info@hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl
+31(0)85 8769712
Contact

Veel kinderfilosofen beschouwen Twintig denkgereedschappen van de Australische filosoof Philip Cam als een van hun standaardwerken. Een van Cams beginnersoefeningen is wat ik voor het gemak maar even het ‘doordenkdartbord’ noem, dat je met een groep van vijf tot vijftien deelnemers gaat vullen. Het interessante is dat deze oefening zich leent voor elke groep, binnen en buiten het onderwijs, voor jong en oud, overheid en bedrijfsleven, junior medewerkers en directiekamer. Je kunt de moeilijkheidsgraad makkelijk bijstellen. Neem er minimaal een uur de tijd voor.
Belangrijk: stuur als gespreksleider niet op de inhoud.

1. Je neemt een (school)bord of flap en tekent daarop de onderstaande figuur met een witte binnencirkel (het doelwit), met daarin het concept dat je wilt onderzoeken - bijvoorbeeld ‘integer’. Daaromheen schets (en arceer) je een (grijze) tussencirkel voor de twijfelgevallen en daar weer omheen een witte buitenrand voor situaties die zeker niet als integer te kwalificeren zijn. Zorg dat je veel ruimte hebt voor post-its. 

2. Vraag de groep - bijvoorbeeld een groep gemeenteambtenaren - om met concrete voorbeelden te komen van integer handelen, uit de eigen werkpraktijk. Voorbeelden uit een (mede)overheid, vernomen uit de media, mogen ook. Noteer deze op post-its en plak deze op het doelwit. Vraag de deelnemers vervolgens om praktijkvoorbeelden te geven die zonder twijfel als niet-integer handelen moeten worden bestempeld en plaats deze in de buitencirkel.  Vraag daarna om een aantal twijfelgevallen. Als gespreksleider moet je zelf inschatten of er genoeg materiaal verzameld is of dat de deelnemers het aandragen van voorbeelden nog (te) leuk vinden. 

3. Nu ga je de criteria onderzoeken. Ga de aangereikte voorbeelden langs en vraag de deelnemers of deze goed zijn ingedeeld. Bepaal steeds samen wat het criterium is. Onpartijdigheid, objectiviteit, betrouwbaarheid, transparantie, rolvastheid, innerlijk kompas - van alles zal de revue passeren. In deze fase kun je ook post-its verplaatsen, als daar een criterium voor is. Een deelnemer vindt bijvoorbeeld dat een ambtenaar die lekt naar de media alsnog integer kan zijn, als daarmee het algemeen belang wordt gediend of omdat zij vindt dat de eed die ze heeft afgelegd, haar daartoe verplicht. Een ander vindt dat een Haagse wethouder die een horecavergunning aan een campagnedonateur gaf, maar vrijgesproken is door de rechter, toch een twijfelgeval is. In deze fase mogen deelnemers ook tegenvoorbeeld aandragen als deze hen te binnen schieten. 

4. Wanneer de voorbeelden hun (uiteindelijke) plek hebben gevonden en de lijst met criteria ook compleet lijkt te zijn, kun je deze verder onderzoeken. Zo kun je voor elk criterium bepalen of dit: (1) noodzakelijk is voor integer handelen, maar misschien niet voldoende, of (2) voldoende is, maar niet per se noodzakelijk. Je zou ook nog derde categorie kunnen verzinnen van criteria waar veel, maar niet per se alle voorbeelden aan lijken te voldoen. Nog een moeilijkheidsgraad hoger: vormen de criteria een norm waar een voorbeeld wel of niet aan voldoet? Of een spectrum waar je een relatieve score op noteert? Kun je, om een gevleugelde uitspraak van een oud-minister aan te halen, niet ‘een beetje’ integer zijn, zoals je ook niet een beetje zwanger kunt zijn? Wat hier precies uit komt, is ongewis, maar dat betekent niet dat deze verdiepende discussie geen opbrengst heeft. 

5. Na een koffiepauze of sanitaire stop, om weer even op adem te komem en de eigen gedachten te ordenen, kun je als gespreksleider afronden met een open vraag: wat neem je mee uit dit onderzoek? In hoeverre ben je anders tegen integriteit aan gaan kijken? Welke nieuwe vragen blijven hangen? Hoe kijk je nu naar je eigen professionele handelen? Probeer hier ook zelf lessen uit te trekken: hoe heb je dit onderzoek begeleid?

Verder lezen:
Philip Cam. (2020). Twintig denkgereedschappen. Uitgeverij Levendig. 
Nanda van Bodegraven. (2022). ‘Grensgevallen’, in Jos Kessels et al. Hoog spel. ISVW uitgevers, pp. 300-303.

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

Dragend idee

Een dragend idee geeft je leven richting en is te vinden in een essentiële ervaring. Voor de deelnemers is de tafelrede een eerste kennismaking. Het gaat daarbij niet om een verlangen dat je najaagt maar om een overtuiging, een inzicht dat je, vaak naar aanleiding van een concrete ervaring, van betekenis verklaart voor je leven. En waar je vervolgens naar probeert te leven. In de tafelrede gaan we hiernaar op zoek. Daarnaast zijn er vaak ook verborgen waarden in het verhaal te vinden. Daarover praten is een van de bedoelingen van de tafelrede.

STAPPEN

  1. De beste voorbereiding is dat de docent de eerste tafelrede houdt. Je kunt dan laten zien waar je op mikt, inclusief alle imperfecties die er natuurlijk altijd te vinden zijn. Je zet de toon: een toon van kwetsbaar kunnen zijn, je onderzoekend en reflecterend tot gebeurtenissen verhouden. Je helpt deelnemers een oog te ontwikkelen voor het bijzondere in het alledaagse. Je maakt zichtbaar hoe een verhaal een andere, rijkere lading krijgt door jezelf erin te plaatsen.
  2. Vraag de spreker na te denken over waar deze wil zitten, staan, zijn.
  3. Wat wil je gebruiken: een uitgeschreven tekst, een briefje of flap met steekwoorden, een beamer?
  4. Welke oratorische stijlmiddelen zet je in: het volume en de afwisseling daarin, een dichtregel ter illustratie, plaatjes op de achtergrond, het leggen van accenten, herhalingen, samenvattingen tussendoor en aan het eind. 
  5. Hoe lang wil je spreken? De meeste sprekers spreken langer dan ze tijdens hun voorbereiding geoefend hebben. 
  6. Vraag de toehoorders notities te maken over hetgeen ze in de nabespreking ter sprake willen brengen.
  7. Nabespreking 1. Begin met applaus: een fijne ontlading en de eerste feedback. Zorg ervoor dat iemand de nabespreking leidt en enigszins op tempo houdt. Zorgt dat de spreker beschermd wordt: deze is kwetsbaar en mogelijk geëmotioneerd.  
  8. Vraag de toehoorders  een ‘veeg’ te geven: een zeer korte impressie in een paar woorden. Doe dit op tempo. 
  9. Nabespreking 2. Vraag te toehoorders na te denken en notities te maken over dat wat hen tijdens de rede raakte, de vorm, de retoriek/het pathos, het plezier, de zwaarte versus de lichtvoetigheid, de dragende ideeën.
  10. Entameer een gesprek naar aanleiding van het voorafgaande. Zorg ervoor dat ook de spreker voldoende ruimte krijgt.
  11. Sluit af met een rondje van 1 top en 1 tip.
  12. Geef de spreker de ruimte voor een afrondend woord.

Luuk Stegmann is klinisch psycholoog en psychotherapeut. Sinds 2012 is hij hoofddocent van de beroepsopleiding Visieontwikkeling en Rechtvaardig Leiderschap van de ISVW. Hij is mederedacteur van Hoog Spel, Filosoferen in de praktijk.

Het Kralenspel is in feite een filosofische onderzoeksmethode, die put uit het socratisch gesprek, de ideeënleer van Plato en (in mindere mate) de deugdenleer van Aristoteles. Jos Kessels heeft het spel bedacht en doorontwikkeld in De jacht op een idee (2009), Spelen met ideeën (2012) en in talloze oefeneningen in organisaties. Het doel: komen tot een idee, een principe of beeld waarmee je verder kunt in een lastige persoonlijke of werksituatie. Het is een onderhoudend spel met speelse en creatieve elementen: dat werd tijdens het toernooi duidelijk. Maar het is tegelijkertijd ook ernst, omdat er iets ‘op het spel’ staat. 

Vier niveaus
De methode bevat negen denkstappen, verdeeld over drie niveaus, die volgens Kessels elk een eigen taal hebben: die van de feiten (logos), van het persoonlijke gevoel (pathos) en van de kunst van het bepalen van het juiste midden (ethos). De denkstappen (of ‘plaatsen’: topoi) vormen samen een compacte, samenhangende redenering en leiden tot het richtinggevende idee op het vierde niveau.

Het begint op niveau 1, waar je de situatie beschrijft zoals jij die vanuit de ik-persoon beleeft. Daarna bepaal je in een zin het ‘hittepunt’: Toen (…) voelde ik (…), dacht ik: (…) en deed/wilde ik (…). Vervolgens schets je de ‘ontwikkeling’ van de situatie als er niets zou veranderen en welke vraag daar concreet uit voortkomt.  

Dan ga je naar niveau 2, waar je in drie stappen drie persoonlijke facetten onderzoekt: de risico’s en bedreigingen die je vreest (‘buik’), welke strijd je moet en bereid bent te leveren (‘hart’) en welke hogere idealen er op het spel staan (‘hoofd’): de zogenaamde boodschap van de goden die je wordt ingefluisterd. Als het goed is, liggen na het doorlopen van deze eerste zeven stappen de belangrijkste onderdelen van de kwestie op tafel 

Creatieve sprong
Op niveau 3 schets je het speelveld (of ‘spanningsveld’) van de belangrijkste twee polen waarbinnen het oplossing van de kwestie zich afspeelt. Als kralenspelspeler formuleer op je dit niveau wat te weinig of te passief (‘klein’) is en wat te veel of te uitbundig (‘groot’) is. Beide extremen zijn niet realistisch en niet moreel te verantwoorden. Je formuleert, in mythologische termen, de Scylla en Charybdis waartussen je moet laveren. Vanuit deze tegenstelling moet je de creatieve sprong gaan maken naar een synthese: naar niveau 4. Op dit niveau formuleer je het idee waarmee je verder komt. Welke vorm dit idee heeft, is open, maar poëtische of beeldende taal werkt vaak goed. 

In schema:

Niveau 4 (visie) - Idee

Niveau 3 (polen) - klein / groot

Niveau 2 (persoon) - buik / hart / hoofd

Niveau 1 (feiten) - situatie  /   hittepunt   /   ontwikkeling vraag

Winnaar
Als je het kralenspel goed wilt spelen, is het belangrijk er echt de tijd voor te nemen, zodat je per denkstap tot korte, kernachtige zinnen komt. Maar ook dat alle formuleringen samen één geheel vormen. Dit is ook wat de jury van het kralenspeltoernooi expliciet beoordeelde. Met behulp van het kralenspel kun je in korte tijd tot een mooi uitgewerkt idee komen. Dat bleek ook tijdens het toernooi, waar Iris Linssen, werkzaam als beleidsmedewerker bij het Ministerie van Justitie, als winnaar uit de bus kwam. Haar idee ging over het tonen van jezelf in een ingewikkelde familierelatie, waar een hiërarchische grens een rol speelde. Ze was naar het toernooi gekomen als toehoorder, maar werd toch verleid om een volledig spel uit te werken en ‘s avonds te presenteren.

Liefdevol aanrommelen
Andere inzendingen gingen over grenzen stellen in andere situaties. Bijvoorbeeld bij het in toom houden van een drukke klas, bij het je al dan niet bemoeien met het liefdesleven van een kind, bij het vast willen houden aan de kernactiviteit van een grote onderneming. 

Zelf had ik - ook wat schoorvoetend, omdat ook ik eerst de kat uit de boom wilde kijken - een kralenspel uitgewerkt over opvoeden. Hoe weet je nu of je genoeg grenzen stelt bij een zeurende peuter? Wanneer en op basis waarvan zeg je: tot hier en niet verder? Je bent bang dat je door te toegeeflijk te zijn een kind niet goed voorbereidt op een wereld die dat niet is. Maar je wilt ook geen eindeloze discussies over elk grensje. Ik kwam uit op een beeld van liefdevol aanrommelen met een klein aantal duidelijke grenzen. Dit beeld kan mogelijk nog kernachtiger geformuleerd worden, maar er zit beweging in mijn denken hierover. 

Paul Teule (1981) studeerde filosofie en economie en doceert bij de UvA en de HTF, waar hij ook directeur Onderwijs is. Hij is redacteur van Phronèsis en (acquirerend) redacteur van De Nederlandse Boekengids.

In de klassieke Griekse tragedies is het koor veelal prominent aanwezig. Het vertolkt de rol van meelevende toeschouwer, het geeft uitleg, het brengt de juiste sfeer om het stuk te begrijpen én het verwoordt een gezichtspunt van realisme en gematigdheid. Het koor voedt de toeschouwers op en het schoolt hen in zelfbewust burgerschap, vaak door commentaar op de overmoed (hybris) van de personages. Binnen de handeling van de tragedie nemen de personages dit commentaar over het algemeen niet ter harte. Ze leren van eigen en andermans fouten - althans: soms. En meestal te laat.   

Benoemen van het zichtbare en het verborgene

In deze oefening ligt de nadruk op het benoemen van het zichtbare en van het verborgene. Het koor kan ervoor kiezen te benoemen wat buiten beschouwing lijkt te blijven, wat meer aandacht zou verdienen, aandacht geven aan onderstromen in de dynamiek, aandacht geven voor wat onder de mat lijkt te verdwijnen. Het koor kan tegenspreken, het koor kan, al dan niet ironisch, ‘ondertitelen’. 

Net zoals in de Griekse tragedies neemt het koor in deze oefening de positie van buitenstaander in, dat wil zeggen: het koor participeert vanaf de zijlijn. Het koor neemt wel stelling, maar doet dat niet dominant of dwingend. Een koorlid is betrokken bij de handeling, maar spreekt vanuit een groot en tegelijk nederig verantwoordelijkheidsgevoel. Naar een koorlid wordt niet geluisterd vanwege zijn positie, maar vanwege de raakheid en de precisie van het commentaar. Het koorlid neemt verantwoordelijkheid en spreekt, zonder aarzeling. Het koorlid begrenst zich, niet zozeer vanuit machteloosheid maar vanuit een visie op de juiste mate van betrokkenheid. Het laat van zich horen als de ontwikkelingen dat vereisen. Het belang van zijn bijdrage is voor het koorlid boven twijfel verheven.

Loyaliteit

Tijdens een onderzoeksgesprek in de vorm van een socratische dialoog staat het begrip ‘loyaliteit’ centraal. De deelnemers verplaatsen zich in de schoenen van de voorbeeld-inbrenger. Hun bijdragen gaan zonder uitzondering over loyaliteit aan de groep en de kwestie. Het koor richt zich op meerdere loyaliteiten van de voorbeeldgever en zegt: “Het koor spreekt: Wie is hier loyaal aan zichzelf?” Zoals wel vaker wordt dit niet onmiddellijk ter harte genomen, maar wordt er iets later op een bredere manier naar de kwestie en het begrip ‘loyaliteit’ gekeken.

Bijzonder is dat ‘ex-koorleden’ veelal iets zeggen als: “Dat was leerzaam! Ik merkte dat ik als vanzelf zuinig werd met woorden. En ook zorgvuldig wilde omgaan met mijn bijzondere positie.”

Stappen

  1. Maak met de aanwezigen en/of de gespreksleider de afspraak dat je de rol op je neemt van een Grieks koorlid: dat je in korte interventies woorden zult geven aan het ongezegde en/of een tegenstem zult bieden. Dat kan in principe in elk gesprek, elk overleg.  
  2. Pak (bijvoorbeeld) een barkruk en ga daarop zitten, op enige afstand van de gesprekspartners. Creëer afstand en een verhoging.
  3. Volg het proces waar je als koorlid bij betrokken bent of waar je je bij betrokken voelt, nauwkeurig. Maak notities. 
  4. Orden de gedachtewisseling in een speelveld: wat lijken voor de gesprekspartners de uitersten te zijn? Klopt dat? 
  5. Zijn er aspecten die niet genoemd worden of gaandeweg uit beeld verdwijnen? Wat van hetgeen gezegd is, verdient meer stem of juist een tegenstem?
  6. Overweeg de relevantie hiervan. Is er naar jouw idee een noodzaak om bepaalde overwegingen (opnieuw) op tafel te leggen? Of om te duiden op een nieuwe invalshoek of wending?  
  7. Wanneer je besluit te spreken: aarzel niet en pak je rol. Spreek met pathos. En vooral: spreek kort en kies nieuwe woorden, die anders klinken en niet eerder in het gesprek gebruikt zijn. Put uit een poëtisch vocabulaire. Begin met: Het koor spreekt:… (stilte - mededeling … )  
  8. Spreek niet in de ik-vorm: je vertegenwoordigt iets groters en hogers!
  9. Bedenk dat je bijdrage aan kracht wint bij een spaarzaam en zorgvuldig gebruik van je ‘autoriteit’. Beperk het aantal interventies. En anderzijds: durf te experimenteren met je rol; hoe kan je je toegevoegde waarde vergroten?
  10. Evalueer alleen of met de groep je gemaakte keuzes, je gesproken tekst, de reactie(s) van de groep.

Luuk Stegmann is klinisch psycholoog en psychotherapeut. Sinds 2012 is hij hoofddocent van de beroepsopleiding Visieontwikkeling en Rechtvaardig Leiderschap van de ISVW. Hij is mederedacteur van Hoog Spel, Filosoferen in de praktijk. 

© HTF Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) B.V. 2026
Webdesign: SaffrieDesign
cross
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram