Een vriend stuurt me een berichtje: “Heb jij dat stuk gelezen over de nieuwe mediawet?” Ik niet. Hij eigenlijk ook niet - hij heeft de samenvatting gelezen die Copilot hem had gegeven op basis van een zoekopdracht. We praten tien minuten over een artikel dat geen van ons heeft gelezen. Velen van ons hebben zoiets wel eens meegemaakt. Het lijkt onschuldig. En toch.
Nieuws bereikt ons steeds vaker niet meer via een krant, een nieuwssite of een omroep, maar via een AI-tool die het voor ons heeft samengevat, geselecteerd en geordend. Perplexity, Google AI en Copilot: ze zijn de nieuwe toegangspoorten geworden tot wat er in de wereld gebeurt. Volgens de Mediamonitor 2025 van het Commissariaat voor de Media vormen AI-gestuurde antwoordtools een keerpunt in het media-aanbod en ons mediagebruik. Nog maar een kleine minderheid gebruikt zulke tools expliciet voor nieuws - begin 2025 zo'n vijf procent van de Nederlanders, elf procent onder jongeren - maar het Commissariaat verwacht een sterke toename. Tegelijkertijd neemt de afhankelijkheid van grote platformbedrijven toe en verlaten jongeren het kranten- en televisienieuws in rap tempo.
De vraag die ik wil stellen gaat dieper dan de vertrouwde zorgen over nepnieuws of platformmacht. Het systeem liegt misschien niet eens: het comprimeert, het ordent, het neutraliseert. En precies daarin schuilt iets waar we te weinig oog voor hebben en dat verder reikt dan de vaak gehoorde aanklacht dat AI nepnieuws mogelijk maakt. De interessante vraag is wat AI verandert aan onze publieke omgang met waarheid, aandacht en oordeel.
De Amerikaanse journalist en politiek denker Walter Lippmann schreef in 1922, midden in het interbellum en diep onder de indruk van hoe propaganda de Eerste Wereldoorlog had aangestuurd, een boek dat hem tot op de dag van vandaag relevant houdt: Public Opinion. Zijn kernstelling is dat burgers niet handelen op basis van de werkelijkheid, maar op basis van een beeld van de werkelijkheid. Een pseudo-omgeving, noemde hij het, omdat dat beeld altijd wordt geconstrueerd door anderen: door redacteuren, door een nieuwsselectie, door de keuze welk verhaal de voorpagina haalt. Lippmann was somber over de implicaties hiervan voor democratie. Burgers, meende hij, zijn structureel afhankelijk van bemiddelaars - en die bemiddelaars zijn nooit neutraal.
Een publieke ruimte die ons efficiënt informeert of een ruimte die ons uitnodigt om te oordelen, te twisten en ons te verhouden tot wat ons verdeelt?
Wat Lippmann niet kon voorzien, is dat die bemiddelaar ooit een systeem zou zijn zoals de hedendaagse AI. De AI-systemen hebben geen mening - of tenminste, zo presenteren ze zich. Er is geen redactionele agenda die je kunt nazoeken, geen naam onder het stuk, geen krant waarvan je de signatuur kent. AI comprimeert en doet dat met een gezaghebbende gladheid die elke keuze onzichtbaar maakt. En dat is filosofisch verontrustender dan partijdigheid: want partijdigheid kun je herkennen en weerspreken. Onzichtbaarheid niet.
Om te begrijpen waarom dat zo verontrustend is, moet je kijken naar wat nieuws eigenlijk is. Want nieuws is van nature niet neutraal. Het is omstreden. Het is gekleurd door perspectief, toon en selectie. Een artikel over de stikstofcrisis in Trouw is anders van kleur dan in De Telegraaf - en dat verschil is informatief. Het vertelt je iets over hoe een samenleving verdeeld is, welke belangen op het spel staan, waar de frictie zit. Hannah Arendt zou zeggen: die frictie is niet het probleem van het publieke debat, het is het publieke debat. Politiek bestaat bij de gratie van verschijning - van dingen die zich tonen in hun meervoudigheid en tegenstrijdigheid. Een publieke ruimte waarin dat conflict wordt weg-gepolijst, is geen publieke ruimte meer, maar een beheerde informatieomgeving.
De AI-samenvatting doet precies dat. Het comprimeert het meningsverschil tot een uitgebalanceerde weergave. Het vervangt de toon - verontwaardigd, urgent, ironisch - door een vlakke, functionele stijl. Het laat de herkomst van de informatie weg, of reduceert die tot een bronvermelding onderaan. Wat verdwijnt zijn niet de feiten. Wat verdwijnt is de politieke textuur van het nieuws: de onzekerheid, de framing, het conflict.
Dat heeft gevolgen die verder gaan dan mediawijsheid. Het gaat niet alleen om de vraag of burgers leren ‘kritisch te googelen’. De vraag is structureler: wat betekent het voor een democratie als de infrastructuur van het publieke debat is ingericht op frictieloosheid? We hebben de poortwachtersfunctie - ooit in handen van redacteuren die keuzes maakten en daarvoor verantwoording aflegden - overgedragen aan systemen die zijn ontworpen voor gebruiksvriendelijkheid, frictieloosheid en tevredenheid. Het probleem is: die doelen botsen met wat het democratisch debat vereist.
Lippmann dacht dat het antwoord op dit probleem een klasse van experts zou zijn, die de complexe werkelijkheid voor burgers vertaalden. Arendt verwierp dat idee: ze wilde een publieke ruimte waarin burgers zelf oordelen, niet een ruimte die voor hen is ingevuld. Tussen die twee posities beweegt ook onze discussie over AI en nieuws zich. De vraag is niet alleen technisch - welk algoritme, welke bronnen - maar politiek-filosofisch: wat voor soort publieke ruimte willen wij zijn? Een ruimte die ons efficiënt informeert, of een ruimte die ons uitnodigt om te oordelen, te twisten en ons te verhouden tot wat ons verdeelt?
Mijn vriend en ik praatten tien minuten over een artikel dat we niet hadden gelezen. We waren het eens. Dat had ons aan het denken moeten zetten.

Ivana Ivković is politiek filosoof. Ze schrijft, doceert en modereert over democratie, publieke ruimte, crisis en de maatschappelijke rol van kunst en filosofie.
Ivana verzorgt bij HTF Denkhuis de volgende training over AI: Denken met AI
Lees meer over de studiekosten van de verschillende opleidingen van de HTF
Lees hier meer over de toelatingseisen van de HTF

De Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF) biedt de eerste hbo-bachelor en hbo-master Toegepaste Filosofie in Nederland aan.