In zorgteams werken professionals vaak samen, zonder werkelijk samen te werken. Wat hen in hun handelen verbindt, blijft impliciet. Vanuit deze praktijk heb ik voor mijn afstudeerprogramma aan de BA-opleiding Toegepaste Filosofie van de HTF een interventieprogramma ontwikkeld dat gericht is op het versterken van teamcohesie binnen zorgteams. ‘Cohesie’ verwijst hier naar de relationele dimensie van de samenhang tussen teamleden.
De vraag naar versterking van de teamcohesie ontstond binnen de praktijk van Autismepunt: een particuliere zorgorganisatie die gespecialiseerde ondersteuning biedt aan mensen met autisme. In het begeleidingsteam van 43 medewerkers bleek dat samenwerken geen vanzelfsprekendheid is. In de praktijk werken zorgprofessionals van Autismepunt vaak autonoom.
Zij handelen voortdurend in diverse, onvoorspelbare en complexe situaties om recht te doen aan het maatwerk dat de praktijk van hen vraagt. Daardoor ontbreekt zicht op elkaars werk en op de manier waarop ieder betekenis geeft aan gedeelde waarden. Individuele afwegingen en verantwoordelijkheid zorgen ervoor dat welwillende professionals onbewust verschuiven van een teamgerichte naar een individueel cliëntgerichte werkwijze. Het zijn professionals die naast elkaar werken: er is sprake van samenhang, maar geen cohesie. Teamleden doen hetzelfde werk, maar ervaren weinig relationele verbondenheid op teamniveau. Dit leidt tot problemen als onduidelijkheid over de gezamenlijke richting, terughoudendheid in het bespreken van verschillen, onzekerheid over verwachtingen, gebrek aan teamloyaliteit en subgroepvorming.
Deze problematiek speelt zich niet alleen op praktisch niveau af, maar raakt aan diepere vragen over wat ‘goed handelen’ is. Dit vraagt niet alleen om een oplossing, maar om een andere manier van kijken. In het interventieprogramma krijgt deze manier van kijken vorm, geïnspireerd door de Britse filosoof Alastair MacIntyre, die in zijn boek Na de deugd (MacIntyre, 1981/2025) o.m. sociale praktijken bespreekt. Vanuit dit perspectief wordt cohesie niet gezocht in structuur, afspraken of procedures, maar in de mate waarin teamleden zich gezamenlijk richten op wat zij binnen hun werk als waardevol beschouwen. Deze gezamenlijke oriëntatie ontstaat niet vanzelf en blijft alleen bestaan wanneer teamleden deze voortdurend verhelderen, bespreken en onderhouden in hun handelen zelf.
Dit werkt door in de opbouw van het programma. Het begint met het creëren van een gedeeld referentiekader voor verdere gezamenlijke reflectie en oordeelsvorming. Vervolgens staat het gezamenlijk hanteren van gedeelde waarden in complexe praktijksituaties centraal, zodat abstracte waarden betekenis krijgen in het professionele handelen. Tot slot ligt de nadruk op het doorwerken van gedeelde waarden en gezamenlijke oordeelsvorming in het dagelijkse handelen en de onderlinge afstemming.
Het interventieprogramma is daarmee geen eenmalige interventie, maar een proces waarin deliberatie telkens centraal staat: een gezamenlijk gesprek, waarin teamleden afwegingen zorgvuldig onderzoeken en toewerken naar een gedeeld oordeel. Zo kan wat in gezamenlijke reflectie naar voren komt zich in de tijd verder ontwikkelen en doorwerken in het handelen. Het programma biedt hiervoor een structuur, zodat reflectie en praktijk verbonden blijven en teamleden cohesie niet veronderstellen, maar gaandeweg opbouwen.
Het programma kan zo meebewegen met de veranderlijke context van de zorg. De nadruk op autonomie en maatwerk gaat samen met toenemende eisen rond verantwoording en efficiëntie. Dit vergroot de spanning tussen individueel oordeel en gezamenlijke afstemming. Het interventieprogramma geeft hier een concreet antwoord op.
Het programma gaf de teamleden een gevoel van thuiskomen, doordat zij zichzelf, het team en hun plek daarin beter leerden begrijpen.
Het filosofische karakter van dit beroepsproduct ligt in de manier waarop het een andere opvatting van professionaliteit en van het team als praktijk zichtbaar maakt. Waar professionaliteit vaak wordt opgevat als het volgen van regels, verschuift dit hier naar het gezamenlijk ontwikkelen van oordeelsvermogen. Teamcohesie ontstaat daarbij niet door overeenstemming, maar in het onderzoeken van verschillen. Door die verschillen samen te verkennen, ontwikkelen teamleden gedeelde betekenis.
Waardenspanningen krijgen hierin een centrale rol, niet als probleem, maar als katalysator van de cohesie omdat juist spanning het gesprek verdiept. Verschillen die niet eenvoudig te verenigen zijn, vragen om meer dialoog. In het voeren van die dialogen ontstaat een teamgevoel.
De toegepaste aard van dit beroepsproduct blijkt uit het feit dat de inzichten niet op het niveau van analyse blijven, maar zich vertalen in concrete werkvormen en praktische hulpmiddelen. De praktische hulpmiddelen bestaan uit een waardenkaart, toelichtingskaarten en dialoogkaarten. De waardenkaart maakt zichtbaar wat binnen de praktijk als belangrijk en waardevol geldt, en biedt een gedeeld referentiepunt. Toelichtingskaarten laten zien hoe deze waarden richting geven aan professioneel handelen, zonder ze vast te zetten. Dialoogkaarten maken waardenspanningen en lastige vragen expliciet en nodigen uit tot een verdiepend gesprek. Deze hulpmiddelen zijn erop gericht het gesprek te ondersteunen en te verdiepen.
Door het gezamenlijke onderzoeken van waarden en spanningen draagt het beroepsproduct bij aan normatieve professionalisering: professionals leren hun handelen gezamenlijk doordenken en verantwoorden. In die zin ondersteunt het interventieprogramma duurzaam teamcohesie, professionele identiteit en normatieve afstemming.
Het management van Autismepunt heeft het interventieprogramma met enthousiasme omarmd en besloten het volledig te implementeren. Daarnaast heeft het management een opleiding tot gespreksleider moreel beraad ingekocht voor 12 medewerkers, zodat deliberatie structureel kan doorgaan. Maar wat mij vooral bijblijft, zijn de reacties van de teamleden. Zij gaven unaniem aan deze aanpak als een verademing te ervaren. Het gaf hen een gevoel van thuiskomen, doordat zij zichzelf, het team en hun plek daarin beter leerden begrijpen. Zoals een teamlid het verwoordde: “Ik ga hier echt van aan!”
Dit bevestigt voor mij dat toegepaste filosofie nog maar net begonnen is haar mogelijkheden te tonen.
Referentie
MacIntyre, A. (2025), Na de deugd (W. Visser, Vert.). Uitgeverij Ten Have. (Origineel werk gepubliceerd in 1981)

Leander Westerbeek van Eerten werkt als trainer en begeleider binnen de autismehulpverlening. Op 19 februari 2026 studeerde hij af aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Voor zijn afstudeerproject ontwikkelde hij binnen Autismepunt een interventieprogramma om teamcohesie te versterken. Daarin verbindt hij filosofische reflectie op waarden met concrete werkvormen voor professionele teams.
Lees meer over de studiekosten van de verschillende opleidingen van de HTF
Lees hier meer over de toelatingseisen van de HTF

De Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) biedt de eerste hbo-bachelor en hbo-master Toegepaste Filosofie in Nederland aan.