De accountantswereld worstelt al langer met het op orde krijgen van de rol als vertrouwenspersoon in het maatschappelijk verkeer. Te vaak blijken er in de praktijk tekortkomingen op het gebied van morele besluitvorming, waarbij het spreekwoord ‘vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard’ maar al te vaak waar blijkt te zijn. Eén incident kan het vertrouwen in de beroepsgroep weer voor lange tijd schaden.
Het lijkt eenvoudig, maar het is erg complex om vertrouwen blijvend op te bouwen. Hiervoor is gedragsverandering op een diep onderbewust niveau nodig en die blijkt door langjarig gewortelde opvattingen en attitudes, niet eenvoudig tot stand te brengen. Om hierin nieuwe stappen te zetten heeft de NBA in 2023 een Moreel Besluitvormingsmodel gelanceerd, dat inzicht biedt in het proces van totstandkoming van een moreel besluit door een ethisch competente accountant. Om tot een professionele oordeelsvorming te komen heeft de accountant een betere interactie en samenwerking met collega’s en stakeholders nodig. Deze oordeelsvorming vraagt om bedrevenheid in het voeren van normatieve gesprekken: gesprekken waarin besproken wordt hoe een accountant zich behoort te gedragen.
Als toegepast filosofen hebben Paul en Johan praktijkgericht onderzoek gedaan naar hoe AiB’ers in de praktijk normatieve gesprekken kunnen voeren over ethische kwesties, i.c. over duurzaamheidsvraagstukken2. Van belang hierbij is dat de gesprekstechnieken bijdragen aan het verbeteren van de relatie en interactie van de AiB’ers met hun stakeholders binnen en buiten de organisatie.
Na het praktijkgerichte onderzoek hebben Paul en Johan de NBA geadviseerd om het (theoretische) Moreel Besluitvormingsmodel te voorzien van een praktische verdieping in de vorm van het kralenspel3. Deze door Jos Kessels ontwikkelde socratische gespreksvorm hebben Paul en Johan, na toetsing in de praktijk, op maat gemaakt voor toepassing door AiB’ers. Als naam voor deze gesprekstechniek kozen zij : Idee-stroom: Van Goede Intentie naar Ethisch Besluit.

Met het inbrengen van het besluitvormingsmodel ‘Idee-stroom’ kunnen door AiB’ers heikele kwesties op een gestructureerde, analytische en neutrale manier gevoerd worden. Bij de eerste vier ‘kralen’ van het kralenspel wordt de kwestie verkend, met als kern het ‘hittepunt’: waar het in het gesprek wérkelijk om gaat en waar het dus spannend wordt. Vervolgens komt het in drie kralen aan op de persoon en diens innerlijke roerselen. Daarna wordt in twee kralen het speelveld afgebakend (van klein naar groot en vice versa) en wordt in de tiende kraal uiteindelijk het Idee van het Goede geformuleerd.
Met behulp van het kralenspel worden kwesties van teveel emotie ontdaan en door de inbreng van alle deelnemers komen meerdere invalshoeken naar voren. Dit levert nieuwe inzichten op. Het gaat er bij het kralenspel niet om dat er oplossingen worden bedacht, maar dat spelers tot hun Idee van het Goede komen, op basis waarvan ze tot een beter moreel besluit komen.

In hun onderzoek hebben Paul en Johan speciaal gezocht naar een manier waarop hun besluitvormingsmodel door kan werken in de dagelijkse beroepspraktijk van de AiB’er. In hun beroepsproduct doen zij hiervoor verschillende aanbevelingen. Binnenkort gaan zij met de NBA in gesprek over de implementatie van hun product. Met het Moreel Besluitvormingsmodel en het concept ‘Idee-stroom’ hebben zij een bijdrage geleverd aan de verdere ontwikkeling van de bredere rol die de AiB’er in de toekomst moet gaan vervullen: niet alleen een financiële rol, maar vooral ook een maatschappelijke.
Johan Maliepaard heeft een achtergrond in de accountancy en als bestuurder in de ouderenzorg. Het laatste decennium was hij eigenaar van ZEKER JM organisatieadvies en sinds een jaar is hij retired. Bij de HTF volgde hij de bachelor BED (Bestuur, Economie en Duurzaamheid) en de tweejarige Master Toegepaste Filosofie.
Paul Stuiver is afgestudeerd als accountant en bedrijfskundige en is zowel werkzaam geweest in de accountantsbranche als accountant in business in het bedrijfsleven. Op dit moment is Paul werkzaam als financial controller in het bedrijfsleven. Bij de HTF volgde hij de bachelor Beleid en Bestuur en de tweejarige Master Toegepaste Filosofie.
Dit is de zoveelste poging uit een jarenlange reeks om jongeren via het onderwijs te socialiseren. Ook voor dit aankomende rapport heb ik slecht nieuws. Met alle respect voor de goede bedoelingen: wie met een cultuurfilosofische blik naar de hele onderneming kijkt, beseft dat ook met deze nieuwe kerndoelen het hele socialisatieplan gedoemd is te mislukken. De hele opzet om jongeren op deze wijze te socialiseren is filosofisch onverantwoord. Bovendien ontbreken in de actuele neoliberale samenleving de mogelijkheidsvoorwaarden voor het welslagen van het burgerschapsonderwijs. Het moet anders en wellicht kan het onder welbepaalde condities ook anders. En beter.
Sociale cohesie
Sociaal gedrag in allerlei uitingsvormen, van jong en oud, is van vitaal belang voor een vreedzame samenleving. Zo’n samenleving heeft behoefte aan (minimale vormen van) onderlinge en wederzijdse erkenning van haar burgers. Over de noodzaak van sociale cohesie bestaat - ook bij mij - geen enkele twijfel. De kernvraag is hoe je zo’n socialisatie onder de burgers georganiseerd krijgt.
Ergens aan het begin van deze eeuw zijn verschillende verontruste en gezaghebbende personen en instanties op het toneel verschenen, die vonden dat het sociale gedrag van Nederlandse jongeren aanzienlijk te wensen overliet. Daarmee zou op termijn de cohesie van ons land in gevaar komen. Naar hun mening zou deze potentiële bedreiging van de bestaande maatschappelijke orde door sociaal gericht onderwijs kunnen worden afgewend. Of dat idee deugt, is nog maar helemaal de vraag, want alleen al de maatschappelijke ongelijkheid vormt een veel grotere dreiging.
Jongeren moeten leren om sociaal te zijn, goed samen te werken en solidair met elkaar zijn.
Vrijheid, gelijkheid en broederschap
Overigens kunnen we ons bij zo’n maatschappelijke diagnose gemakkelijk van alles voorstellen: de inmiddels onophefbare multiculturele samenleving met al zijn openlijke en verborgen spanningen, sluipende vormen van discriminatie, toenemende misdaad, steeds diepere polarisatie, gebrek aan tolerantie en wederzijds respect. Tegen zo’n achtergrond is een toekomstperspectief van gewelddadig gedrag jegens andersdenkenden, moordaanslagen incluis, niet denkbeeldig. Samengevat: het individu speelt zijn rol als verantwoordelijk burger steeds slechter. De gedachtegang was en is dat deze toenemende bedreiging van de democratische rechtsstaat kan worden gekeerd via doelgericht burgerschapsonderwijs. De basiswaarden van de democratische rechtsstaat zijn volgens de wet: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Op de internalisering van die basiswaarden moet volgens deze logica het burgerschapsonderwijs zich dus richten.
Voor wat zo’n bewering waard is: inmiddels zou onder schoolleiders, docenten en zelfs leerlingen brede steun bestaan voor dit plan om leerlingen in het onderwijs voor te bereiden op hun sociale rol in de samenleving. Jonge mensen moeten dus leren om autonoom en vrij te worden of zelfs vrij te zíjn. Het moet tot hen doordringen dat ze ongeacht gender, geloof, klasse, ras of etniciteit gelijkwaardig aan elkaar zijn, en ze moeten dat besef ook zelf daadwerkelijk actief uitdragen. Bovenal moeten ze leren om sociaal te zijn, goed samen te werken en solidair met elkaar zijn. Ze moeten dus op school leren om de betekenis van vrijheid, gelijkheid en broederschap te begrijpen, en op de een of andere manier die drie concepten praktiseren. Ga er maar aan staan als school, en als leraar. En probeer er als leerling maar eens chocola van te maken.
Handelingsverlegenheid
Sinds 2021 geldt voor het onderwijs een wettelijke burgerschapsopdracht. De uitvoering ervan zal op termijn strenger worden gecontroleerd. Dat is nodig omdat het huidige burgerschapsonderwijs in algemene zin (nog) niet werkt, uitzonderingen daargelaten. De concrete ‘vertaling’ van vrijheid, gelijkheid en solidariteit naar een passend en zinvol lesprogramma blijkt voor tal van scholen erg lastig. De meeste docenten voelen zich niet opgewassen tegen zo’n enorme opdracht, want ja: wat is eigenlijk vrijheid? Hoezo gelijkheid? Kijk eens om je heen? Solidariteit? Was dat niet een hele oude linkse hobby uit de jaren ’60 - ’70? Onder deze handelingsverlegenheid blijft tot dusverre zelfs de minimale inhoud nog altijd zeer vaag, krijgen de lessen maar moeizaam vorm en ontbreekt zowel de innerlijke samenhang als het verband met de rest van het onderwijs.
Passende competenties
Over de resultaten van de leerlingen lees ik weinig verheffends. Vooral op het mbo - zeer grote aantallen leerlingen, ongelofelijk belangrijk voor onze toekomst - komt het burgerschapsonderwijs nauwelijks uit de verf. Door de nadruk op reflectieve vaardigheden snappen vooral de betere leerlingen uit het vwo een beetje wat democratie zou kunnen zijn, wat nog niet wil zeggen dat ze - om een concreet voorbeeld te geven - dáárdoor minder zouden discrimineren.
Qua politieke participatie zitten onze Nederlandse jongeren in vergelijking met andere Europese landen in de achterhoede. Ze hebben weinig kennis van partijprogramma’s, nemen relatief weinig deel aan debatten, laat staan aan maatschappelijke initiatieven inzake milieu, veiligheid of zorg. Interessant is wel dat, ook al hebben ze nog weinig kaas gegeten van democratisch burgerschap, de huidige generatie jongeren zich daarmee nog lang niet expliciet antidemocratisch gedraagt. Hoe dan ook, vanwege de moeizame ontwikkeling van het hele burgerschapsproject wordt nu een nieuwe poging gedaan om kerndoelen te formuleren en passende competenties te ontwikkelen.
Zonder mondige jongeren maakt socialisatie geen enkele kans van slagen.
Moeizaam geploeter
Nu zou je kunnen zeggen dat elke belangrijke vernieuwing tijd nodig heeft om in te dalen. Het is als met een elftal met een nieuwe trainer, nieuwe spelers en een nieuw tactiek: het kan even duren voordat iedereen op elkaar is ingespeeld. Al ziet iedereen dat het moeizaam geploeter is, dankzij een van hogerhand afgedwongen inzet en met behulp van nieuwe leerdoelen krijgen we straks een betere burgerschapspraktijk en een vreedzaam land met mooie en verdraagzame mensen. We zouden ‘gewoon’ geduld en vertrouwen moeten hebben. Maar dan moeten we natuurlijk wel geloven dat dit een goed verhaal is.
In zijn meeslepende boek The End of Education uit 1995 stelde Neil Postman dat we bij de vorming van jongeren iets belangrijks zijn kwijtgeraakt. Opvoeding en scholing hebben twee taken: organisatorisch en moreel. De organisatorische taak gaat over kennis en vaardigheden, de morele taak over persoonsvorming en burgerschap. Beide taken veronderstellen volgens Postman een goed verhaal, dat voldoende symbolische kracht bezit om jongeren te inspireren om op zoek te gaan naar een eigen zinvol leven.
Het burgerschapsonderwijs in Nederland gaat niet lukken omdat die symbolische kracht totaal ontbreekt. Het hele plan is een paternalistisch initiatief van een kongsi van christelijke en linkse, angstige volwassenen, die hun onbehagen en zorgen projecteren op jongeren en denken dat ze hen via een stevige disciplinering wel even tot sociaal gedrag kunnen motiveren. Het burgerschapsverhaal is een slecht verhaal, niet eens zozeer omdat al het onbehagen onterecht is, maar omdat de zorg verkeerd behandeld, geduid en geadresseerd is. Dit zijn mijn voornaamste bezwaren.
Vijf redenen waarom het burgerschapsonderwijs niet gaat lukken
Onderwijs is één ding, opvoeding iets anders. Opvoeding gaat vooraf aan het onderwijs. In een aandachtige en liefdevolle opvoeding vindt de eerste socialisatie plaatsvindt en leert het jonge kind zowel zijn eigen wensen uit te stellen als oog te hebben voor de wensen van anderen. Maar de toenemende welvaart en de emancipatiegolf vanaf de jaren zestig hebben geleid tot ontdisciplinering en een houding van vrijblijvendheid. Hannah Arendt waarschuwde destijds al voor de gevolgen van de groeiende gezagsloosheid van volwassenen:
“In de opvoeding beslissen wij ook of we onze kinderen genoeg liefhebben om hen niet aan zichzelf over te laten, maar integendeel, hen nu al voor te bereiden op hun opgave: het vernieuwen van de gemeenschappelijke wereld. Maar vandaag is het gezag afgeschaft door volwassenen en dat kan maar één ding betekenen, namelijk dat de volwassenen weigeren om verantwoordelijkheid te nemen voor de wereld waarin zij zelf hun kinderen geboren hebben laten worden.”
Vandaag is de kritiek op de actuele opvoedingspraktijk alleen maar toegenomen. De crisis in de opvoeding blijkt uit de afwezigheid van een duidelijke pedagogische missie, onder het nieuwe ouderlijke motto: ‘je hebt er toch geen invloed op.’ Het is hoogmoed om te denken dat het onderwijs deze pedagogische verwaarlozing zonder fatsoenlijke basis kan oplossen. Eerst moet de opvoedingscultuur veranderen.
Niet alleen ouders missen gezag bij de opvoeding van hun kinderen. Zoals Ad Verbrugge in zijn nieuwste boek De gezagscrisis overtuigend laat zien, heerst er een algemene gezagscrisis in onze cultuur, die precies de burgerschapshouding van openheid, tolerantie en wederzijds respect totaal ondermijnt. Elke leraar binnen de hele onderwijssector moet dag in dag uit zijn gezag veroveren en herwinnen. Het hele idee van socialisering is kansloos zonder legitiem gezag.
De opvoedings- en onderwijscrises worden mede veroorzaakt door de social media en de verlangens naar roem en succes die daarin door vele influencers worden verspreid. Talloze jongeren identificeren zich met een ‘ster’ en worden volgeling van een influencer. Het goede voorbeeld van ouders en leraren, gezagsdragers en allerlei leidinggevenden wordt door veel jongeren achteloos afgewezen. Intussen vindt het voorbeeld van populaire personen uit de wereld van de kunst, media en sport wel gretig navolging. Het zelfinzicht van grote aantallen jongeren in de kwaliteit van hun motivatie is hoogst twijfelachtig.
In onze neoliberale samenleving mag je doen waar je zin hebt, mits je de ander niet te veel schaadt. Intussen zien we overal om ons heen (en ook bij ons zelf) talloze voorbeelden van een gebrek aan zelfbeheersing: excessief gebruik van genotsmiddelen, velerlei verslavingen, mateloos consumeren, tijdgebrek alom en veel te volle agenda’s. Wat zegt het over ons gezag dat we de smartphone die het hele onderwijs ruïneert, maar niet uit de klas krijgen? De meest dominante mentale ondeugden zijn gebrek aan aandacht en prudentie (ofwel: voorzichtigheid, terughoudendheid en verstandigheid), mateloosheid en ongeduld.’ Praktijken van zelfbeheersing en empathie worden niet of nauwelijks onderhouden. Het is een gotspe om te zeggen dat ‘de meeste mensen deugen’.
In hun befaamde onderzoeksprogramma Onderwijs2032 pleitten Dekker en Schnabel in 2017 nog voor een integratie van persoonsvorming en burgerschap in het onderwijs. Het is een teken aan de wand dat persoonsvorming het veld heeft moeten ruimen, terwijl de pleitbezorgers van burgerschapsonderwijs geen idee hebben wat het betekent om een mens te vormen. Dit is mijn grootste grief tegen de burgerschapsdenkers. Terwijl ze zeggen te pleiten voor vrijheid, gelijkheid en broederschap, zijn ze alleen in de laatste twee geïnteresseerd. Ze miskennen het belang van autonomie en weten niet wat innerlijke vrijheid is. Daarmee bevat het burgerschapsonderwijs een enorme weeffout. Een jongere is, zoals de Franse pedagoog Pierre Meirieu het treffend formuleert, een ‘nog-niet-persoon’. Zijn cognitieve, emotionele en sociale vermogens zijn nog lang niet ver genoeg ontwikkeld. Hij of zij wordt nog te veel gestuurd door willekeurige verlangens en heeft nog te weinig overzicht over zichzelf en de wereld. Daarom hebben jongeren begeleide zelfvorming nodig. Het is gevaarlijk om hen op te zadelen met verantwoordelijkheden zonder dat ze eerst fatsoenlijk zijn opgevoed en vervolgens in het onderwijs met de juiste competenties worden toegerust.
Conclusie
Dit is mijn alternatief. Ik pleit voor integrale vorming vanuit het filosofisch inzicht dat ons eigen denken, begrijpen en voelen, willen en kunnen, geven en nemen, nauw met elkaar verbonden zijn, en dat we als zodanig in contact staan met anderen en met de wereld. De meeste jongeren uit het vmbo en mbo, maar ook talloze jongeren uit het vwo zijn helemaal niet gemotiveerd om zichzelf te ontwikkelen, laat staan om zich te laten socialiseren. Ze worden geleid door valse idolen en hebben geen innerlijke vrijheid. Ofwel: ze worden continu onteigend en kunnen zichzelf niet toe-eigenen. Daarom moeten we hen in opvoeding en onderwijs van meet af aan serieus nemen en hen allereerst begeleiden bij het vormen van hun intrinsieke motivatie. Zonder mondige jongeren maakt socialisatie geen enkele kans van slagen.
-

Prof. dr. Joep Dohmen (1949) is emeritus-hoogleraar wijsgerige en praktijkgerichte Ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht. Momenteel is hij als lector Bildung en docent verbonden aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) aldaar. Hij is vooral bekend als auteur van verschillende boeken over nietzscheaanse levenskunst, Bildung, moreel leiderschap, persoonsvorming en de kunst van het ouder worden.

De Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) biedt de eerste hbo-bachelor en hbo-master Toegepaste Filosofie in Nederland aan.