefdevol bemind zonder dat we het zelf opmerken.” (De Groene Amsterdammer 22 mei 2024)

Die grote beloftes van datingapps moet ik dus met een korreltje zout nemen. Liefde is overal maar in deze maatschappij tegelijk ingewikkeld als het op een relatie aankomt. In relaties met mijn naasten is het een stuk makkelijker. Een toevallige ontmoeting bij de kassa kan een daad van liefde zijn. En ook in andere aspecten van het leven zit liefde.

Ik kijk nu anders naar romcoms en de datingapps zijn van mijn telefoon verwijderd. Hooks leert me: sta open, maar conformeer niet - liefde is een wilsdaad. Met deze ingrediënten in mijn achterhoofd ga ik liefde doen. En anderen uitnodigen dat ook te doen. Wie weet wat we teweeg brengen.

Piek Knijff is data-ethicus en filosoof, en directeur van Filosofie in actie. Ze houdt zich bezig met de ethiek van data, technologie en algoritmes. ‘Filosofie in actie’ adviseert sinds 2013 organisaties in het publieke domein of met een maatschappelijke functie over de ethische kant van technologie, faciliteert het goede gesprek hierover en leidt daar mensen in op. Piek wordt gezien als een van de voortrekkers van data-ethiek in Nederland. In 2024 deed ze participatief onderzoek naar datingapps en schreef daarover in de nieuwsbrief ‘Swipe until you cry’.

© HTF Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) B.V. 2026
Webdesign: SaffrieDesign
cross
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram