In rap tempo worden er door allerlei hogescholen leergangen Burgerschap ontwikkeld die (mogelijk) bijdragen aan de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs in het middelbaar beroepsonderwijs. Om de kwaliteit en uniformiteit enigszins te waarborgen heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een kwaliteitskader laten ontwikkelen voor deze leergangen, waaraan ook de opleiding tot docent burgerschap aan de HTF vanaf volgend studiejaar moet voldoen.
Helaas betreft het een stoffig document, waarin zaken staan als: ‘de docent analyseert maatschappelijke veranderingen op primair, secundair en tertiair niveau’ en ‘de docent heeft kennis van relevante politicologische concepten, zoals de gedecentraliseerde eenheidsstaat’.
Het kwaliteitskader riep verontwaardiging op bij de vakgroep Onderwijs van de HTF en leidde tot een inhoudelijke discussie over wat Burgerschap eigenlijk is. Over dat omstreden begrip bestond weinig consensus, behalve over één punt: de burgerschapsopvatting die uit het kwaliteitskader spreekt, schiet tekort. In dit artikel doe ik een eerste, persoonlijke poging tot een alternatieve articulatie.
Burgerschap gaat wat mij betreft over het ontwikkelen van een visie op wie je wilt zijn - in relatie tot jezelf, je omgeving en de samenleving. Met andere woorden: het gaat erom dat je je kunt oriënteren in een morele ruimte: een omgeving waarin allerlei morele vraagstukken op je pad komen. Je hebt twee dingen nodig om je te oriënteren in een morele ruimte: 1) een helder beeld van hoe die morele ruimte eruitziet en 2) antwoord op de vraag waar jij jezelf positioneert binnen die morele ruimte. Weten hoe de morele ruimte eruitziet, betekent dat je kennis hebt van welke waarden, normen en belangrijke vraagstukken er spelen in de huidige samenleving. Eenvoudiger gezegd: weten welke morele kwesties er spelen, welke waarden daar botsen en waarom dat ertoe doet. Jezelf positioneren binnen de morele ruimte betekent dat je in toenemende mate leert hoe je je wilt verhouden tot die morele vraagstukken.
Burgerschap gaat over het ontwikkelen van een visie op wie je wilt zijn - in relatie tot jezelf, je omgeving en de samenleving.
Het oriënteren in de morele ruimte is geen lineair proces, maar veeleer een iteratief proces, waarbij iemand constant beweegt tussen enerzijds kennisnemen van de samenleving en anderzijds hoe je je daartoe wilt verhouden op basis van je eigen rangorde van waarden.
In Autonomie: een zelfhulpgids (2022) illustreert Miriam Rasch hoe dit iteratieve proces goed kan verlopen. Ten eerste is het belangrijk een achterkamer voor jezelf vrij te houden, waarin je vrij en ongestoord kunt nadenken over wat er voor jou wezenlijk toe doet en hoe je daarin wilt handelen. Ten tweede moet je ook regelmatig uit die achterkamer komen om een actieve relatie met de samenleving te onderhouden. Rasch waarschuwt er namelijk voor dat mensen die te lang verblijven in hun achterkamer, vatbaar worden voor manipulatie door giftige algoritmes en deepfakes, die een geloofwaardig maar onjuist beeld van de samenleving laten zien. Met andere woorden: zij verliezen zicht op hoe de morele ruimte eruitziet, waardoor het lastiger wordt zich daarin te oriënteren.
Een andere reden waarom het lastig wordt voor jongeren - en eigenlijk voor alle mensen - om zich te oriënteren in de morele ruimte, is dat zij niet weten waar zij zelf staan. Zij kennen hun eigen rangorde van waarden niet en weten niet met wie zij zich willen verbinden. Mijn ontzetting over het kwaliteitskader moet dan ook in deze richting worden gezocht. Als een docentenprogramma vol wordt gepropt met het correct overbrengen van allerlei sociologische ‘-ismes’, dan wordt de ruimte verkleind waarin docenten het goede gesprek met studenten kunnen voeren over hoe zij zich verhouden tot maatschappelijke normen, waarden en vraagstukken.
Onderwijskundig geformuleerd: in het kwaliteitskader van OCW voert het kwalificatiedomein dermate de boventoon dat de subjectificatie naar de achtergrond verdwijnt, terwijl een docent Burgerschap júist moet faciliteren dat studenten woorden leren geven aan hun eigen waarden en leren oefenen met het innemen van, en verantwoordelijkheid nemen voor, een positie.
Het belang van subjectificatie wordt niet alleen onderschreven door een docent die het liefst levenskunst doceert (zoals ondergetekende), maar volgt ook logisch uit het Handboek Burgerschapsonderwijs (2024). Daarin wordt gesteld dat er pas sprake is van een burgerschapsles als deze voldoet aan drie eisen: 1) het aanleren van kennis of vaardigheden, 2) een spanning tussen verschillende waarden en 3) een verkenning van mogelijke oplossingen voor deze spanning.
Door de overmatige nadruk op sociologische ‘-ismes’ voldoet het kwaliteitskader slechts aan de eerste van deze drie voorwaarden, terwijl een opvatting over burgerschap die stelt dat het gaat om het ontwikkelen van een welbepaalde visie op wie je wilt zijn in relatie tot jezelf, de omgeving en de samenleving - waarbij je zowel kennis neemt van het morele landschap als van je eigen rangorde van waarden - aan alle drie de eisen voldoet.
Ruimte maken voor het gesprek waarin studenten leren wie zij willen zijn als burger.
Een les waarin bijvoorbeeld de vraag centraal staat of een school moet faciliteren in een gebedsruimte voor leerlingen, voldoet aan het eerste criterium, omdat studenten kennisnemen van artikel 6 van de Grondwet, dat gaat over vrijheid van godsdienst. De les voldoet ook aan het tweede criterium, omdat er spanningen kunnen bestaan tussen verschillende bevolkingsgroepen en hun rangorde van waarden. Deze les voldoet echter niet noodzakelijk aan het derde criterium; dat gebeurt pas wanneer studenten worden uitgenodigd om gezamenlijk mogelijke handelingsopties te verkennen en hun eigen positie daarin te beargumenteren.
Het kwaliteitskader van OCW sluit niet noodzakelijk uit dat studenten zich daardoor slechter leren oriënteren in de morele ruimte, want een analyse van een waardenconflict aan de hand van sociologische concepten kan ondersteunend werken bij het innemen van een eigen positie. Het kwaliteitskader staat echter zo bomvol met vakinhoudelijke eisen, dat burgerschap hier veel weg heeft van disciplinering van het subject. We zouden er, als schoolopleiders, verstandiger aan doen om minder te vertrouwen op een uitputtende lijst van vakinhoudelijke eisen en meer ruimte te maken voor het gesprek waarin studenten leren wie zij willen zijn als burger.

Martijn Janssen (1995) behaalde de master Praktische Filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. De Post-Master tot eerstegraads docent filosofie rondde hij af bij Tilburg University. Zijn filosofische expertise is (meta-)ethiek, wijsgerige antropologie en filosofie van de persoonlijke vorming. Martijn geeft les in filosofie en mediawijsheid aan het Veluws College Walterbosch te Apeldoorn. Bij de HTF is Martijn werkzaam als coördinator van de afstudeerrichting Onderwijs (docentopleiding Filosofie en Burgerschap) en docent.
Lees meer over de studiekosten van de verschillende opleidingen van de HTF
Lees hier meer over de toelatingseisen van de HTF

De Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) biedt de eerste hbo-bachelor en hbo-master Toegepaste Filosofie in Nederland aan.