info@hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl
+31(0)85 8769712
Contact

‘Praktische wijsheid’ is een concept uit de deugdethiek van Aristoteles, dat organisaties helpt omgaan met situaties waarin regels en protocollen tekortschieten. Dit maakt het een waardevol concept voor publieke dienstverleners, zoals de Belastingdienst, waar standaardisatie en efficiëntie vaak de norm zijn. Hoewel deze aanpak onmisbaar is voor de massaliteit van processen - ze verwerken jaarlijks alleen al twaalf miljoen aangiftes inkomstenbelasting - ontstaan er regelmatig uitzonderlijke of complexe situaties, waarin standaardoplossingen niet volstaan. Praktische wijsheid is een unieke vorm van kennis, die medewerkers in staat stelt om in zulke situaties weloverwogen, ethische beslissingen te nemen. Het draait om contextgebonden handelen, waarbij belangen, waarden en doelen zorgvuldig worden afgewogen: wat is op dit specifieke moment het juiste om te doen?

Afstudeeropdracht

Tijdens mijn projectstage bij het HTF Denkhuis onderzochten we of er bij medewerkers van de Belastingdienst die dagelijks contact hebben met burgers en bedrijven, sprake was van praktische wijsheid. De bevindingen, samengebracht in een essay voorzien van illustratieve casuïstiek, toonden aan dat praktische wijsheid ruimschoots aanwezig is. Het verspreiden van dit essay binnen de organisatie is één van de acties die de afdeling Innovatie & Strategie heeft geïnitieerd om meer herkenning, erkenning en waardering voor het concept te genereren, en om te benadrukken dat het belangrijk is hier meer gebruik van te gaan maken. 

Om het essay van een aansprekend voorwoord te voorzien en om in de toekomst met hetzelfde doel zinvolle activiteiten rondom het concept te organiseren, volgde aansluitend op dit project mijn afstudeeropdracht. Het voornaamste doel was om mijn opdrachtgevers inzicht te verschaffen in hoe er breed in de organisatie over het concept ‘praktische wijsheid’ gedacht wordt. Hoe wordt de term ‘praktische wijsheid’ ervaren? Welke factoren bevorderen of bemoeilijken het gebruik van deze term? Welke associaties roept het concept op? Leven er bij de medewerkers ideeën over welke activiteiten het waarderen en benutten van praktische wijsheid versterken?

Een toegepast-filosofisch professional speelt naar mijn mening een cruciale rol.

Beroepsproduct

Om antwoorden te vinden hield ik diepte-interviews met medewerkers uit diverse lagen van de organisatie, zoals een fiscaal juridisch adviseur, een manager van de Belastingtelefoon, een afdelingshoofd Midden- en Kleinbedrijf, een adviseur Leren en Ontwikkelen en een programmamanager Leiderschap en Cultuur. Deze interviews boden een breed scala aan perspectieven en maakten duidelijk dat praktische wijsheid op veel manieren wordt ervaren en gewaardeerd. Tegelijkertijd kwamen er ook uitdagingen naar voren, zoals het balanceren tussen wet- en regelgeving en het bieden van maatwerk.Ik streefde met mijn beroepsproduct drie doelen na: ten eerste moest het de bevindingen begrijpelijk en boeiend weergeven voor een breed publiek, zonder moeilijk taalgebruik of theoretische beschouwingen. Ten tweede moest het voor een ieder die het zou lezen een bron van inspiratie worden. Door het product te doorspekken met herkenbare en pakkende quotes uit de interviews, bood het collega’s een inkijkje in de beleving van het concept in andere organisatieonderdelen, waar ze normaliter vrij ver vanaf staan. Ten derde moest het beroepsproduct een gevoel van verbondenheid benadrukken. Ik refereerde bijvoorbeeld aan de respondenten als collega’s, juist omdat samenwerking en gemeenschapszin essentieel zijn om praktische wijsheid succesvol te integreren. Om dit extra te benadrukken is het eerste hoofdstuk gewijd aan de persoonlijke en professionele drijfveren van de geïnterviewde collega’s. Want zoals Aristoteles al stelde: de mens is een zoön politikon, een gemeenschapswezen.

Handelingsperspectief

Het beroepsproduct is tevens voorzien van een concreet handelingsperspectief: een gespreksmodel dat samenwerking tussen verschillende afdelingen stimuleert. Denk hierbij aan beleidsmakers die in gesprek gaan met uitvoerders, zoals medewerkers van de Belastingtelefoon, om elkaars perspectieven te begrijpen en de kloof tussen beleid en praktijk te overbruggen. Deze gesprekken zijn niet vrijblijvend van opzet, maar structureel en gericht op het verbeteren van de samenwerking en het verrijken van elkaars inzichten. Zo wordt praktische wijsheid een gedeelde verantwoordelijkheid binnen de organisatie.

Het centraal stellen van burgers en bedrijven is een kernwaarde van de Belastingdienst, die na recente gebeurtenissen nog sterker leeft. Het concept ‘praktische wijsheid’ sluit hier naadloos bij aan. Door medewerkers te helpen beter om te gaan met complexe situaties, draagt het concept bij aan een meer menselijke en flexibele benadering. De inzichten uit mijn beroepsproduct ondersteunen dit proces op meerdere niveaus. Zo worden dit jaar ontmoetingen georganiseerd tussen afdelingen die normaal gesproken ver van elkaar afstaan. Daarnaast worden de resultaten gedeeld met bestuurlijke groepen, commissies en via een studium generale. Het eerdere essay, dat inmiddels is voorzien van een voorwoord op basis van mijn onderzoek, zal feestelijk worden gepresenteerd binnen de Concerndirectie Innovatie & Strategie en later breder in de organisatie.

Menselijke maat

Een concept als ‘praktische wijsheid’ introduceren in een hiërarchische, regelgedreven organisatie is geen eenvoudige opgave. Het vraagt om begrip van de organisatiecultuur, de waarden en overtuigingen van medewerkers, en de spanningsvelden die spelen. Enerzijds is er de noodzaak om wetgeving strikt en eenduidig uit te voeren, anderzijds is er de wens om ruimte te creëren voor de menselijke maat. Hierin het juiste midden vinden, vraagt om strategisch inzicht en een goed begrip van de onderliggende dynamieken binnen een organisatie. Een toegepast-filosofisch professional speelt naar mijn mening een cruciale rol in dit proces. Met behulp van de in de opleiding ontwikkelde competenties, zoals kritisch en conceptueel denken, kan hij of zij abstracte theorieën vertalen naar praktische oplossingen. Het vermogen om deze oplossingen vervolgens duidelijk en aantrekkelijk te communiceren, voegt uiteindelijk een unieke waarde toe aan organisatie.

Illustraties: Geert Gratama

Henna Doornekamp is toegepast filosoof en geniet momenteel van een sabbatical. Ze onderzoekt momenteel zorgvuldig waar in het bedrijfsleven zij haar opgedane kennis en vaardigheden betekenisvol kan inzetten.

Een tijdje geleden was ik in Leusden bij de Internationale School voor Wijsbegeerte aanwezig bij de presentatie van het boek Macht en Moed - Praktijkboek van Erik Pool. Verder waren aanwezig: een beroemde schrijver, een nog beroemdere cabaretier, een bekende politicus, een generaal van het leger, een lid van de Raad van State en een hoofdinspecteur van het onderwijs. Allemaal spraken ze lovende woorden over het boek, dat gaat over het grote belang van dialoog en het voeren van onderzoeksgesprekken. Elke  spreker benadrukte hoe hard die nodig waren, elk vanuit hun eigen perspectief en het werkveld waarin zij werkzaam waren.

Zondagsbegrip

Maar niemand ging in op de vraag wat zo’n gesprek precies inhield: wie er dan met wie aan tafel moest komen, wat het thema ervan zou kunnen zijn, hoe het voorbereid moest worden, wie het zou moeten leiden, wat de inzet ervan was. ‘Dialoog’ is een zondagsbegrip: iedereen wil er wat mee, maar niemand weet wat het precies inhoudt. Met als gevolg dat niemand er daadwerkelijk wat mee doet. Mooie intenties, nul consequenties. Nogal wiedes, zou je zeggen, want hoe moet je iets aanpakken waarvan je geen idee hebt wat het is? 

Het boek van Erik Pool gaat over de vraag hoe je in de dagelijkse praktijk van de overheid vruchtbare dialogen tot stand brengt. Mijn nieuwe boek gaat daar ook over, maar heeft een andere focus. Het biedt niet alleen technieken van reflectie in de context van de ambtenarij of ander werk, maar geeft ook een systematisch overzicht van de kunst van de dialectiek: het vermogen om dialogen te voeren. Dat is vanouds de kern van de praktische filosofie.

Mooie intenties, nul consequenties.

In vorm komen

Er zijn in de filosofie drie takken van sport te onderscheiden: de academische filosofie, de publieksfilosofie en de praktische filosofie. De academische filosofie is abstract en theoretisch; zij produceert wetenschappelijke boeken en artikelen in vaktijdschriften. De publieksfilosofie wil filosofie vertalen in voor leken begrijpelijk taal; zij levert journalistieke stukken, lezingen en publieke optredens. De praktische filosofie gaat net als Socrates met een filosofisch instrumentarium de markt op, om op allerlei plekken in de samenleving reflectie en dialoog tot stand te brengen. 

Socrates was de horzel van de Atheense burgerij. Hij beschouwde het zoeken van wijsheid als het belangrijkste wat er is in het leven. Altijd ging het hem erom inzicht te verwerven in de juiste handelingsleidende ideeën: de beelden en opvattingen die jezelf en anderen ‘in vorm’ kunnen brengen. Want alleen door inzicht in wat het betekent om ‘in vorm te zijn’ en hoe je in vorm komt, kun je een waarachtig goed leven leiden. 

Wat bij ons bekend staat als de ideeënleer van Plato is in feite een vormleer: het Griekse eidos betekent in de eerste plaats ‘vorm’. De ideeënleer is de leer van het in vorm komen, van het onderzoek van voortreffelijkheid en je beste zelf. Nog in de Apologie, zijn toespraak tot de rechters die hem wilden veroordelen voor het bederven van de jeugd, hekelde Socrates de heersende mentaliteit van kortzichtigheid, eigenbelang en vormloosheid: “Schamen jullie je niet dat je wel oog hebt voor het verwerven van rijkdom, status en aanzien, maar je niet bekommert om wijsheid en waarheid, en de vervolmaking van je ziel?” (29d-e). Ook toen waren mensen niet in vorm.

Indringende vragen

Op dat punt is er 2500 jaar later niet veel veranderd. Socrates’ kritiek en zijn poging zijn medeburgers wakker te schudden is vandaag de dag nog net zo relevant als toen. Er zijn heel veel mensen, groepen en organisaties, die de indringende vragen van een of andere Socrates goed zouden kunnen gebruiken. We leven in een tijd waarin de crises zich aaneenrijgen, publiek en persoonlijk: klimaat, wonen, stikstof, oorlog, uitholling van gezag, migratie, globalisering, polarisatie, aantasting van het recht, institutionele onmacht, ondermijning van de democratie, pedagogische ontwrichting, onvermogen tot disciplinering - het is een lange, urgente en verontrustende reeks. Het zijn niet alleen kwesties die op het politieke toneel spelen, maar ook in het persoonlijke leven. De verwarring is de afgelopen decennia alleen maar toegenomen. Er is steeds minder sprake van een gedeelde werkelijkheid, gemeenschappelijke waarden en een verbindende cultuur. Wat voor standpunt moet je in elk van die thema’s innemen? Wat is het goede? Wat wil je werkelijk? 

Gezamenlijk nadenken

Er is in mijn ogen nog steeds grote behoefte aan mensen die in het voetspoor van Socrates kunnen treden en je helpen om grondig na te denken, zowel over de grote maatschappelijke kwesties als over jezelf: hoe je in vorm komt en wat het richtinggevende idee in een kwestie is. In vorm komen - Handboek praktische filosofie geeft een systematisch overzicht van wat het voeren van socratische gesprekken inhoudt, wat je moet kennen en kunnen om de rol van Socrates op je te kunnen nemen. Het beschrijft tientallen praktische competenties die vanouds het hart van de dialectiek vormen. 

Dialectiek kun je omschrijven als de kunst om in een dialoog uiteenlopende visies en houdingen te onderzoeken. Zij schept een cultuur van gezamenlijk nadenken, die mensen verbindt ondanks hun verschillen. In mijn boek geef ik een gedetailleerd beeld van die kunst. Het is gericht op de ontwikkeling van een vruchtbare gespreks- en onderzoekscultuur, voor iedereen die zich de kunst van reflectie eigen wil maken. Je hoeft geen academisch geschoold filosoof te zijn om in het voetspoor van Socrates te treden. Wel moet je er bepaalde vaardigheden voor onder de knie krijgen. Die vergen oefening en training. De kunst van het filosofische gesprek leer je alleen in de praktijk.

Socrates’ kritiek en zijn poging medeburgers wakker te schudden is vandaag de dag nog net zo relevant als toen.

Instrumentele rationaliteit

In die praktijk is het al een grote kunst om überhaupt ruimte te maken voor reflectieve gesprekken. Iedereen heeft het druk, iedereen vindt dat er al te veel gepraat wordt en dat dat nergens toe leidt. We hebben geen tijd voor dialoog, heet het al gauw, laat staan voor filosofie of het onderzoek naar ideeën. Want het levert niets op, het brengt ons niet verder. Dat is het standaardbeeld van filosofie: mooie maar nutteloze, want veel te abstracte, reflecties van wereldvreemde stuurlui aan wal. Dat beeld hebben de filosofen aan zichzelf te wijten. De academische en ook de publieksfilosofen bevestigen dit beeld geregeld.

In de praktijk voeren we meestal maar twee soorten gesprekken op het werk: conversatie en vergaderen. Het eerste gesprek is vrij van nut. Het gaat over koetjes en kalfjes: het nieuws of het weer, de sport of de politiek. Het tweede is wel bedoeld als nuttig: het gaat over wat er in het werk op de agenda staat, wat prioriteit heeft, wie wat moet doen om het gezamenlijke doel te realiseren. Het is instrumentele rationaliteit: een vorm van denken en spreken die resultaatgericht is. Er moet iets uitkomen, anders haken mensen af. Directe effectiviteit staat centraal. 

Hater van gesprekken

Aan de derde vorm van denken en spreken: vrije ruimte-gesprekken of substantiële rationaliteit, komt men meestal niet toe. Dat gesprek gaat over wat eigenlijk de richtinggevende waarden en doelen zijn, welke visie en ideeën de juiste zijn, hoe je met elkaar wilt samenwerken, wat in een activiteit de kern is en wat bijkomstig, kortom: wat het waarachtige beeld van in vorm zijn inhoudt. In de klassieke filosofie werd dit domein wel aangeduid als het goede, het ware en het schone. Daar komen de grote zondagsbegrippen aan bod, zoals ‘rechtvaardigheid’, ‘gelijkheid’, ‘waarheid’ of ‘zinvolheid’. 

Het is lastig om daar grondig met elkaar over te spreken. Je loopt onmiddellijk tegen problemen aan als definitie, vraagstelling, concretisering, afbakening en veelstemmigheid, met alle bijbehorende spraakverwarring. Bovendien: zo’n gesprek leidt ogenschijnlijk tot niets anders dan woorden. Je komt makkelijk op het punt dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Je krijgt al gauw het gevoel dat zulke gesprekken nooit ergens toe leiden, waardoor op den duur iedereen afhaakt. Dat is de befaamde ‘misologie’, waar Socrates op wijst in de Phaedo: het gevaar om ‘een hater van gesprekken’ te worden. “Want een mens kan geen erger kwaad overkomen dan het haten van gesprekken.” (89d).

Veeleisende discipline

Hoe moeilijk zulke gesprekken ook mogen zijn, ze zijn niettemin onontbeerlijk. Als missie, visie en strategie niet helder zijn, doet iedereen maar wat. Als je geen aandacht besteedt aan hoe wat jij doet, moet worden afgestemd op wat anderen doen, ontstaat er geen teamwork. Als niemand zich druk maakt over de vraag of het een beetje goed leven is op het werk, krijg je snel een verwaarloosde organisatie, met alle consequenties van dien. Gesprekken voeren over principes of beginselen, datgene waar het om begonnen is, is cruciaal, zowel voor het welzijn van jezelf als van degenen met wie je het leven deelt.

Daarom is het van groot belang dat er mensen komen die vaardig zijn in dialectiek: die in staat zijn gesprekken te voeren over de grote begrippen en die een cultuur van reflectie in een organisatie kunnen ontwikkelen. Praktische filosofie is een omvattende, complexe en veeleisende discipline. Ze begint met het vermogen om vrije ruimte te scheppen en mensen te begeleiden in gezamenlijk nadenken. Ze is gebaseerd op een groot aantal samenhangende vaardigheden: nauwkeurig formuleren, vooronderstellingen opsporen en toetsen, vragen stellen, argumentaties opbouwen en vergelijken, je verplaatsen in een ander, principes verduidelijken - allemaal typisch filosofische basisvaardigheden. En dan hebben we het nog niet eens over geavanceerde vaardigheden als begrippen uiteen halen, tegenstellingen inspecteren, eenheid in veelheid aanbrengen en de sprong naar een idee maken.

Langzaam verschuift de filosofie van de academie en het vrijetijdscircuit naar de werkvloer en het dagelijks leven.

Maandagochtendvergadering

Dialectiek is een vak. Op dit moment wordt dat meestal uitgeoefend door consultants, coaches en organisatieadviseurs. Filosofen schrikken ervoor terug. Zij doceren liever Kant of Heidegger, of stellen zich tevreden met het populariseren van het filosofische gedachtegoed. Met als gevolg dat het handwerk, het ambacht van de filosoof, vooral door niet-filosofen wordt uitgevoerd. In vorm komen - Handboek praktische filosofie is erop gericht filosofen te kweken die het werk van Socrates wèl aan kunnen en die de praktische filosofie weer de rol geven die ze oorspronkelijk had, namelijk: gesprekken voeren. Niet alleen in de vrije ruimte van een school (het Griekse scholè betekent ‘vrije ruimte’), maar ook op de markt, met beleidsmakers en bestuurders, en met alle mensen van wie verwacht mag worden dat ze ideeën hebben en een visie op waar het naartoe moet.

Ik heb jarenlang trainingen in de socratische methode gegeven. Daar zat op enig moment een interim-manager uit het onderwijs bij. Hij raakte geïnspireerd en kreeg het vuur van reflectie. Daarom had hij op de scholengemeenschap waar hij interim-directeur was ingevoerd dat hij op de maandagochtendvergadering met zijn team van conrectoren eerst een uur lang een socratisch gesprek voerde: samen een relevante praktijkvraag onderzoeken, aan de hand van een persoonlijke casus en enkele simpele socratische oefeningen. Hij vertelde dat ze er nooit mee klaar kwamen in dat uur en dat het vaak uitliep. Maar door de wekelijkse herhaling ontstond er wel een cultuur van reflectie, inclusief de ontwikkeling van vaardigheden in dialectiek en de geleidelijke, gezamenlijke vorming van een visie op onderwijs en organisatie. Bovendien - en dat was misschien nog wel het belangrijkste - leidde het tot een gevoel van verbinding, doordat ze gezamenlijk de grote vragen aanpakten. In die richting moeten we het zoeken, denk ik.

Leren filosoferen

Er zijn de afgelopen jaren heel wat boeken verschenen over praktische filosofie, de techniek van het socratisch gesprek, stappenplannen voor moreel beraad, werkvormen om reflectie teweeg te brengen, enzovoort. Het is bij elkaar een rijk palet, variërend van het socratisch café - voor iedereen toegankelijk - tot strategische analyses in organisaties met behulp van het kralenspel. Er hebben zich inmiddels verschillende groepen van praktische filosofen gevormd, die inzichten, technieken en nieuwe werkvormen uitwisselen (DenkLab, HTF, ISVW). Langzaam verschuift de filosofie van de academie en het vrijetijdscircuit naar de werkvloer en het dagelijks leven, van weekend en vrije tijd naar de praktijk van door-de-week. Ik ben daar blij om. Alleen al omdat daarmee eindelijk recht wordt gedaan aan Kants verzuchtingen in de Kritiek van de zuivere rede, dat filosofie niet beschouwd moet worden als  ‘een systeem van wetenschap’, maar als een ‘traktaat over de methode’ (B XXIII), en dat je ‘filosofie’ niet kunt leren: je kunt alleen ‘leren filosoferen’. (A838 / B866).

Jos Kessels studeerde rechten en filosofie, werkte aanvankelijk als muzikant, journalist en filosofiedocent, en promoveerde op een proefschrift over kennistheorie en filosofieonderwijs. Jos heeft 35 jaar gesprekken en trainingen met managers en bestuurders in verschillende sectoren van de samenleving geleid, schreef boeken en specialiseerde zich in ideeënleer: de theorie en praktijk van het socratisch gesprek.

Mijn hersenpan moet leeg. Kan iemand de uitknop vinden en die heel hard indrukken, zodat ik terug kan? Want geloof mij: overal, werkelijk op alle terreinen in het dagelijks bestaan, zijn filosofische vragen te vinden, wat weer inhoudt dat mijn gedachten voor altijd aanstaan. De grote levensvragen komen dagelijks om de hoek kijken en vinden zinderend hun plekje in mijn gedachtewokkels. 

Soms is dat hinderlijk te noemen en soms bevind ik me in een gelukzalige toestand, want hoewel ik heus wel eens terug wil naar mijn onwetendheid, blijft mijn drang naar kennisverzameling fier overeind staan. Het is immers mooi om te ervaren dat wij mensen mogelijke antwoorden kunnen verzamelen op elke vraag die speelt in ons dagelijks leven. Grote of kleine vragen, werkelijke vragen of fantasievragen, gesloten vragen of reflecterende vragen: op elke vraag is een antwoord mogelijk en daar ben ik naar op zoek. Of elk antwoord dan ook weer het enige en echt goede antwoord is, dat is dan weer de vraag. Ik denk van niet.  

Overweldigend vragenboek

Filosofie is voor mij de weg van onderzoekend denken, waarmee ik erachter probeer te komen wat mijn antwoorden zijn op de vragen die ik heb. Ik besta, omdat ik vragen heb: dat is mijn motto geworden. Mijn meest mysterieuze vraag is die over de werkelijkheid: wat is nu werkelijk waar? Leven wij in een reële wereld met rationele wezens of zijn wij slechts aangestuurde poppen? En als wij dan poppen blijken te zijn, wie waren wij dan al die tijd? Worden we genept? Met dergelijke vragen speelt schrijfster Olga Tokarczuk in haar boek Empusion (2024). 

In het verhaal volgen we een jonge student die zijn dagen slijt in een beroemd sanatorium. Patiënten uit heel Europa verblijven in een herensalon en in die salon volgen we tal van gesprekken over filosofische onderwerpen als politiek, religie, de rol van de vrouw en de man, de dood en het einde van de gehele wereld. Terwijl de gesprekken gevoerd worden, doen zich verontrustende gebeurtenissen voor in de bossen rondom het sanatorium. ‘Niets is wat het lijkt’ kan zomaar de conclusie zijn van dit boek. Of misschien is het beter om te spreken van: ‘Alles is wat het lijkt’. Deze kwestie houdt mij op dit moment bezig; het is de erfenis van het lezen van dit overweldigende vragenboek. 

Innerlijke discussie

Ik heb het idee dat ik moet kiezen tussen twee formats: ‘het is wat het is’ versus ‘het is niet wat het is’. En dat vind ik uitermate irritant. Ik houd niet van kiezen. Mijn wens is simpel: het pad volgen zonder keuzes. Kon ik me neerleggen bij het determinisme, dan leidde ik een makkelijker bestaan. Alles zou voor mij uitgestippeld zijn en ik kon niets doen aan wat mij gebeurt en overkomt. Alles is wat het is. 

Ik heb vrienden die zo kunnen leven en dat lijkt mij zalig. Volkomen tevredenheid is wat voortvloeit uit dit kunnen, denk ik. En toch kriebelt het. Het is ook erg saai om te leven volgens ‘het is wat het is’. Dat lijkt leuker dan dat het is. Je neerleggen bij datgene wat jouw leven lijkt te zijn, zorgt niet voor innerlijke discussie en gesprekken. En dat is precies wat mijn leven betekenis geeft. Het is avontuurlijk om te leven met ‘het is niet wat het is’; dat laat Tokarczuk zien in haar verhalen. 

Stevig denkonderzoek

De maanden na het lezen van Empusion heb ik me beziggehouden met het feminisme. In het verhaal wordt de vrouw op een spottende manier weggezet als iemand die zonder intellect en vaardigheden leeft. Woest werd ik daarvan, ook al moest ik vaak hardop lachen om het talent van Tokarczuk om op een ongelooflijk cynische manier haar feminisme tentoon te stellen.

In de bossen van het sanatorium maken de arbeiders vrouwen van bladeren en mos ter vermaak en seksuele lering; alleen op die manier zijn vrouwen nuttig. Nu is het zo dat ik ook een vrouw ben en wel een vrouw die bestaat uit meer dan bladeren en mos. Maar dat voelt vaak niet zo. Als vrouw moet ik nog steeds opboksen tegen de heersende mannenmacht, want hoe kan het dat vrouwen die seks hebben met verschillende mannen ‘hoer’ genoemd worden en mannen die wisselende seksuele contacten hebben ‘stoer’ heten? Hoe kom ik uit die passieve bladerentoestand? Hier heb ik een nieuwe vraag te pakken die, met dank aan Tokarczuk, mij aanzet tot een stevig denkonderzoek. Want hoe je het ook wendt of keert: het is niet wat het is.

Anne-Mathije Bogerd ziet in haar dagelijks leven overal filosofie op zich afkomen. Ze wordt omringd door lastige vragen en probeert antwoorden te vinden. Ze schrijft graag en heeft als missie om filosofie toegankelijk te maken voor een ieder, want iedereen bezit een filosofische basis. In haar werkleven is Anne-Mathije actieonderzoeker en zet zij zich actief in om collega's te bevragen over het waarom van het werkende leven.

Een jaar lang gaf ik lessen filosofische gespreksvoering op de ISK Arnhem. Hier worden nieuwkomers tussen de 12 en 18 jaar oud in twee jaar voorbereid op het Nederlandse onderwijs. Mijn meesterproef is bedoeld als bruikbaar en inspirerend pleidooi voor het vak filosofie op het lesrooster van iedere ISK. Het uiteindelijke doel is om mijn leerlingen te laten kennismaken met de waarde van het goede gesprek en hen tevens te bekwamen in de vaardigheden die hiervoor nodig zijn. De leerling, maar zeker ook de samenleving, hebben hier behoefte aan. 

Meesterproef

Ik kreeg het afgelopen schooljaar toestemming om in twee tweedejaars ISK klassen twee uur per week filosofie te geven. Voor de invulling van de lessen kreeg ik volledig de vrije hand. ‘Filosofie’ werd ‘filosoferen’ en deze hypothese werd het startpunt voor mijn Meesterproef, die zich als volgt laat omschrijven:

Thema-gedreven lessen filosofische gespreksvoering op een ISK kunnen helpen om leerlingen de vaardigheden en het vertrouwen te geven een bestendige identiteit te vinden en om, met dit weldoordachte zelfbeeld, succesvol te kunnen meedoen in de (heropbouw van de) publieke ruimte als handelend subject en actief burger.

Socratische houding

In deze hypothese vind je twee rode draden terug: identiteitsvinding en het aanleren van gespreksvaardigheden. De eerste vijf maanden voerden we in de klas vooral gesprekken over thema’s rondom identiteit. Door hierbij telkens een socratische houding aan te nemen, daagde ik de leerlingen uit om hun gedachten en overtuigingen onder woorden te brengen en te onderzoeken. Het draait bij deze houding om het toelaten van verwondering, het stellen van vragen, het concreet maken van abstracties, het sturen op verplaatsing in elkaars posities en het naast elkaar leggen van de verschillende inzichten en argumenten. Zo kan gezamenlijk onderzoek plaatsvinden en kan een dieper en essentiëler begrip van zaken worden bereikt. Bij gesprekken over onderwerpen als geloof, racisme en de verschillen tussen mannen en vrouwen kwam telkens een heel scala aan zienswijzen voorbij. Het logboek dat ik bijhield, vulde zich snel met prachtige verhalen en gesprekken, die ik regelmatig laat terugkomen in mijn beroepsproduct.

Grote stappen

In het tweede deel van het jaar behandelde ik ook gericht de vaardigheden die nodig zijn om een goed (socratisch) gesprek te kunnen voeren. Denk hierbij aan vragen stellen, doorvragen, samenvatten en argumenteren. Ik stelde een lijst van positieve en negatieve bijdragen op en stuurde in de lessen vooral op het verbeteren van de positieve bijdragen en het afleren van de negatieve. Denk bij negatieve bijdragen aan het afkappen van de ander, meningen zonder argument geven of afwijken van het onderwerp. De leerlingen kregen een lijst met deze gedragingen, omschreven op beginner-, gevorderd en expertniveau, en konden zo worden meegenomen in wat ik van hen verwachtte. 

Met twee uur per week kunnen leerlingen grote stappen maken in het zich eigen maken van gespreksvaardigheden, zo blijkt uit het onderzoek dat ik deed. Voor dit onderzoek liet ik de leerlingen eenvoudige socratische gesprekjes voeren en opnemen. In een zogenaamde nulmeting kon ik per leerling de bijdragen aan het gesprek terugluisteren en aangeven wat ze goed en minder goed deden. Uiteindelijk volgde in juni een eindmeting in, wederom, een socratisch gesprekje tussen vier leerlingen. Op de eindrapporten kon ik zo een goed gefundeerde beoordeling geven. Deze aanpak werkte motiverend en gaf mij daarnaast de kans om het vak te laten passen in de bestaande schoolse structuur. 

Veel enthousiasme

Theoretisch baseerde ik me bij dit alles, naast Socrates, vooral op het werk van Hannah Arendt. Handelen, zoals door haar beschreven, is een essentieel deel van wat wij mensen moeten doen om op een goede en gezonde manier (samen) te leven. We zijn dit echter verleerd, zo zag ze al in de jaren 50 van de vorige eeuw. Door een obsessie met efficiëntie en technologische innovaties doen wij onszelf, de maatschappij en de aarde tekort. Dat identiteitsvinding en gespreksvoering niet eenvoudig zijn in onze tijd - een tijd waarin de publieke ruimte steeds verder verdwijnt - is evident, maar met iedere nieuwe generatie komt er ook nieuwe hoop op positieve verandering. Haar hoop is een onmisbaar uitgangspunt voor iedere docent.

Door met het vak filosofische gespreksvoering niet op een eiland te blijven, maar juist mijn collega’s hierbij te betrekken, heb ik geprobeerd mijn invloed te verbreden naar buiten mijn eigen lesuren. Middels een socratisch teamgesprek met ruim dertig collega’s en een workshop ‘eerste hulp bij overtuigingen’ heb ik hen meegenomen in mijn project. Schoolleiding, collega’s en leerlingen hebben mijn project met veel enthousiasme ontvangen. Dit schooljaar zijn mijn uren ‘filosoferen’ verdubbeld. 

Hoopvol

Anders dan enkel in te vullen wat zij moeten doen in dit leven, moet de school haar leerlingen weer kennis laten maken met ‘de ander’ als complexe, maar uiterst waardevolle slijpsteen voor de eigen gedachten. Een goed gesprek kost tijd, energie, ruimte en moeite, maar kan niet worden gemist in ons leven en, al helemaal niet, in de identiteitsontwikkeling van jonge mensen. Of mijn lessen ook de langetermijneffecten uit mijn hypothese hebben opgeleverd kan uiteraard nu nog niet worden gezegd, al stemmen de vorderingen, het plezier en de reacties me zeker hoopvol.

Niels Witjes is een ervaren docent met een brede expertise. Van VMBO tot hoger onderwijs en van Engels tot filosofie: zijn carrière kenmerkt zich door veelzijdigheid. Momenteel deelt hij zijn filosofische kennis met zijn leerlingen van de ISK en start hij vanaf dit schooljaar ook als docent Sociale Filosofie en Algemene Pedagogiek aan de HTF.

Al maanden is Nederland in de ban van het aangekondigde plan van het kabinet om een ‘asielcrisis’ uit te roepen en een noodwet in te voeren, en daarmee het parlement tijdelijk te omzeilen. De redenering deed velen de wenkbrauwen fronsen. “Mensen ervaren een asielcrisis. Daarom komen we binnenkort met een noodmaatregel,” zei premier Schoof op de persconferentie na afloop van de ministerraad van 13 september jl. Asielminister Marjolein Faber moest alleen nog even goed op papier zetten waarom er de facto een crisis is of zou zijn - de zogenaamde ‘dragende motivering’. 

Columnisten, politici en tal van experts buitelden over elkaar heen met kritiek die je als filosofisch zou kunnen typeren. Kun je een crisis uitroepen als er van een crisis - zoals een oorlog, overstroming of virusuitbraak - eigenlijk geen sprake is? En: als je er maanden over doet om te bewijzen dat het crisis is, bewijs je dan niet automatisch dat er geen crisis is? En: is een crisis niet een sterk afwijkende fase in een langere ontwikkeling, waarvan - gezien de stabiele instroomcijfers - helemaal geen sprake is? Dit zijn allemaal goede, begripsanalytische vragen, met een duidelijk antwoord: nee, er is geen crisis. 

Helaas is het niet zo simpel. Crisiswetenschappers die goed hebben gekeken naar hoe samenlevingen een crisis definiëren, zien dat het altijd om een sociale constructie gaat, waarbij de perceptie ertoe doet. Crisiswetenschappers spreken van een crisis wanneer een gemeenschap ervaart dat haar fundamentele waarden en normen bedreigd worden, en er op korte termijn ingegrepen moet worden. Deze definitie biedt genoeg aanknopingspunten voor politici om een crisis uit te roepen en beleid erdoor te duwen dat anders niet mogelijk zou zijn geweest. 

Minister Faber zou het uitroepen van een asielcrisis als sociale constructie filosofisch kunnen onderbouwen aan de hand van de taalfilosoof John Searle (1932). Searle stelde dat taal niet alleen dient om de werkelijkheid te beschrijven, maar ook om een daad te stellen. Denk aan een belofte, bevel of verontschuldiging, waarmee je handelt via de taal en de werkelijkheid in zekere zin naar je hand zet. Met het uitroepen van een asielcrisis creëert Faber volgens Searle een zogenaamd ‘institutioneel feit’, waarmee ze een crisisstatus toekent aan de huidige situatie. Als de meerderheid van de Nederlanders deze status accepteert, ís er daarmee een asielcrisis, ook al spreken de feiten en tal van maatschappelijke partijen dit tegen.

Het probleem voor Faber is echter dat wij de beoordeling of er echt een crisis is, die noodmaatregelen en het omzeilen van het parlement rechtvaardigt, hebben belegd bij de rechterlijke macht. Hoewel juristen geen officiële definitie van ‘crisis’ hebben geformuleerd, is duidelijk dat er sprake moet zijn van ‘buitengewone omstandigheden’ en daarvoor moet er voldaan zijn aan twee criteria: 1) een vitaal belang wordt bedreigd en 2) normale bevoegdheden volstaan niet om deze dreiging af te wenden. 

Fabers plan moet langs ons hoogste juridische adviesorgaan, de Raad van State. Die kwam in 2021 al met een advies waarin duidelijk werd gemaakt dat ‘niet elke crisis die in het dagelijks spraakgebruik een ‘crisis’ wordt genoemd, ook een crisis is waarvoor noodbevoegdheden kunnen worden ingezet.’ Het moet echt gaan om een overstroming, kernramp, virusuitbraak of terrorische aanval, waarvoor geen reguliere wettelijke instrumenten zijn. Daarvan is bij de Nederlandse asielkwestie geen sprake. De asielcrisis is ten dele een opvangcrisis die, bijvoorbeeld, met de spreidingswet kan worden bestreden. Mocht het kabinet ondanks negatief advies toch doorgaan met de noodwet, dan strandt het beleid zeer waarschijnlijk bij een rechter. 

Het kabinet (lees: de PVV) zal dan nog steeds beweren dat het namens de meerderheid van de Nederlanders iets aan de asielcrisis wilde doen en dat een kleine club ongekozen juristen, die zelf geen last hebben van de asielinstroom, de boel saboteerden. Een boze Telegraaflezer verzette zich er ook tegen dat we pas mogen spreken van een crisis als dat juridisch is gestaafd. “Laat mij u zeggen: in de volksmond noemen wij dit allen gewoon een asielcrisis,” schreef hij. : Faber is een vrouw van het volk en benoemt het gewoon zoals het is: een crisis! Iedere jurist die daar iets tegen heeft moet een ander vak gaan uitoefenen!”

De scribent noemde nog enkele crises die de volksmond als zodanig bestempelt: de wooncrisis, de personeelscrisis en de klimaatcrisis. Zou hij de consequenties hebben doordacht van wat het betekent als de Nederlandse regering op al die terreinen verregaande bevoegdheden zou krijgen? Als een asielminister zomaar institutionele feiten mag maken en crisismaatregelen mag doordrukken, dan mag een klimaatminister dat ook. Is er voor deze nieuwe aanpak in Nederland een meerderheid?

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

Toen ik begon aan mijn afstudeerproject, had ik één helder doel voor ogen: de kracht van verhalen binnen democratische processen onderzoeken. Verhalen zijn niet alleen narratieven die persoonlijke ervaringen delen, maar ook instrumenten die helpen complexe vraagstukken te verduidelijken. Dit inzicht werd de kern van mijn afstudeeropdracht en leidde tot een verrassende en praktische toepassing van mijn werk. 

Gedeelde menselijke ervaring
Een belangrijk onderdeel van mijn afstudeeropdracht bestond uit twee interviews die ik afnam met oud-deelnemers van een burgerpanel en een burgerberaad. Deze gesprekken vormden een waardevolle praktijktoets voor mijn filosofische onderzoek. Tijdens de interviews kwamen thema’s als ‘empathie’, ‘catharsis’ en ‘meerstemmigheid’ naar voren. De verhalen van de deelnemers waren rijk aan emotie en persoonlijke reflectie, wat perfect aansloot bij mijn onderzoek naar catharsis en empathie. Ik vertaalde hun ervaringen naar de taal van de toegepaste filosofie door de nadruk te leggen op hoe hun verhalen de gedeelde menselijke ervaring binnen een democratisch proces weerspiegelen. Door deze interviews kon ik de kloof tussen filosofische theorie en praktijk overbruggen, en aantonen dat de kracht van verhalen niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk essentieel is.

Emotionele inzichten
Naarmate mijn onderzoek vorderde, raakte ik geïnspireerd door verschillende filosofen die zich hebben uitgesproken over de rol van verhalen en emoties in de samenleving. Een van de eerste denkers die ik tegenkwam, was Martha Nussbaum. Haar ideeën over empathie als basis voor rechtvaardige besluitvorming waren voor mij een openbaring. In haar boek Poetic Justice betoogt Nussbaum dat literatuur en verhalen ons in staat stellen om ons in te leven in de ervaringen van anderen. Dit inlevingsvermogen is cruciaal voor het maken van eerlijke beleidsbeslissingen. Nussbaum's filosofie werd de eerste bouwsteen voor mijn onderzoek, waarin ik verhalen als essentieel middel zag om empathie en rechtvaardigheid te bevorderen.

De toegepast filosoof is een bruggenbouwer, die de kloof tussen theorie en praktijk overbrugt.

Vanuit Nussbaum kwam ik terecht bij Aristoteles, die sprak over de rol van verhalen in het bevorderen van emotioneel inzicht. Zijn concept van catharsis, zoals beschreven in Poetica, gaat over het zuiveren van emoties door tragedie. Dit idee resoneerde sterk in mijn focus op verhalen in burgerberaden. Verhalen helpen deelnemers niet alleen rationeel na te denken, maar bieden ook emotionele inzichten, die nodig zijn voor diepgaande verbindingen.

Moderne publieke ruimtes

Een andere inspiratiebron was Chimamanda Ngozi Adichie, die in haar TED Talk The Danger of a Single Story de gevaren benadrukt van het reduceren van mensen tot één enkel verhaal. In burgerberaden draait het vaak om het samenbrengen van verschillende perspectieven. Adichie liet me inzien hoe belangrijk het is om ruimte te maken voor meerstemmigheid, zodat we de complexiteit van de samenleving recht doen. Ook Halleh Ghorashi, hoogleraar Diversiteit en Integratie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, vormde een inspiratiebron. Ghorashi benadrukt in haar werk de noodzaak van inclusiviteit, vooral door de stemmen van gemarginaliseerde groepen centraal te stellen. Verhalen van migranten en vluchtelingen moeten erkend worden als waardevolle bijdragen aan het democratische proces.  

Tot slot kwam ik uit bij de filosoof Hannah Arendt, die de rol van de publieke ruimte in de democratie bestudeerde. Arendt beschrijft publieke ruimtes als plekken waar mensen samenkomen om te debatteren en gezamenlijk te handelen. Dit bood me een waardevol perspectief op hoe burgerberaden kunnen functioneren als moderne publieke ruimtes, waar verhalen de drijvende kracht kunnen zijn achter collectieve actie en verandering.

Inclusieve en rechtvaardige besluitvormingsprocessen 

Wat mijn afstudeerproject echt bijzonder maakte, was de samenwerking met een theatergezelschap dat kunst inzet om maatschappelijke vraagstukken aan te kaarten. Mijn onderzoek werd niet alleen gewaardeerd in theoretische zin, maar ook praktisch omgezet in performances die ik zelf mag opvoeren. Hierdoor worden de kracht van verhalen en de filosofische concepten die ik heb onderzocht, op een toegankelijke en creatieve manier gedeeld met een breed publiek.

Deze afstudeerreis, van onderzoek tot het podium, heeft me laten zien hoe krachtig verhalen kunnen zijn als instrument voor empathie, begrip en democratische vernieuwing. Ik heb geleerd dat verhalen niet alleen persoonlijke ervaringen overbrengen, maar ook bruggen slaan tussen mensen en ideeën. 

Toegepaste filosofie speelt een essentiële rol in het adresseren van complexe maatschappelijke vraagstukken door abstracte ideeën te vertalen naar praktische toepassingen. Deze benadering stelt ons in staat om niet alleen theoretische inzichten te delen, maar ook om de ethische implicaties van beslissingen te onderzoeken en ruimte te bieden voor verschillende perspectieven. De toegepast filosoof is als een bruggenbouwer, die de kloof tussen theorie en praktijk overbrugt, wat cruciaal is voor het creëren van inclusieve en rechtvaardige besluitvormingsprocessen.

Basma Djemni-Smith, geboren in Amsterdam in 1977, studeerde in 2024 af als toegepast filosoof aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF). In haar werk combineert Basma een diepgaande interesse in politieke processen, democratie en medezeggenschap met een passie voor kunst en cultuur.

In de klassieke Griekse tragedies is het koor veelal prominent aanwezig. Het vertolkt de rol van meelevende toeschouwer, het geeft uitleg, het brengt de juiste sfeer om het stuk te begrijpen én het verwoordt een gezichtspunt van realisme en gematigdheid. Het koor voedt de toeschouwers op en het schoolt hen in zelfbewust burgerschap, vaak door commentaar op de overmoed (hybris) van de personages. Binnen de handeling van de tragedie nemen de personages dit commentaar over het algemeen niet ter harte. Ze leren van eigen en andermans fouten - althans: soms. En meestal te laat.   

Benoemen van het zichtbare en het verborgene

In deze oefening ligt de nadruk op het benoemen van het zichtbare en van het verborgene. Het koor kan ervoor kiezen te benoemen wat buiten beschouwing lijkt te blijven, wat meer aandacht zou verdienen, aandacht geven aan onderstromen in de dynamiek, aandacht geven voor wat onder de mat lijkt te verdwijnen. Het koor kan tegenspreken, het koor kan, al dan niet ironisch, ‘ondertitelen’. 

Net zoals in de Griekse tragedies neemt het koor in deze oefening de positie van buitenstaander in, dat wil zeggen: het koor participeert vanaf de zijlijn. Het koor neemt wel stelling, maar doet dat niet dominant of dwingend. Een koorlid is betrokken bij de handeling, maar spreekt vanuit een groot en tegelijk nederig verantwoordelijkheidsgevoel. Naar een koorlid wordt niet geluisterd vanwege zijn positie, maar vanwege de raakheid en de precisie van het commentaar. Het koorlid neemt verantwoordelijkheid en spreekt, zonder aarzeling. Het koorlid begrenst zich, niet zozeer vanuit machteloosheid maar vanuit een visie op de juiste mate van betrokkenheid. Het laat van zich horen als de ontwikkelingen dat vereisen. Het belang van zijn bijdrage is voor het koorlid boven twijfel verheven.

Loyaliteit

Tijdens een onderzoeksgesprek in de vorm van een socratische dialoog staat het begrip ‘loyaliteit’ centraal. De deelnemers verplaatsen zich in de schoenen van de voorbeeld-inbrenger. Hun bijdragen gaan zonder uitzondering over loyaliteit aan de groep en de kwestie. Het koor richt zich op meerdere loyaliteiten van de voorbeeldgever en zegt: “Het koor spreekt: Wie is hier loyaal aan zichzelf?” Zoals wel vaker wordt dit niet onmiddellijk ter harte genomen, maar wordt er iets later op een bredere manier naar de kwestie en het begrip ‘loyaliteit’ gekeken.

Bijzonder is dat ‘ex-koorleden’ veelal iets zeggen als: “Dat was leerzaam! Ik merkte dat ik als vanzelf zuinig werd met woorden. En ook zorgvuldig wilde omgaan met mijn bijzondere positie.”

Stappen

  1. Maak met de aanwezigen en/of de gespreksleider de afspraak dat je de rol op je neemt van een Grieks koorlid: dat je in korte interventies woorden zult geven aan het ongezegde en/of een tegenstem zult bieden. Dat kan in principe in elk gesprek, elk overleg.  
  2. Pak (bijvoorbeeld) een barkruk en ga daarop zitten, op enige afstand van de gesprekspartners. Creëer afstand en een verhoging.
  3. Volg het proces waar je als koorlid bij betrokken bent of waar je je bij betrokken voelt, nauwkeurig. Maak notities. 
  4. Orden de gedachtewisseling in een speelveld: wat lijken voor de gesprekspartners de uitersten te zijn? Klopt dat? 
  5. Zijn er aspecten die niet genoemd worden of gaandeweg uit beeld verdwijnen? Wat van hetgeen gezegd is, verdient meer stem of juist een tegenstem?
  6. Overweeg de relevantie hiervan. Is er naar jouw idee een noodzaak om bepaalde overwegingen (opnieuw) op tafel te leggen? Of om te duiden op een nieuwe invalshoek of wending?  
  7. Wanneer je besluit te spreken: aarzel niet en pak je rol. Spreek met pathos. En vooral: spreek kort en kies nieuwe woorden, die anders klinken en niet eerder in het gesprek gebruikt zijn. Put uit een poëtisch vocabulaire. Begin met: Het koor spreekt:… (stilte - mededeling … )  
  8. Spreek niet in de ik-vorm: je vertegenwoordigt iets groters en hogers!
  9. Bedenk dat je bijdrage aan kracht wint bij een spaarzaam en zorgvuldig gebruik van je ‘autoriteit’. Beperk het aantal interventies. En anderzijds: durf te experimenteren met je rol; hoe kan je je toegevoegde waarde vergroten?
  10. Evalueer alleen of met de groep je gemaakte keuzes, je gesproken tekst, de reactie(s) van de groep.

Luuk Stegmann is klinisch psycholoog en psychotherapeut. Sinds 2012 is hij hoofddocent van de beroepsopleiding Visieontwikkeling en Rechtvaardig Leiderschap van de ISVW. Hij is mederedacteur van Hoog Spel, Filosoferen in de praktijk. 

De accountantswereld worstelt al langer met het op orde krijgen van de rol als vertrouwenspersoon in het maatschappelijk verkeer. Te vaak blijken er in de praktijk tekortkomingen op het gebied van morele besluitvorming, waarbij het spreekwoord ‘vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard’ maar al te vaak waar blijkt te zijn. Eén incident kan het vertrouwen in de beroepsgroep weer voor lange tijd schaden. 

Ethisch competente accountant 

Het lijkt eenvoudig, maar het is erg complex om vertrouwen blijvend op te bouwen. Hiervoor is gedragsverandering op een diep onderbewust niveau nodig en die blijkt door langjarig gewortelde opvattingen en attitudes, niet eenvoudig tot stand te brengen. Om hierin nieuwe stappen te zetten heeft de NBA in 2023 een Moreel Besluitvormingsmodel gelanceerd, dat inzicht biedt in het proces van totstandkoming van een moreel besluit door een ethisch competente accountant. Om tot een professionele oordeelsvorming te komen heeft de accountant een betere interactie en samenwerking met collega’s en stakeholders nodig. Deze oordeelsvorming vraagt om bedrevenheid in het voeren van normatieve gesprekken: gesprekken waarin besproken wordt hoe een accountant zich behoort te gedragen. 

Idee-stroom: Van Goede Intentie naar Ethisch Besluit 

Als toegepast filosofen hebben Paul en Johan praktijkgericht onderzoek gedaan naar hoe AiB’ers in de praktijk normatieve gesprekken kunnen voeren over ethische kwesties, i.c. over duurzaamheidsvraagstukken2. Van belang hierbij is dat de gesprekstechnieken bijdragen aan het verbeteren van de relatie en interactie van de AiB’ers met hun stakeholders binnen en buiten de organisatie. 

Na het praktijkgerichte onderzoek hebben Paul en Johan de NBA geadviseerd om het (theoretische) Moreel Besluitvormingsmodel te voorzien van een praktische verdieping in de vorm van het kralenspel3. Deze door Jos Kessels ontwikkelde socratische gespreksvorm hebben Paul en Johan, na toetsing in de praktijk, op maat gemaakt voor toepassing door AiB’ers. Als naam voor deze gesprekstechniek kozen zij : Idee-stroom: Van Goede Intentie naar Ethisch Besluit.

Idee van het Goede 

Met het inbrengen van het besluitvormingsmodel ‘Idee-stroom’ kunnen door AiB’ers heikele kwesties op een gestructureerde, analytische en neutrale manier gevoerd worden. Bij de eerste vier ‘kralen’ van het kralenspel wordt de kwestie verkend, met als kern het ‘hittepunt’: waar het in het gesprek wérkelijk om gaat en waar het dus spannend wordt. Vervolgens komt het in drie kralen aan op de persoon en diens innerlijke roerselen. Daarna wordt in twee kralen het speelveld afgebakend (van klein naar groot en vice versa) en wordt in de tiende kraal uiteindelijk het Idee van het Goede geformuleerd. 

Met behulp van het kralenspel worden kwesties van teveel emotie ontdaan en door de inbreng van alle deelnemers komen meerdere invalshoeken naar voren. Dit levert nieuwe inzichten op. Het gaat er bij het kralenspel niet om dat er oplossingen worden bedacht, maar dat spelers tot hun Idee van het Goede komen, op basis waarvan ze tot een beter moreel besluit komen.

Doorwerking in de beroepspraktijk 

In hun onderzoek hebben Paul en Johan speciaal gezocht naar een manier waarop hun besluitvormingsmodel door kan werken in de dagelijkse beroepspraktijk van de AiB’er. In hun beroepsproduct doen zij hiervoor verschillende aanbevelingen. Binnenkort gaan zij met de NBA in gesprek over de implementatie van hun product. Met het Moreel Besluitvormingsmodel en het concept ‘Idee-stroom’ hebben zij een bijdrage geleverd aan de verdere ontwikkeling van de bredere rol die de AiB’er in de toekomst moet gaan vervullen: niet alleen een financiële rol, maar vooral ook een maatschappelijke. 

Johan Maliepaard 

Johan Maliepaard heeft een achtergrond in de accountancy en als bestuurder in de ouderenzorg. Het laatste decennium was hij eigenaar van ZEKER JM organisatieadvies en sinds een jaar is hij retired. Bij de HTF volgde hij de bachelor BED (Bestuur, Economie en Duurzaamheid) en de tweejarige Master Toegepaste Filosofie. 

Paul Stuiver 

Paul Stuiver is afgestudeerd als accountant en bedrijfskundige en is zowel werkzaam geweest in de accountantsbranche als accountant in business in het bedrijfsleven. Op dit moment is Paul werkzaam als financial controller in het bedrijfsleven. Bij de HTF volgde hij de bachelor Beleid en Bestuur en de tweejarige Master Toegepaste Filosofie.

Dit is de zoveelste poging uit een jarenlange reeks om jongeren via het onderwijs te socialiseren. Ook voor dit aankomende rapport heb ik slecht nieuws. Met alle respect voor de goede bedoelingen: wie met een cultuurfilosofische blik naar de hele onderneming kijkt, beseft dat ook met deze nieuwe kerndoelen het hele socialisatieplan gedoemd is te mislukken. De hele opzet om jongeren op deze wijze te socialiseren is filosofisch onverantwoord. Bovendien ontbreken in de actuele neoliberale samenleving de mogelijkheidsvoorwaarden voor het welslagen van het burgerschapsonderwijs. Het moet anders en wellicht kan het onder welbepaalde condities ook anders. En beter. 

Sociale cohesie
Sociaal gedrag in allerlei uitingsvormen, van jong en oud, is van vitaal belang voor een vreedzame samenleving. Zo’n samenleving heeft behoefte aan (minimale vormen van) onderlinge en wederzijdse erkenning van haar burgers. Over de noodzaak van sociale cohesie bestaat - ook bij mij - geen enkele twijfel. De kernvraag is hoe je zo’n socialisatie onder de burgers georganiseerd krijgt.
Ergens aan het begin van deze eeuw zijn verschillende verontruste en gezaghebbende personen en instanties op het toneel verschenen, die vonden dat het sociale gedrag van Nederlandse jongeren aanzienlijk te wensen overliet. Daarmee zou op termijn de cohesie van ons land in gevaar komen. Naar hun mening zou deze potentiële bedreiging van de bestaande maatschappelijke orde door sociaal gericht onderwijs kunnen worden afgewend. Of dat idee deugt, is nog maar helemaal de vraag, want alleen al de maatschappelijke ongelijkheid vormt een veel grotere dreiging.

Jongeren moeten leren om sociaal te zijn, goed samen te werken en solidair met elkaar zijn.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap
Overigens kunnen we ons bij zo’n maatschappelijke diagnose gemakkelijk van alles voorstellen: de inmiddels onophefbare multiculturele samenleving met al zijn openlijke en verborgen spanningen, sluipende vormen van discriminatie, toenemende misdaad, steeds diepere polarisatie, gebrek aan tolerantie en wederzijds respect. Tegen zo’n achtergrond is een toekomstperspectief van gewelddadig gedrag jegens andersdenkenden, moordaanslagen incluis, niet denkbeeldig. Samengevat: het individu speelt zijn rol als verantwoordelijk burger steeds slechter. De gedachtegang was en is dat deze toenemende bedreiging van de democratische rechtsstaat kan worden gekeerd via doelgericht burgerschapsonderwijs. De basiswaarden van de democratische rechtsstaat zijn volgens de wet: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Op de internalisering van die basiswaarden moet volgens deze logica het burgerschapsonderwijs zich dus richten.  

Voor wat zo’n bewering waard is: inmiddels zou onder schoolleiders, docenten en zelfs leerlingen brede steun bestaan voor dit plan om leerlingen in het onderwijs voor te bereiden op hun sociale rol in de samenleving. Jonge mensen moeten dus leren om autonoom en vrij te worden of zelfs vrij te zíjn. Het moet tot hen doordringen dat ze ongeacht gender, geloof, klasse, ras of etniciteit gelijkwaardig aan elkaar zijn, en ze moeten dat besef ook zelf daadwerkelijk actief uitdragen. Bovenal moeten ze leren om sociaal te zijn, goed samen te werken en solidair met elkaar zijn. Ze moeten dus op school leren om de betekenis van vrijheid, gelijkheid en broederschap te begrijpen, en op de een of andere manier die drie concepten praktiseren. Ga er maar aan staan als school, en als leraar. En probeer er als leerling maar eens chocola van te maken. 

Handelingsverlegenheid
Sinds 2021 geldt voor het onderwijs een wettelijke burgerschapsopdracht. De uitvoering ervan zal op termijn strenger worden gecontroleerd. Dat is nodig omdat het huidige burgerschapsonderwijs in algemene zin (nog) niet werkt, uitzonderingen daargelaten. De concrete ‘vertaling’ van vrijheid, gelijkheid en solidariteit naar een passend en zinvol lesprogramma blijkt voor tal van scholen erg lastig. De meeste docenten voelen zich niet opgewassen tegen zo’n enorme opdracht, want ja: wat is eigenlijk vrijheid? Hoezo gelijkheid? Kijk eens om je heen? Solidariteit? Was dat niet een hele oude linkse hobby uit de jaren ’60 - ’70? Onder deze handelingsverlegenheid blijft tot dusverre zelfs de minimale inhoud nog altijd zeer vaag, krijgen de lessen maar moeizaam vorm en ontbreekt zowel de innerlijke samenhang als het verband met de rest van het onderwijs. 

Passende competenties
Over de resultaten van de leerlingen lees ik weinig verheffends. Vooral op het mbo - zeer grote aantallen leerlingen, ongelofelijk belangrijk voor onze toekomst - komt het burgerschapsonderwijs nauwelijks uit de verf. Door de nadruk op reflectieve vaardigheden snappen vooral de betere leerlingen uit het vwo een beetje wat democratie zou kunnen zijn, wat nog niet wil zeggen dat ze - om een concreet voorbeeld te geven - dáárdoor minder zouden discrimineren. 

Qua politieke participatie zitten onze Nederlandse jongeren in vergelijking met andere Europese landen in de achterhoede. Ze hebben weinig kennis van partijprogramma’s, nemen relatief weinig deel aan debatten, laat staan aan maatschappelijke initiatieven inzake milieu, veiligheid of zorg. Interessant is wel dat, ook al hebben ze nog weinig kaas gegeten van democratisch burgerschap, de huidige generatie jongeren zich daarmee nog lang niet expliciet antidemocratisch gedraagt. Hoe dan ook, vanwege de moeizame ontwikkeling van het hele burgerschapsproject wordt nu een nieuwe poging gedaan om kerndoelen te formuleren en passende competenties te ontwikkelen.

Zonder mondige jongeren maakt socialisatie geen enkele kans van slagen.

Moeizaam geploeter 
Nu zou je kunnen zeggen dat elke belangrijke vernieuwing tijd nodig heeft om in te dalen. Het is als met een elftal met een nieuwe trainer, nieuwe spelers en een nieuw tactiek: het kan even duren voordat iedereen op elkaar is ingespeeld. Al ziet iedereen dat het moeizaam geploeter is, dankzij een van hogerhand afgedwongen inzet en met behulp van nieuwe leerdoelen krijgen we straks een betere burgerschapspraktijk en een vreedzaam land met mooie en verdraagzame mensen. We zouden ‘gewoon’ geduld en vertrouwen moeten hebben. Maar dan moeten we natuurlijk wel geloven dat dit een goed verhaal is.
In zijn meeslepende boek The End of Education uit 1995 stelde Neil Postman dat we bij de vorming van jongeren iets belangrijks zijn kwijtgeraakt. Opvoeding en scholing hebben twee taken: organisatorisch en moreel. De organisatorische taak gaat over kennis en vaardigheden, de morele taak over persoonsvorming en burgerschap. Beide taken veronderstellen volgens Postman een goed verhaal, dat voldoende symbolische kracht bezit om jongeren te inspireren om op zoek te gaan naar een eigen zinvol leven. 

Het burgerschapsonderwijs in Nederland gaat niet lukken omdat die symbolische kracht totaal ontbreekt. Het hele plan is een paternalistisch initiatief van een kongsi van christelijke en linkse, angstige volwassenen, die hun onbehagen en zorgen projecteren op jongeren en denken dat ze hen via een stevige disciplinering wel even tot sociaal gedrag kunnen motiveren. Het burgerschapsverhaal is een slecht verhaal, niet eens zozeer omdat al het onbehagen onterecht is, maar omdat de zorg verkeerd behandeld, geduid en geadresseerd is. Dit zijn mijn voornaamste bezwaren. 

Vijf redenen waarom het burgerschapsonderwijs niet gaat lukken 

  1. Er wordt niet meer opgevoed

Onderwijs is één ding, opvoeding iets anders. Opvoeding gaat vooraf aan het onderwijs. In een aandachtige en liefdevolle opvoeding vindt de eerste socialisatie plaatsvindt en leert het jonge kind zowel zijn eigen wensen uit te stellen als oog te hebben voor de wensen van anderen. Maar de toenemende welvaart en de emancipatiegolf vanaf de jaren zestig hebben geleid tot ontdisciplinering en een houding van vrijblijvendheid. Hannah Arendt waarschuwde destijds al voor de gevolgen van de groeiende gezagsloosheid van volwassenen: 

“In de opvoeding beslissen wij ook of we onze kinderen genoeg liefhebben om hen niet aan zichzelf over te laten, maar integendeel, hen nu al voor te bereiden op hun opgave: het vernieuwen van de gemeenschappelijke wereld. Maar vandaag is het gezag afgeschaft door volwassenen en dat kan maar één ding betekenen, namelijk dat de volwassenen weigeren om verantwoordelijkheid te nemen voor de wereld waarin zij zelf hun kinderen geboren hebben laten worden.” 

Vandaag is de kritiek op de actuele opvoedingspraktijk alleen maar toegenomen. De crisis in de opvoeding blijkt uit de afwezigheid van een duidelijke pedagogische missie, onder het nieuwe ouderlijke motto: ‘je hebt er toch geen invloed op.’ Het is hoogmoed om te denken dat het onderwijs deze pedagogische verwaarlozing zonder fatsoenlijke basis kan oplossen. Eerst moet de opvoedingscultuur veranderen.

  1. De algemene gezagscrisis

Niet alleen ouders missen gezag bij de opvoeding van hun kinderen. Zoals Ad Verbrugge in zijn nieuwste boek De gezagscrisis overtuigend laat zien, heerst er een algemene gezagscrisis in onze cultuur, die precies de burgerschapshouding van openheid, tolerantie en wederzijds respect totaal ondermijnt. Elke leraar binnen de hele onderwijssector moet dag in dag uit zijn gezag veroveren en herwinnen. Het hele idee van socialisering is kansloos zonder legitiem gezag.

  1. De funeste rol van de social media

De opvoedings- en onderwijscrises worden mede veroorzaakt door de social media en de verlangens naar roem en succes die daarin door vele influencers worden verspreid. Talloze jongeren identificeren zich met een ‘ster’ en worden volgeling van een influencer. Het goede voorbeeld van ouders en leraren, gezagsdragers en allerlei leidinggevenden wordt door veel jongeren achteloos afgewezen. Intussen vindt het voorbeeld van populaire personen uit de wereld van de kunst, media en sport wel gretig navolging. Het zelfinzicht van grote aantallen jongeren in de kwaliteit van hun motivatie is hoogst twijfelachtig.

  1. De teloorgang van de discipline

In onze neoliberale samenleving mag je doen waar je zin hebt, mits je de ander niet te veel schaadt. Intussen zien we overal om ons heen (en ook bij ons zelf) talloze voorbeelden van een gebrek aan zelfbeheersing: excessief gebruik van genotsmiddelen, velerlei verslavingen, mateloos consumeren, tijdgebrek alom en veel te volle agenda’s. Wat zegt het over ons gezag dat we de smartphone die het hele onderwijs ruïneert, maar niet uit de klas krijgen? De meest dominante mentale ondeugden zijn gebrek aan aandacht en prudentie (ofwel: voorzichtigheid, terughoudendheid en verstandigheid), mateloosheid en ongeduld.’ Praktijken van zelfbeheersing en empathie worden niet of nauwelijks onderhouden. Het is een gotspe om te zeggen dat ‘de meeste mensen deugen’.

  1. Het gebrek aan persoonsvorming

In hun befaamde onderzoeksprogramma Onderwijs2032 pleitten Dekker en Schnabel in 2017 nog voor een integratie van persoonsvorming en burgerschap in het onderwijs. Het is een teken aan de wand dat persoonsvorming het veld heeft moeten ruimen, terwijl de pleitbezorgers van burgerschapsonderwijs geen idee hebben wat het betekent om een mens te vormen. Dit is mijn grootste grief tegen de burgerschapsdenkers. Terwijl ze zeggen te pleiten voor vrijheid, gelijkheid en broederschap, zijn ze alleen in de laatste twee geïnteresseerd. Ze miskennen het belang van autonomie en weten niet wat innerlijke vrijheid is. Daarmee bevat het burgerschapsonderwijs een enorme weeffout. Een jongere is, zoals de Franse pedagoog Pierre Meirieu het treffend formuleert, een ‘nog-niet-persoon’. Zijn cognitieve, emotionele en sociale vermogens zijn nog lang niet ver genoeg ontwikkeld. Hij of zij wordt nog te veel gestuurd door willekeurige verlangens en heeft nog te weinig overzicht over zichzelf en de wereld. Daarom hebben jongeren begeleide zelfvorming nodig. Het is gevaarlijk om hen op te zadelen met verantwoordelijkheden zonder dat ze eerst fatsoenlijk zijn opgevoed en vervolgens in het onderwijs met de juiste competenties worden toegerust. 

Conclusie
Dit is mijn alternatief. Ik pleit voor integrale vorming vanuit het filosofisch inzicht dat ons eigen denken, begrijpen en voelen, willen en kunnen, geven en nemen, nauw met elkaar verbonden zijn, en dat we als zodanig in contact staan met anderen en met de wereld. De meeste jongeren uit het vmbo en mbo, maar ook talloze jongeren uit het vwo zijn helemaal niet gemotiveerd om zichzelf te ontwikkelen, laat staan om zich te laten socialiseren. Ze worden geleid door valse idolen en hebben geen innerlijke vrijheid. Ofwel: ze worden continu onteigend en kunnen zichzelf niet toe-eigenen. Daarom moeten we hen in opvoeding en onderwijs van meet af aan serieus nemen en hen allereerst begeleiden bij het vormen van hun intrinsieke motivatie. Zonder mondige jongeren maakt socialisatie geen enkele kans van slagen.  

-

Prof. dr. Joep Dohmen (1949) is emeritus-hoogleraar wijsgerige en praktijkgerichte Ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht. Momenteel is hij als lector Bildung en docent verbonden aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) aldaar. Hij is vooral bekend als auteur van verschillende boeken over nietzscheaanse levenskunst, Bildung, moreel leiderschap, persoonsvorming en de kunst van het ouder worden.

© HTF Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) B.V. 2026
Webdesign: SaffrieDesign
cross
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram